erfgoedobject

Slotklooster van de Passionistinen Mater Dolorosa

bouwkundig element
ID
86547
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/86547

Juridische gevolgen

Beschrijving

Blekerijstraat nr. 22. Slotklooster van de Passionistinen, z.g. "Mater Dolorosa", neogotisch kloostercomplex ingewijd in 1905 als eerste Belgische Passionistinenklooster.

Historiek.
In 1904 biedt weduwe Rosalie Vandewalle vijf Franse Passionistinen uit Mamers, gevlucht naar Oudenaarde wegens antireligieuze agitatie in Frankrijk, onderdak in haar hoeve en schuur op de vroegere stadsblekerij ten zuiden van het station, gelegen op de voormalige Stoktheide.
In 1904-1905 wordt in een eerste bouwfase een rechthoekige, haaks op de straat ingeplante sobere hoofdvleugel in neogotische stijl opgetrokken. In 1908 voert men de strikte slotregel in en gebeurt de inhuldiging van het noviciaat. In 1912-1913 wordt het klooster gedeeltelijk ommuurd en in 1914-1919 wordt aan de westzijde, haaks op de oorspronkelijke vleugel, een volwaardige kapel - toegewijd aan de H. Sylvana - opgetrokken naar ontwerp van de Franse architect Sussenaire en uitgevoerd door aannemer Edward De Beil. Inwijding van de kapel door Mgr. Waffelaert op 1 juli 1920 waarna in 1921 de openstelling voor het publiek volgt.
In die periode worden tevens een kleine aanbouw aan de oostzijde en twee losstaande bijgebouwtjes ten noord- en zuidwesten van het domein opgetrokken.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt het slotklooster door de bezetter ingericht als gevangenis waarin meer dan driehonderd Italiaanse en Russische krijgsgevangenen verblijven. De zusters vinden dan een onderkomen in het Sint-Jozefscollege in de Kortrijkstraat.
Sinds 1935 beschikken de zusters over een eigen kerkhof binnen de ommuring van het slotklooster. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt de bezetter opnieuw ingekwartierd.
Door vele nieuwe intredingen wordt in 1953 een tweede vestiging in Heule (Kortrijk) opgericht.
In de tweede helft van de 20ste eeuw volgen nog enkele uitbreidings- en aanpassingswerken, o.m. een beperkte uitbreiding aan de zuidwesthoek van de kapel (1951), bouw van een achtzijdige uitbouw aan de zuidwestelijke hoek van de oorspronkelijke kloostervleugel en vervanging van de oostelijke aanbouw door een groter volume (1961).

Beschrijving.
Exterieur. Sober neogotisch gebouwencomplex gelegen aan het westelijke straatuiteinde, met grotendeels ommuurde en omhaagde tuin aan zuidwestzijde.
Aan de straat gelegen haakse kloostervleugel van 1905: baksteenbouw van twee bouwlagen onder zadeldak (nok loodrecht op straat; mechanische pannen) met puntgevel van drie traveeën aan de straat. Kleine witgeschilderde dakkapellen onder pannen zadeldakje; hoge schoorsteen aan oostzijde. Witgeschilderde muurankers. Aflijnende meerledige bakstenen fries in langsmuren. Natuurstenen onderdorpels. Spitsboogvensters o.m. gekoppeld in tweede bouwlaag van oostgevel; nieuw groot rechthoekig venster in derde travee. Witgeschilderd houtwerk met grote roedeverdeling en gedeeld bovenlicht. Rechts, inkom in gelede spitsboog op natuurstenen hoekblokken en dito trede; bekronend bakstenen gevelkruis.
Aan westzijde, loodrecht op de kloostervleugel, de in 1919 opgetrokken oost-west georiënteerde kapel, van de straat afgescheiden door bakstenen muurtje met segmentbogige poort en topkruis. Baksteenbouw onder leien zadeldak (nok evenwijdig met straat); klokkentorentje onder leien spits met deels opengewerkte galmgaten. Vlak afgedekte dakkapellen aan zuidzijde. Meerledige aflijnende bakstenen fries. In noordgevel, gekoppelde grote spitsboogramen gevat in dito nis; in uiterste westelijke travee kleinere, hoger gelegen spitsboogvensters.
Parallelle achterliggende lagere vleugel in gelijkaardige bouwtrant, achteruitspringend ten opzichte van de kapel. Naar verluidt bevindt zich in de tuin een kleine bakstenen kapel met rondboognis waarin beeld van "Moeder van Smarten" op bakstenen sokkel.
Aan oostzijde van de kloostervleugel, eenlagig bakstenen gebouw onder plat dak (1961). Kleine getoogde muuropeningen; segmentboogpoort onder gebogen luifel.
Hoge bakstenen tuinmuur aan noord-, west- en zuidzijde, met blinde muurvakken afgelijnd door meerledige bakstenen fries.

Interieur. Kleine inkomhal van waaruit toegang tot spreekkamers (links) en toegang tot kapel (rechts). Houten spitsboogdeurtje met gepolychromeerd boogveld waarop voorstelling van H. Hart met verguld opschrift : "JESU XPI/ PASSIO"; aan weerszijden kleine beglaasde houten rondboognissen met beelden van H. Hart (links) en H. Familie (rechts).
Eenbeukige neogotische kapel van vier traveeën met sobere binnenafwerking van bepleisterde en geschilderde wanden op hoge marmeren lambrisering, afgedekt door witgeschilderd bakstenen kruisgewelf, met per travee geprofileerde ribben op geschilderde consooltjes. Wanden voorzien van grote ondiepe spitsboognissen, blind aan zuidzijde, opengewerkt als vensterzone aan noordzijde. Kleine houten spitsboogdeurtjes aan oost- en westzijde. Grote rechthoekige opening in de zuidwand met achterliggend vertrek van waaruit de slotzusters de dienst kunnen bijwonen. Cementtegelvloer met decoratieve motieven.

Mobilair.
Witmarmeren altaar aan westzijde, geplaatst op trappenpodium van drie roodmarmeren treden.
In de zuidwand ingewerkte nis bekleed met neogotisch paneelwerk onder spitsboog met topkruis en vergulde inscriptie in boogveld: "CORPUS/ SACTAE/ SYLVANAE MARTYRIS". Schrijn met liggend gekleed wassen beeld met in de romp beenderen van de H. Sylvana, martelares uit de Romeinse catacomben, z.g. naar pater Generaal Sylvius die haar relicten van een Clarissenklooster in Italië heeft overgebracht.
Beeldhouwwerk, o.m. Piëta in grote spitsboogwandnis en houten beelden van O.-L.-Vrouw met Kind en H. Thomas aan weerszijden van het altaar.
Recente glasramen gesigneerd M. Nevens, o.m. met embleem van congregatie en lijdenssymboliek.
Schilderij met portret van de Zalige Broeder Isidoor De Loor, Passionist (1881-1916).
Kruisweg in kleine koperen reliëfplaten.
Tabernakel achter gegraveerde vergulde plaat met afbeelding van Christus (Eucharistie) waaronder inscriptie "QUI MARDUCAT MEAM/ CARMEN ET BIBIT ME/ UM SANGINEM ME/ MANET ET EGO IN EO".

KADASTERARCHIEF WEST-VLAANDEREN, 207 : Mutatieschetsen, Tielt, Afdeling 3, 1906/25, 1920/37, 1951/76, 1961/95, 1974/54.
DE GRYSE P., Tielt graag gezien, Aarsele-Kanegem-Schuiferskapelle-Tielt, Tielt, 2003, nr. 141.
DE NEVE G.; TYTECA L., Pastoor Rooryck jubileert, Tielt, 1976, p. 14.
Gids voor Groot-Tielt 1987, Tielt, 1987, p. 54.
Landbouwleerpad Tielt, brochure, Tielt, s.d., p. 39.
OSTYN R., Historische stedenatlas van België, Tielt, Brussel, 1993, p. 113.
VERBRUGGE J., Kerken, kapellen, veldkapellen en devotiekruisen in Tielt, Tielt, s.d.


Bron     : Callaert G. & Santy P. met medewerking van Boone B., Devooght K. & Moeykens S. 2007: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Tielt, Deel I: Stad Tielt (straten A-R), Deel II: Stad Tielt (straten S-Z), Deelgemeenten Aarsele, Kanegem en Schuiferskapelle, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL29, (onuitgegeven werkdocumenten).
Auteurs :  Callaert, Gonda, Santy, Pieter
Datum  : 2007


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Slotklooster van de Passionistinen Mater Dolorosa [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/86547 (Geraadpleegd op 23-06-2021)