Scheppersinstituut met kapel

inventaris bouwkundig erfgoed \ bouwkundig relict

Locatie

Alternatieve naam Sint-Barbaragesticht
Provincie Oost-Vlaanderen
Gemeente Wetteren
Deelgemeente Wetteren
Straat Cooppallaan
Locatie Cooppallaan 128, Wetteren (Oost-Vlaanderen)
Status Bewaard

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Adrescontrole Wetteren (adrescontroles: 01-05-2008 - 01-05-2008).
  • Inventarisatie Wetteren (geografische inventarisatie: 01-07-2002 - 30-09-2003).

Juridische gevolgen

is vastgesteld als bouwkundig erfgoed Scheppersinstituut met kapel

Deze vaststelling is geldig sinds 20-09-2010.

is beschermd als monument Sint-Barbarakapel en -gesticht met tuin en volière

Deze bescherming is geldig sinds 03-06-2005.

Beschrijving

Scheppersinstituut, voorheen gekend als Sint-Barbaragesticht. Voormalig Sint-Barbaragesticht met kapel en met aanpalende tuin met volière, beschermd als monument bij ministerieel besluit van 3 juni 2005.

Historiek. Onderwijsinstelling en semi-publieke kapel, opgericht in 1876 als weeshuis met klooster waar de zonen van slachtoffers van ontploffingen in de buskruitfabriek opvang en een beroepsopleiding konden krijgen, gebouwd in opdracht van de toenmalige eigenaars en bestuurder van de buskruitfabriek Cooppal. Theodoor Teichmannn (1788-1867), was na het overlijden van zijn schoonvader P.F. Cooppal eigenaar van de Cooppalfabriek geworden. Zijn vier dochters, Jenny, Elisabeth, Constance en Marie, besloten in 1876, ook als nagedachtenis aan hun overleden ouders, in de buurt van de Cooppalfabriek op de wijk Beirstoppel dit aanvankelijke weeshuis te bouwen voor de zonen van slachtoffers van de buskruitfabriek. Zij werden daarbij gesteund door de (aangetrouwde) familie Belpaire en de directeur van de Cooppalfabriek Van Cromphaut en zijn echtgenote. De stichting werd onder de bescherming geplaatst van de Heilige Barbara, tevens patrones van de Cooppalfabriek. De Heilige Barbara werd aanroepen tegen een plotse dood en was de patroonheilige van allen die een gevaarlijk beroep hadden en bijgevolg ook van allen die met springstof omgingen. De aalmoezenier van het Sint-Barbaraweeshuis fungeerde tevens als aalmoezenier voor het personeel van Cooppal.

Begin 1876 gaf de beheerraad van de buskruitfabriek Cooppal & Co opdracht aan architect Arthur Verhaegen uit Gent om het ontwerp te maken voor een kapel, een woning voor de aalmoezenier, en een weeshuis dat klaslokalen en een slaapzaal zou omvatten. Op 16 april 1876 vond de eerstesteenlegging plaats door Monseigneur Bracq, bisschop van Gent. Op zijn verzoek namen broeders van Onze-Lieve-Vrouw van Barmhartigheid (of broeders van Scheppers) in 1879 het bestuur in handen. De kapel werd op 2 juli 1879 ingewijd. Naast de aan de straatzijde gesitueerde kapel waren in 1879 de haaks aansluitende westvleugel van het weeshuis en de (thans verdwenen) alleenstaande aalmoezenierswoning ten oosten ervan gerealiseerd, zie gegevens kadasterarchief.

In de zomer van 1879 startte de lagere school, aanvankelijk in lokalen van de buskruitfabriek tot de klaslokalen waren afgewerkt. Bij de instelling werd datzelfde jaar een eigen bakkerij opgericht en werd begonnen met de uitbouw van een hoeve. De eerste afdelingen beroepsopleiding betroffen de kleermakerij en schoenmakerij. In 1883 werd in het gesticht een tuinbouwschool opgericht onder leiding van broeder Simon. Er bestond in die periode immers nood aan een theoretische vakopleiding in boom- en bloementeelt voor de zonen van de Wetterse boomkwekers. Vanaf 1886 werden voor het eerst, als internen, kinderen aanvaard, die geen relatie hadden met de firma Cooppal.

De aanvraag van 1886 tot uitbreiding van het gebouwencomplex leidde tot de constructie van de noordvleugel, aansluitend, ook in bouwstijl, bij de bestaande gebouwen en parallel aan de kapel. In 1897 besloot de beheerraad van de buskruitfabriek Cooppal tot de uitbreiding van het gebouwencomplex onder meer met een werkplaats voor een afdeling houtbewerking. Het complex werd westwaarts vergroot met een L-vormige bouw in het verlengde van de noordvleugel (in 1899 opgetekend in het kadaster). Deze uitbreiding is intussen door hedendaagse schoolgebouwen vervangen.

De congregatie van de broeders van Scheppers besloot in 1899, voor de oprichting van een grote boerderij met brouwerij en melkerij, gronden aan te kopen achter de aalmoezenierswoning, waarop al een windmolen stond. De gebouwen waren in 1900 voltooid. Intussen hebben deze bijgebouwen plaats gemaakt onder meer voor de nieuwe lagere school van Scheppers en voor serrebouw.

In 1911 werd haaks achter de noordvleugel van de instelling, aan de tuinzijde, een nieuwe vleugel van aanvankelijk één bouwlaag opgericht voor de lagere school. Deze vleugel onderging ook in jongere periodes aanpassingen (onder meer in 1950-1951 werd de aanvankelijke feestzaal omgebouwd tot turnzaal, bouw van een bovenverdieping in 1978 op een deel van de klaslokalen). Naast deze vleugel was een aangelegde tuin aanwezig.

Het aanzicht van het instituut wijzigde sterk in de tweede helft van de 20ste eeuw. De kapel en beide vleugels rondom de binnenplaats, tevens de oudste en voornaamste gebouwen van het gesticht die een U-vormig neogotisch geheel vormen, bleven echter gevrijwaard. De opvallend hoge torenspits van de dakruiter op de kapel diende in de jaren 1980 wegens stormschade te worden verwijderd en werd door een veel kortere spits vervangen.

A. Verhaegen voorzag in zijn ontwerp (1876) van het gesticht een typisch middeleeuwse kloosterplattegrond met gesloten vierkante aanleg. In werkelijkheid werd het Sint-Barbaraweeshuis in U-vorm gefaseerd gerealiseerd rondom een vierkante binnenplaats. De semi-publieke kapel aan de straatzijde werd als zuidvleugel opgevat. De aansluitende volumes van west- en noordvleugel met toepassing van steile zadeldaken en de sobere neogotische stijleenheid in de geveluitwerking in de geest van de Sint-Lucasneogotiek, getuigen van een visie beantwoordend aan een totaalconcept. Het geheel is opgetrokken in opvallende oranjerode baksteen met zodanig verwerkte grijze kalksteen dat typerende architecturale componenten en gevelornamentiek worden geaccentueerd. Zowel de kapel als beide andere neogotische vleugels bezitten een hoge sokkel van blokken in regelmatig verband met afzaat; ook de afboording van de puntgevels en versnijdingen van de steunberen zijn in grijze kalksteen uitgevoerd.

Sint-Barbarakapel. De eenbeukige georiënteerde kapel vertoont in grondplan een rechthoekig schip van vijf traveeën en aansluitend smaller en lager koor van twee traveeën met vlakke sluiting. Het vloerniveau van de kapel ligt opvallend hoger dan de straat. De eerste koortravee aan de zuidzijde biedt toegang tot de aanvankelijke privékapel, met eigen toegang vanaf de straat, voor de families Cooppal, Teichmann, Belpaire en Van Cromphaut (nu bergplaats). De sacristie leunt aan tegen de noordelijke koorzijde. De aansluitende lage aanbouw tegen de noordgevel van de kapel met aparte inkom voorziet in de verbinding met de westvleugel.

Het leien zadeldak van het schip bezit vier kleine dakkapellen en een houten dakruiter ter hoogte van de vierde travee. De opengewerkte achthoekige lantaarn met klokkenkamer is gereduceerd tot een korte spits met kruisbekroning.

De gevels van de kapel zijn geleed door slanke versneden steunberen en verlicht door ruime spitsboogvormige vensters benadrukt door een dito druiplijst. Eenvormig neogotisch maaswerk naar vroeggotisch model. Groter vensterlicht in oostelijke koorzijde.

De (publieks)toegang van de kapel in de eerste travee van de straatgevel bestaat uit een spitsboogvormige deur voorafgegaan door trap met vijf treden. De vleugeldeur met fraai uitgewerkt hang- en sluitwerk aan de buitenzijde is tevens beslagen met vele nagels. De deuropening is bovenaan afgeboord door een spitsboogvormige druiplijst die rust op een console waarin een wapenschild met de letters "SB" (Sint-Barbara) is uitgewerkt. Aan de westzijde, op de nok van het dak, staat een natuurstenen kruis.

De privékapel aan het koor valt op door het getralied spitsboogvormig venster met puntgevel en de schoorsteen in verzorgd metselwerk op het lessenaarsdak. De segmentboogvormige toegang aan de korte westzijde is voorafgegaan door een trap. De sacristie bezit aan de binnenplaatszijde per travee twee getraliede kloosterkozijnen. De constructie die van sacristie tot de westvleugel leidt vertoont per travee twee kleine vensters eindigend op een drielob in een spitsboog gevat in hardsteen en een deur tegenover de noordelijke kapelingang.

Het interieur bezit door de talrijk aanwezige oorspronkelijke elementen van decoratie, aankleding en uitrusting een kleurrijk eenheidskarakter karakteristiek voor de neogotische stijl. De afwerking van het kapelinterieur vond in de jaren na 1879 plaats. De interne toegangsdeur tot de kapel bevindt zich in de noordwand van het schip en staat via een hal in verbinding met de westelijke kloostergang. Kapelinterieur met bepleisterde wanden en een beschildering daterend van 1951. Resten van de oorspronkelijke polychromie in sierlijsten die nog enkele bogen markeren. De kapelwanden zijn geritmeerd door gebiljoende pilasters en spitsboogvormige muurnissen waarin de vensters gevat zijn; de eenvoudige beschildering accentueert de bogen en spaarvelden. Authentieke neogotische houten lambrisering tot op een hoogte van circa 1 meter in het schip. In de zuidwand van het koor bevindt zich een spitsboogvormige muurnis met maaswerk. Het doksaal van de kapel is alleen bereikbaar via een toegang op de eerste verdieping van de westvleugel van het klooster. In de westwand, boven het doksaal, zijn er twee spitsboogvormige muurnissen met rechts een smal venster en links een gelijkaardige deuropening.

Schip en koor overwelfd met een beschilderd, spits houten tongewelf met fijne kruisribben. Eveneens decoratief beschilderde dwarsbalken rustend op geschilderde natuurstenen consoles met een peerkraalmotief. Rondom de gewelfribben zijn florale motieven geschilderd en in elk gewelfvlak is er een figuratief medaillon en banderollen met Latijnse opschriften. De dwarsbalken bevatten als onderdeel van neogotische polychromie Latijnse teksten. Het doksaal in hout heeft geprofileerde kinderbalken met spreidsel. De houten doksaalleuning is eveneens in neogotische stijl uitgevoerd.

De oorspronkelijke tegelvloer van het schip bestaat uit vierkante tegels in rood, zwart en okergeel, die in verschillende geometrische patronen gelegd zijn. In het koor liggen rode vloertegels in een ruitvormig patroon, omgeven door rechthoekige zwarte tegels en centraal tegels met een gestileerd floraal motief.

In de vroegere privékapel aan de zuidzijde van het koor bevindt zich een neogotische schouw in blauwe hardsteen met een bepleisterde schouwboezem. Ruimte overdekt met een houten gewelf met een polychrome beschildering op de kruisribben. Gelijkaardige lambrisering als in het schip. De brede boog naar het koor bezit een meerdelige deur met glas-in-lood.

Glasramen. In het koor, groot glasraam aan de oostzijde, 1887, neogotisch, veelkleurige figuratieve en gestileerde motieven, 26 aanroepingen voorstellende uit de litanie van Onze-Lieve-Vrouw; twee kleinere glasramen aan de zuidzijde, met aanroeping van de Heilige Maria, Moeder Gods en van de Heilige Barbara, maagd en martelares. In het schip, veelkleurige neogotische glasramen met florale motieven en geometrische patronen, opschriften en bovenaan een medaillon met voorstelling van heilige, de namen van de heiligen refereren aan de leden van de families Cooppal, Teichmann, Belpaire die als stichters en weldoeners van het Sint-Barbaraweeshuis optraden, en van de bestuurders van het bedrijf Van Cromphaut, Libbrecht, en eveneens aan de Congregatie van de broeders van Onze-Lieve-Vrouw van Barmhartigheid en de stichter ervan Monseigneur Scheppers. Van oost naar west, twee glasramen per travee met telkens twee grote heiligenfiguren en een heilige in medaillon. Geplaatst als herinnering aan 100 jaar samenwerking van de familie Cooppal met Van Cromphaut en Libbrecht (1823-1923), en geschonken door het bedrijf Cooppal. Voorstelling van de Heilige Henricus, Heilige Mauritius, Heilige Carolus Borromeus (noordzijde) en Heilige Ludovicus, Heilige Martha, Heilige Zoë (zuidzijde); twee glasramen gedateerd 1904, ter herdenking van de 100ste verjaardag van het overlijden van Jan-Frans Cooppal; Heilige Constantijn in medaillon naar Constant Van Cromphaut (noordzijde) en Heilige Elisabeth (zuidzijde) in medaillon, aandenken aan Elisabeth Teichmann. In de twee volgende traveeën zijn moderne glasramen geplaatst van Olivier Ganton, twee glasramen ook bij de 100ste verjaardag van het overlijden van J.-F. Cooppal, geschonken door de broeders van Scheppers in 1905 met in het medaillon het schild van de congregatie (noordzijde) en in het ander glasraam (zuidzijde) dat van E.H. Scheppers, stichter van de congregatie in 1837. Twee moderne glasramen met voorstellingen van heiligen: aan de zuidzijde van Sint-Johannes de Doper, Sint-Petrus en Heilige Hubertus; aan de noordzijde van 1964 naar aanleiding van 125 jaar Congregatie met beschermheiligen van de congregatie Moeder van Barmhartigheid, Sint-Jozef en Sint-Vincentius a Paulo, gesigneerd Olivier Ganton. Twee neogotische glasramen op het doksaal: met Sint-Jan Evangelist (zuidzijde, gedateerd 1904); met Heilige Cecilia (noordzijde).

Mobilair. Beeldhouwwerk. Heilig Hart van Jezus en het Heilig Hart van Maria, gepolychromeerd, op een houten geprofileerde wandconsole tegen de koorwanden; plaasteren beeld van Onze-Lieve-Vrouw in het koor. Gepolychromeerd neogotisch altaar, gedateerd 1886, met een fraai bewerkt gebeeldhouwd retabel voorzien van taferelen uit het leven van de Heilige Barbara aan weerszij van een Calvarie en met heiligen; bewerkt koperen retabel met gekleurde stenen. Lage houten koorsluiting met maaswerk. Twee houten biechtstoelen met eenvoudige neogotisch getinte vormgeving van 1951. Triomfkruis opgehangen in de scheiboog van schip en koor; typisch neogotisch gepolychromeerd houten kruisbeeld met opschriften, attributen van de evangelisten en gedateerd 1885. Orgel op het oksaal in gebruik genomen in 1887. Volgens signatuur vervaardigd door Schyven en Co Brussel. Neogotische orgelkast met polychrome decoratie. Luiken voorheen met vier geschilderde engelen, bij herstel door Van Loo (Leuven) vervangen door beweegbare klankborden. Orgelmaker Pierre Schyven (1827-1916) was werkzaam in het atelier van "Merklin-Schülze & Cie" tot hij in 1873 het bedrijf overnam onder zijn naam. Neogotische kruisweg gesigneerd A. De Beule, Gand, 1892; ingewerkt in de zijwanden van de beuk met egaal geschilderde voorstellingen in reliëf, hersteld in 1951 door de firma Goossens (Gent). Vijf neogotische kroonluchters, in het koor een koperen met godslamp met monogrammen en opschriften.

De west- en noordvleugel van het Sint-Barbaragesticht. Beide vleugels tellen twee bouwlagen afgedekt met snijdende zadeldaken (rode en zwarte pannen) waarbij de nokhoogte een weinig lager is als van de kapel. Aan de binnenplaatszijde voorziet een kloostergang met bovenverdieping onder lessenaarsdak, in de circulatie voor de twee vleugels via laterale gangen. Lelieankers op de puntgevels. De regelmatige gevelritmiek met verticaliserend karakter domineert de ordonnantie van de gevels aan de straat- en tuinzijde. De gevelhoge slanke steunberen, de herhaling van dezelfde traveeën met per bouwlaag een zelfde spitsbogig venster ingeschreven in een dito spaarveld zijn bepalend voor het uitzicht. Een baksteenfries om de andere travee onderbroken voor een dakvenster, lijnt de lijstgevels af. Dakvensters met puntgevel op schouderstukken en spitsbogig spaarveld. In het boogveld zijn de dakvensters van een oculus als bijkomend zoldervenstertje voorzien.

De kop van de westvleugel, gevormd door de laatste twee traveeën naast de westkant van de kapel, wordt aan twee zijden gemarkeerd door een puntgevel. Dit volume bevat de hoofdtoegang van het aanvankelijke Sint-Barabaraweeshuis. De straatpuntgevel met rechts aansluitende smalle deurtravee, vertoont lancetvormige spaarvelden met oorspronkelijke smalle spitsboogvensters, op de benedenverdieping per twee gekoppeld in een spaarveld. Volgens een archieffoto bezat de westgevel vroeger ook dergelijke vensters gekoppelde per drie of twee, tenminste in de puntgevel van de twee rechter traveeën; daar werden die echter vermoedelijk in het eerste kwart nog van de 20ste eeuw vervangen door ruime spitsboogvensters waarvan het houtwerk met kleine roedeverdeling ook het eenvormige en pittoreske karakter van de westvleugel en noordvleugel mee bepaalt. De smalle deurtravee (in de kop van de laterale gang) met ronde oculus boven spitsboogdeur voorzien van fraai beslag en nagels, vormt de toegang aan de straatkant (vroeger voorzien van een houten luifel). De twee puntgevels die het voorste deel van het gesticht markeren zijn bekroond met ijzeren windwijzer; één windvaan met geajoueerde letters SB (Sint-Barbara). Het centraal lancetvormige spaarveld van de voorpuntgevel bevat een nis in een uitgewerkte neogotische arduinen omlijsting met beeld van de Heilige Barbara onder vierpas met letters SB. Daaronder een bronzen gedenkteken van 1922 ter gedachtenis van broeder Simon De Roy, eerste directeur van de "hovenierderij", gedenkplaat vervaardigd door Jan de Bo uit Gent, naar ontwerp van een oud-leerling, Michel Van Huffel.

Op de binnenplaats wordt de benedenverdieping met kloostergang gevormd door een brede spitsbogengalerij. De bogen zetten aan op hoge vierkante natuurstenen sokkel met gebiljoende hoeken. De bogen van de westvleugel zijn na 1900 gedicht en voorzien van telkens drie gekoppelde spitsboogvormige vensters met glas-in-loodramen. De gevels zijn wel geleed door lisenen maar de bouwlagen zijn door lijstwerk sterk als horizontale geledingen benadrukt. Op de verdieping zijn er per travee twee kleine spitsboogvormige vensters duidelijk gekoppeld in een verdiept rechthoekig spaarveld. De spitse dakkapelletjes zijn verdwenen. De behouden open galerij in de noordvleugel is overdekt met bakstenen kruisgewelven. De noordvleugel eindigt aan de kant van de binnenplaats op een puntgevel met kloosterkozijnen en enkele spitsboogvormige elementen: een ontlastingsboog en aanzet van schouw in de geveltop. De noordvleugel bezit op de bovenverdieping in de tuingevel, in de galerij en de oostelijke zijgevel vertoont de benedenverdieping brede korfboogvensters met roedeverdeling.

Interieur. Beide vleugels van de aanvankelijke instelling met weeshuis en lagere school vertonen naast hun oorspronkelijke structuur een aantal specifieke bouwkenmerken die neogotisch van stijl zijn en het gebouw ook inwendig als katholieke instelling herkenbaar maken. Dit komt het sterkst tot uiting in de kloostergangen waar geprononceerde kruisgewelven aanwezig zijn en een opeenvolging van spitsboogvormige doorgangen het beeld in de lengterichting bepalen. Ook in de trappenhuizen met stenen trappen zijn spitsbogen aanwezig en muurbogen met een peerkraalmotief. De deuren in de gang zijn spitsboogvormig en voorzien van glas-in-loodramen, sommige met verzorgd houtwerk met briefpanelen. Op één van de glasramen tussen de voordeur en de gang staat het opschrift: "Beati miseri cordes" De meeste vertrekken in de westvleugel werden aangepast tot klaslokalen. Op de benedenverdieping is er nog één vertrek met een kruisribgewelf en neogotische schouw met geprofileerde schouwwangen. In dit vertrek hangen twee schilderijen met de voorstelling van de stichters van de instelling. De vloer in de benedengang is bekleed met veelkleurige tegels met gestileerde florale motieven. In een voormalige slaapkamer op de verdieping is een neogotische schouw aanwezig en gedrukte kruisgewelven.

In de noordvleugel bezit de refter op de begane grond in de traditie van de kloosterrefters gedrukte kruisgewelven. Ook de gangen op de bovenverdieping van beide vleugels ademen een typische kloostersfeer: de ruimte bezit een keperboogvormig plafond en wordt in de lengterichting door opeenvolgende spitsboogvormige doorgangen geritmeerd. De vloer is bekleed met rode en gele vierkante tegels in een dambordpatroon. In de gang hangt een schilderij met voorstelling van Christus die drie jongelingen zegent en op de achtergrond het Sint-Barbaragesticht. Verder staan er polychrome beelden van het Heilig Hart van Jezus, de Heilige Barbara en een buste van Monseigneur Scheppers. In meerdere kleine vertrekken zijn in de eerste helft van de 20ste eeuw tegellambriseringen aangebracht met florale of geometrische motieven. De binnenplaats is als speelplaats geplaveid.

De neogotische noordvleugel van het vroegere Sint-Barbaragesticht en de haaks daarachter aansluitende vleugel met vroegere feestzaal (thans turnzaal), begrenzen twee zijden van een aangelegde tuin achter het gesticht. Deze schooltuin is merendeels omzoomd door borders met afwisselende lage en hogere heesters, groenblijvende en bladverliezende variëteiten. In het grote centrale grasperk komen enkele serpentinevijvers voor, bloemenperken, solitaire bomen (loofbomen, naaldbomen en coniferen).

Volgens oudere foto’s bevond zich hier minstens sinds het eerste kwart van de 20ste eeuw een aangelegde tuin. Binnen de huidige geëvolueerde tuin zijn aspecten van een vroegere aanleg, karakteristiek voor de interbellumperiode behouden gebleven.

De achterste helft van de dwarsvleugel bezit aan de westkant (tuinzijde) een grotendeels blinde gevel begroeid met diverse soorten klimplanten: klimop, wilde wingerd en blauwe regen. Tegen deze gevel werd een volière in betonbouw geconstrueerd, gezien de bouwmaterialen en -wijze te dateren in het tweede kwart van de 20ste eeuw. Het betreft een navolging van dergelijke oudere tuinfolies die met echte boomstammen en strodak werden opgetrokken. De grote vogelkooi met rechthoekige plattegrond en symmetrische opbouw bezit een dragende structuur en afdekking in cementrustiek. Lage onderbouw in imitatiebreuksteen en bedaking met imitatie-strobedekking. Het smalle centrale deel van de volière vormt een portiek overdekt met een steil en vooraan afgewolfd dak. Beide brede flankerende kooien zijn afgedekt met een lager en zacht hellend half schilddak; elk met een laag gebogen klimmend pseudo-dakvenstertje, typisch voor de interbellumarchitectuur. Kenmerkend voor deze tuinconstructie in cementrustiek is de uitvoering van de kooistijlen en bogen als imitatieboomstammen; de boog van de portiek heeft als verrassend detail een namaak siervogel.

  • Archief Scheppersinstituut Wetteren.
  • Vlaams Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Wonen en Onroerend Erfgoed, Agentschap Ruimtelijke Ordening Vlaanderen, Ruimtelijke Ordening Oost-Vlaanderen, Onroerend erfgoed, Archief.
  • Geschiedkundige nota’s bij het 200-jarig jubileum van de Koninklijke Buskruitfabriek Cooppal & Co Wetteren, 1778-1978, in Tijdschrift voor Heemkunde en Geschiedenis, Wetteren. Heem- en geschiedkundige kring Jan Broeckaert, XXV, 2/3, 1978.
  • Historische schets van de hoger en lager middelbare tuinbouwschool aan het Sint-Barbara-instituut te Wetteren ter gelegenheid van de 50-jarige erkenning door de Staat, 1901-1951, s.d.
  • Middelbare praktische tuinbouwschool Sinte-Barbara te Wetteren, herinneringsalbum 1883-1884 – 1933-1934, s.l., s.d.
  • Scheppers-Wetteren 100 jaar 1879-1979, Wetteren, 1979.
  • CASSIMAN P., Adolf Papeleu 1811-1858. Grondlegger van de Wetterse boomkwekerijen, Wetteren, 1997, 100.
  • DE MAEYER J., Arthur Verhaegen (1847-1917): de rode baron, KADOC-studies 18, Leuven, 1994.
  • DE MOL D., Wetterania 1882-1982, Wetteren, 1986.
  • DE POTTER F. & BROECKAERT J., Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen. Vierde reeks & arrondissement Dendermonde. 47ste deel. Wetteren, Gent, 1891, 214-215.
  • HERLANT J., De Fonderie Royale de canons en de Poudrerie Royale te Wetteren, twee sleutelbedrijven voor de uitrusting van de Belgische artillerie tussen 1830 en 1870: een archeo-technologische analyse, onuitgegeven licentiaatsverhandeling Katholieke Universiteit Leuven, 2002.
  • JOORIS G. & VAN DAMME F., Een tijdspiegel van de neogotiek: De Sint-Barbarakapel, Wetteren, 2004.
  • UYTTENDAELE R., Wetteren 1780-1900. Kroniek van een gemeente, Wetteren, 1980, 196, 200.
  • WOUTERS J., Cooppal, Papeleu en Beernaerts te Wetteren, in Geschied- en Oudheidkundige Kring Dendermonde, 3°reeks, deel IV, 1953, 87.

Bron: Bogaert C., Duchêne H., Lanclus K. & Verbeeck M. s.d.: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie Oost-Vlaanderen, Arrondissement Dendermonde, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 20N, (onuitgegeven werkdocumenten).

Auteurs: Duchêne, Helena & Verbeeck, Mieke

Datum tekst: 2003

Relaties

Geen afbeelding beschikbaar

maakt deel uit van Cooppallaan

Cooppallaan (Wetteren)

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.