Teksten van De Holsteen

De Holsteen

"De Holsteen", verzamelnaam voor een zevental grote stenen, ter plaatste ontstaan uit zand (door oplossen en terug neerslaan van kiezelzuur) dat door de zee tijdens het mioceen werd afgezet. In het neolithicum (3000-1500 voor Christus) werden ze gebruikt om stenen gerief en wapens op de polijsten.


Bron: Schlusmans F. met medewerking van Gyselinck J., Linters A., Wissels R., Buyle M. & De Graeve M.-Ch. 1981: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Hasselt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 6N2 (He-Z), Brussel - Gent.
Auteurs:  Schlusmans, Frieda
Datum: 1981

Je kan deze pagina citeren als: Schlusmans, Frieda: De Holsteen [online], https://id.erfgoed.net/teksten/84272 (geraadpleegd op 22-10-2020)


De Holsteen

Historiek van het onderzoek

De Holsteen, een ensemble van een tiental enorme zandsteenblokken in het oostelijk gedeelte van de gemeente Zonhoven, wordt voor het eerst in 1862 vermeld in de wetenschappelijke literatuur door H. Schuermans. Zoals de titel van zijn bijdrage (Notice sur les monuments du Limbourg antérieurs au moyen âge) doet vermoeden, worden deze zandsteenblokken hier beschouwd als de resten van een prehistorisch megalithisch bouwwerk (cromlech of dolmen). Het fenomeen blijkt echter natuurlijk van oorsprong te zijn. Delvaux (1887) geeft van de blokken een gedetailleerde geologische en paleontologische beschrijving en komt tot de conclusie dat het hier om tertiaire zandsteenblokken uit het Boven-Landeniaan zou gaan en dat ze dus 55 tot 60 miljoen jaar geleden ontstaan zouden zijn door de aaneenkitting van zand met cementachtig materiaal, gehydrateerd silicium, dat onder invloed van de koolzuurhoudende neerslag in de bodem zou zijn terechtgekomen. De talrijke holten in het gesteente, die aan De Holsteen zijn naam hebben gegeven, zouden veroorzaakt zijn door biologische activiteit, zowel van dieren als van planten en ontstonden voorafgaand aan de verstening van het Landeniaanzand.

Een van de zandsteenblokken, in het meest noordelijke gedeelte van het Holsteenterrein, zou evenwel als zogenaamde 'polissoir' of polijststeen gebruikt zijn door de neolithische mens. Dit fenomeen kenmerkt zich door talrijke gleuven of polijstgroeven die veroorzaakt zouden zijn door de polijsting van stenen werktuigen. In 1926 werden opgravingen ondernomen en de steen werd over een oppervlakte van circa vijf bij vier meter blootgelegd. Slechts enkele vuursteenafslagen werden aangetroffen. In 1935-1936 werden opnieuw opgravingen uitgevoerd. Ook tijdens dit onderzoek werden slechts enkele vuursteenschilfers aangetroffen.

In 1987 werd een petrografisch onderzoek verricht om de geologische oorsprong van de zandsteenblokken van De Holsteen na te gaan. Dit onderzoek toonde aan dat de samenstelling van de zandsteen van De Holsteen zeer gelijkaardig is aan de samenstelling van het omringende zand. Hieruit kan men afleiden dat De Holsteen zich ter plaatse heeft gevormd. De kwartszanden die het gesteente samenstellen zouden volgens hun bijzondere karakteristieken als kustsedimenten afgezet zijn. Ze zijn beduidend verschillend van Landeniaanzanden en eerder met Bolderiaanzanden verwant. De Bolderiaanzanden zijn ongeveer 15 miljoen jaar oud. De vorming van het zandsteen zou in verband kunnen gebracht worden met bovenliggende bruinkoolafzettingen. Deze afzettingen zijn ontstaan in de kreken en moerassen van het door getijdebewegingen gekenmerkte, mariene Bolderiaanlandschap. Door herhaalde overstromingen zouden plantenresten een bruinkoollaag gevormd hebben waarbij het onderliggende Bolderiaanzand door de afscheiding van humuszuren tot zandsteen aaneenkitte. Deze lokale verschijnselen werden vervolgens door continentale Bolderiaanzanden afgedekt. Ten gevolge van de reliëfinversie die ook het Kempisch plateau vormde, kwamen deze zandsteenformaties na verloop van tijd terug aan de oppervlakte. Herhaaldelijk oplossen en neerslaan van siliciumoxide ten gevolge van overstromingen van het lokale bekensysteem hebben een dunne harde buitenkorst doen vormen op het zandsteen. Dit proces in combinatie met wind- en ijserosie hebben gezorgd voor het grillige uitzicht van de zandsteenblokken.

De polijststeen en de andere zandsteenbloken in de onmiddellijke omgeving dagzomen reeds geruime tijd, op zijn minst vanaf de aanvang van het Holoceen, circa 10 000 jaar geleden.

In 1993 werd opnieuw een archeologische opgraving ondernomen. Grondig zeven van de grond leverde 108 prehistorische stenen voorwerpen op en een klein aantal middeleeuwse scherven. Het lithisch materiaal omvat in hoofdzaak onbewerkte afslagen en schilfers, maar er komen ook echte werktuigen voor als een eindschrabber, enkele gekerfde en geretoucheerde voorwerpen, een steker, een fragment van een klingetje en een pijlspits. Het ensemble is kenmerkend voor met mesolithicum. In de zone onmiddellijk ten noorden van de polijststeen werd een fragment van een gepolijst voorwerp aangetroffen. Het vuursteen waaruit dit fragment bestaat is anders van aard dan de mesolithische vondsten: fijnkorrelig, lichtgrijs en zwart gespikkeld.

Interpretatie

Gepolijste voorwerpen waren in onze streken in gebruik vanaf het middeneolithicum tot en met de bronstijd. Het ontbreken van andere vondsten uit deze periode wijst erop dat hier toen wellicht geen sprake was van echte bewoning, maar dat de plaats enkel gebruikt werd voor een specifieke bezigheid, zoals mogelijk het polijsten van stenen voorwerpen.

Tijdens de meest recente opgraving kon duidelijk vastgesteld worden dat er 51 groeven aanwezig waren op de polijststeen. De groeven zijn vrijwel zeker het resultaat van slijpacties van steen. Het voorkomen van deze groeven in combinatie met een polijstvlak wijst overtuigend in de richting van de prehistorische gepolijste werktuigen. Bovendien is de overduidelijke samenhang tussen polijstsporen en natuurlijke depressies in het steenoppervlak een bijkomend argument voor de interpretatie als prehistorische polijststeen. Een dergelijke relatie tussen polijstsporen en natuurlijke bekkens werd op tal van polijststenen waargenomen en is ook etnografisch gedocumenteerd. Men mag aannemen dat de bekkens als reservoir voor water – onmisbaar bij polijstactiviteiten – dienst deden. Het water werd gebruikt als glij- en koelmiddel en om het polijststof af te voeren. Door het toevoegen van zand aan het water kon een extra schurende kracht teweeg gebracht worden.

Het is opmerkelijk dat slechts één van de tiental zandstenen dergelijke polijstsporen vertoont. Mogelijk werd deze specifieke steen dan ook een bijzondere betekenis toegedicht door de prehistorische mens.

Op circa 700 meter ten oosten van de polijststeen, werden twee concentraties van silex artefacten teruggevonden. De vondsten kunnen gedateerd worden in het mesolithicum en vertonen kenmerken van het Ahrensburgiaan. De vondstenconcentraties wijzen wellicht op de aanwezigheid van een extractiekamp op deze locatie.

  • Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 50018 De Holsteen.
  • Centrale Archeologische Inventaris, CAI ID 51851 Zonhoven-Molenheide.
  • HUYGHE D. 1993: De Holsteen te Zonhoven. Archeologische verkenning van een beschermd landschap, Monumenten & Landschappen 12.4, p. 41-50
  • VERDURMEN I. & TYS D. 2007: Centrale Archeologische Inventaris (CAI) III. De archeologische waarde van militaire heidedomeinen, VIOE-rapporten 03, p. 80-88

Bron: -
Auteurs:  Huyghe, Dirk, Verdurmen, Inge

Je kan deze pagina citeren als: Huyghe, Dirk; Verdurmen, Inge: De Holsteen [online], https://id.erfgoed.net/teksten/171689 (geraadpleegd op 22-10-2020)