erfgoedobject

Hoeve Groot Goed ter Vlaagt

bouwkundig element
ID: 90403   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/90403

Juridische gevolgen

Beschrijving

Het "Groot Goed ter Vlaagt", historische hoeve, opklimmend tot de 13de eeuw. Voormalige hoofdcommanderij van de tempeliers en tussen 1312 en 1795 bezit van de hospitaalridders van Malta. Foncier van de heerlijkheid "Ter Vlaagt". Vermoedelijk was dit een z.g. mottehof oorspronkelijk met dubbele omwalling en indertijd de grootste hoeve van Ruiselede met uitgestrekte landerijen. Buiten de omwalling ligt langs een zuidelijke toegangsweg de "Vlaagt"- of "Tempelierskapel". De "Vlaagtbeek", "Vlaagtmolen" (cf. Oude Tieltstraat z.nr.) en "Vlaagtwijk" zijn naar de heerlijkheid genoemd. Ook nog "Maezens hof" naar de familie Maes die de hoeve tot 1993 bewoont.

Historiek.
Na de stichting van de tempeliersorde, in het begin van de 12de eeuw, vestigen de tempeliers zich vanaf ca. 1130 ook in Vlaanderen.
Vermoedelijk gaat deze heerlijkheid terug tot een schenking van Zeger, kastelein van Gent, die in 1200 toetreedt tot de tempeliers en zijn allodium van "Viggezele" op het aangrenzende grondgebied Kanegem (cf. Tielt) aan de orde schenkt. Viggezele wordt later vermeld als leen van de heerlijkheid Ter Vlaagt, waaruit men afleidt dat deze reeds bestaat op het ogenblik van Zegers schenking. Volgens kanunnik Tanghe (1861) zou de orde al in de 12de eeuw meerdere bezittingen hebben in Ruiselede.
In de generale kapittels van de tempeliers is er sprake van Ter Vlaagt als hoofdcommanderij in 1205 en 1257.
Het bestaan van een afdeling van de tempeliers in Ruiselede wordt bevestigd door de in 1266 geleverde bijdrage aan de zevende kruistocht naar Tunis.
De heerlijkheid bezit vooral gronden in Ruiselede maar daarnaast o.a. ook in Kanegem, Schuiferskapelle, Dentergem en Melle. Het foncier beschikt over een hoog- en onderbaljuw en een volle schepenbank die zowel hoge als lage rechtspraak doet. De vroegste vermelding van rechtspraak dateert volgens De Flou van 1368.
Uit een oorkonde van 1281 blijken de tempeliers al over meerdere lenen te beschikken in Ruiselede.
Na de opheffing van de tempeliersorde door de Franse koning in 1312 worden goederen en gronden overgedragen aan de hospitaalridders van de orde van Sint-Jan. Deze orde die zich in het Heilig Land ontfermt over pelgrims, armen en zieken is ontstaan rond 1080, vóór de stichting van de tempeliersorde. Ook het huis in Ruiselede komt in handen van de hospitaalridders.
Een inventaris van de heerlijkheid uit 1370 registreert 50 bunders (= ca. 50 hectare) landbouwgrond, weiden en bossen. Een volgende inventaris uit 1373 vermeldt het domein als "Seigneurie de Wlacht" met twee hoeves "Grand Wlacht " met een mooi woonhuis en kapel en "Petit Wlacht" (= "Klein Goed ter Vlaagt", Smisseweg nr. 12), en land, weiden, bossen en vijvers.
In 1374 valt de heerlijkheid onder het bestuur van Willem van Munte, die daarnaast ook het beheer krijgt van de huizen in Slijpe, Brugge, Elverdinge, Kaaster en Veurne.
In een document van 1434 is er voor het eerst sprake van een molen op "Ter Vlaeght" (cf. Oude Tieltstraat z.nr.).
Uit een Tieltse stadsrekening van 1436 blijkt dat het foncier door een commandeur wordt bewoond. In de loop van de 15de eeuw volgen meerdere bestuurders van het ordehuis elkaar op. Jan Berthout, bestuurder vanaf 1456, krijgt de opdracht de door de oorlog verwoeste gebouwen te herbouwen. Bij een opsplitsing van de bezittingen van de hospitaalridders onder twee commanderijen (te Slijpe en te Kaaster) wordt Ter Vlaagt ingedeeld bij Kaaster. Het bestaan van een kapel wordt in voornoemde inventaris van 1373 al vermeld. De kapel langs de zuidelijke toegangsweg zou pas in de 15de eeuw zijn opgericht.
In 1571 beslaat het goed ca. 42,5 ha en is daarmee het vijfde grootste landbouwbedrijf op Ruiselede.
Volgens een document van 1588 worden in de kapel, met kapelanij, wekelijks drie missen opgedragen.
In de 17de eeuw is de heerlijkheid met 150 tot 200 ha grond, te situeren in de zuid- en zuidwesthoek van Ruiselede, de grootste van de gemeente. In een landboek van 1625 staat het "Klein Goed ter Vlaagt", beschreven als "een behuusde hofstede landt ende meersch gheleghen onder maelstapel, ghenaempt t Cleen goeijken ter Vlaecht", geregistreerd als bezit van de hospitaalridders.
In een visitatieverslag van 1623 beschrijft de deken van Tielt de ruïneuze toestand van de kapel. In 1652 ligt deze er nog altijd vervallen bij en kunnen de misvieringen niet doorgaan. Op het einde van de 17de eeuw wordt de vervallen kapel terug opgebouwd, mogelijk in 1682. De heropbouw wordt in elk geval bevestigd door een bisschoppelijk visitatieverslag van 1695.
In 1629 is er sprake van een omwalde hofstede met dreven en in 1662 van "een behuisde en bewalde hofstede" en het "Capelle Sticxken". Een leen- en renteboek uit 1672 beschrijft bezittingen en inkomsten o.a. in en uit Deerlijk, Desselgem, Kanegem, Landegem, Mannekesvere, Melle, Tielt, Wielsbeke, Wortegem.
De heerlijkheid met eigen rechtspraak beschikt (zeker in 1661) over een schandpaal met bovenaan de afbeelding van de wapens van de hospitaalridders. Dit valt ook op te maken uit een visitatieverslag, opgemaakt door orderidders van de commanderij uit Kaaster in 1688. In hetzelfde verslag wordt ook de schepenbank beschreven, geplaatst in de omgeving van de kapel en in de buurt van een klein bosje.
Op figuratief plan van ca. 1770 van de hoeve staat de schandpaal ten zuiden van de kapel langs de toegangsdreef getekend. Op de Ferrariskaart (1770-1778) met dezelfde afbeelding maar zonder schandpaal.
Griffier Joannes De Roo (1711-1786), die in de dorpskern het herenhuis in de A. Rodenbachstraat (cf. nr. 2) bewoont, behartigt tussen 1760 en 1785 alle administratie voor de heerlijkheid.
In de loop van de 17de en de 18de eeuw worden bijna geen missen meer in de kapel opgedragen. Ondertussen wordt in 1745 de klok van de kapel gebruikt om de gebarsten klok van de kerk in Ruiselede te vervangen. Er gaat dan in de kapel nog één mis per week door. In 1769 geeft Eugène Camille, prins van Rohan, opdracht een nieuwe klok te gieten.
Op het figuratief plan van ca. 1770 staat de hoeve aangeduid met opper- en neerhof binnen een dubbele omwalling met toegangswegen aan noord- en zuidzijde. De zuidelijke toegangsdreef was, in tegenstelling tot nu, de hoofdingang, de erfafsluiting lijkt een poortgebouwtje te zijn. Rechts van de dreef staan schandpaal en kapel. De secundaire noordelijke toegang (nu hoofdingang) heeft als erfafsluiting een eenvoudig hek. Boerenhuis en landgebouwen hebben ongeveer dezelfde configuratie cf. huidig met woonhuis ten noorden, schuur ten oosten en stallingen ten zuiden van het erf. Het opperhof binnen de kleine omwalling is toegankelijk aan de zuidkant, ten oosten van het woonhuis ligt een moestuin en achter het huis een boomgaard. Binnen de tweede omwalling liggen schuur en stallingen, in de noordoosthoek een boomgaard en ten westen van het erf een poel en duiventoren.
Op een lijst van goederen, opgemaakt in 1777 voor de Oostenrijkse overheid, staat "Ter Vlaeght" beschreven als "eene behuysde en beschuerde hofstede met de landen, bosschen, meersschen daermede gaende, groot omtrent de 33 bunders bestaen met een capelle, waarin wekelyx wordt een misse gecelebreerd".
Op de Ferrariskaart afgebeeld met dezelfde opstelling.
Ter gelegenheid van de benoeming in 1780 van de prins van Rohan tot commandeur van Kaaster laat hij in het woonhuis de schouw van de voorkamer verfraaien met een Maltezer kruis en kroon en jaartal "1780".
De Franse bezetter schaft in 1792 alle privileges van de orde af en neemt de goederen in beslag. Ter Vlaagt wordt in 1795 aangeslagen en als zwart goed verkocht in 1796. In 1805 is de Gentse koopman Pieter Standaert eigenaar van zowel het "Groot Goed ter Vlaeght" (dan met 47 ha) als het "Klein Goed ter Vlaagt".
Op het primitief kadasterplan (ca. 1830) staat Jacobus Vancaeneghem, Gents textielfabrikant, bij het kadaster geregistreerd als eigenaar, Pieter Demuynck is pachter. De hoeve wordt aangeduid als "'t Goed ter vlaght hofstede". De opstelling van de gebouwen is ongewijzigd, de buitenste omwalling, gevoed door de Kapellebeek-Vlaagtbeek, en met beide erfingangen is nog bewaard. De toegangsdreef staat niet aangeduid, van de kleine omwalling is het westelijk deel van de zuidgracht gedempt.
De zuidelijke toegangsweg is in de Atlas der Buurtwegen (1842) opgenomen als "Sentier du Cabaret de Klaphulle à Thielt passant par le Cabaret de Groene Spriet et par le ferme dite 't Goed ter Vlaegt" of "Vlaegt Voetweg" en leidt naar de Abeelstraat, de noordelijke toegangsweg blijkt te zijn gesupprimeerd.
Wellicht wordt het woonhuis in 1859, cf. jaarsteen in de dakkapel, ingrijpend verbouwd of aangepast. Volgens kadaster wordt ten oosten van het huis in 1876 een landgebouw opgetrokken en een ander, ten zuiden van de duiventoren, afgebroken. De eigenaar is dan de familie de Kerckhove de Naeyer. De kapel wordt in 1879 door het kadaster geregistreerd. Volgens kadastergegevens zou de duiventoren in 1887 worden afgebroken hoewel deze nog te zien is op een foto van ca. 1930, de toren verdwijnt zeker vóór 1935. Op de kaart van 1898-1899 van het Militair Cartografisch Instituut staat opnieuw een noordelijke ingangsweg getekend. Ca. 1921 wordt het noordelijke deel van de schuur heropgebouwd als vlasfabriek en maalderij met motor. Eigenaar is dan de familie de Kerckhove d'Exaerde. De kleine omwalling blijkt nu volledig gedempt. Het klokkentorentje van de kapel wordt in 1945 op het dak van het woonhuis gezet. In 1949 worden ten westen van de omwalling twee landgebouwen opgetrokken, van de vlasfabriek is geen sprake meer. Op het eind van de jaren 1950 is het huis volledig gerestaureerd. In 1994 verkoopt de familie Rotsaert de Hertaing-de Kerckhove d'Ousselghem de hoeve aan de huidige eigenaars. Deze laten de woning en landgebouwen restaureren. De oorspronkelijk witbeschilderde voorgevel en linkerzijgevel krijgen een nieuw parement.
Het bedrijf wordt tegenwoordig als hertenkwekerij uitgebaat.

Beschrijving.
De achterin gelegen site is toegankelijk via een lange, onverharde oprit uitgevend aan de noordkant van het erf. De hoevegebouwen liggen rond het begraasde erf. Aan de westkant is nog een fragment van de omwalling bewaard, ernaast een treurwilg. Het hoger gelegen woonhuis, op het vroegere opperhof, ligt ten noorden van het erf. Ten oosten van het woonhuis de stalling van 1876. Stalling ten zuiden en schuurstal ten oosten. Aanplant van jonge fruitbomen deels teruggaand op de oorspronkelijke boomgaard. Net buiten het domein staat de kapel ten zuiden van een rechte, recent aangelegde landweg (staat nog niet op een luchtfoto van 1990) die met een bocht van 90° aansluiting vindt met de Waterwalstraat. Een restant van de oude "Vlaegt Voetweg" loopt langs de zuidkant van het erf.

Woonhuis met 18de-eeuwse, eventueel oudere kern, verbouwd in 1859, gerenoveerd eind jaren 1950 en in 1994. Laag dubbelhuis van zeven traveeën onder een zadeldak (mechanische pannen) met geknikte, brede dakrand (is niet oorspronkelijk). Verankerde, rode baksteen, enkel de achtergevel heeft nog het parement van 1857 bewaard. Voor- en linkerzijgevel met nieuw parement. Achter- en rechterzijgevel boven een gepekte plint. Licht getoogde muuropeningen met strek onder fijne waterlijst. Opkamertravee in de achtergevel. Zowel de voor- als achterdeur zijn toegankelijk via een arduinen buitentrap. De voordeur heeft een (recente) geblokte omlijsting met witstenen hoekblokken. Dakkapel boven de deur met rondboogvenster en jaartal "1859". Beluikte vensters met onderdorpels in Doornikse kalksteen. In de top van de linkerzijgevel hangen twee loden bas-reliëfs met hoofdjes van Christus en Maria, ontdekt tijdens de laatste restauratie. Het dakruitertje is verdwenen.

Interieur. Links van de gang een salon met gestucte schouwboezem versierd in Lodewijk XVI-stijl. Gebruik van strikmotief en guirlandes, centraal uitgewerkt als medaillon waarin de afbeelding van een Maltezer kruis en kroon. Kroonlijst met door twee pijlen doorboord hart geflankeerd door jaartal "17" "80". Kamer rechts van de gang met bewaarde moer- en kinderbalken en 18de-eeuwse balksleutel waarvan de spijkers zijn versierd met smeedijzeren bloemmotief. Monumentale schouw met haardwand in gesinterde baksteen en brede, houten schouwbalk steunend op nieuw gemetselde, bakstenen schouwwangen.
In het huis wordt de kapelklok, gegoten in 1769, bewaard. Het opschrift "EX MANDATO ILLUST. PRINC. CAMILLE DE ROHAN. SUB CURA D. DRION AG. GEN.: IN BELG. 1769" verwijst naar ridder Camille, prins de Rohan die in 1780 commandeur van de hospitaalridders werd.

Landgebouwen met 19de-eeuws uitzicht.
De monumentale stalling had vroeger een wagenhuis in het rechterdeel. Heden sterk verbouwd en gerenoveerd. Verankerde, rode baksteen onder zadeldak (mechanische pannen). Nog enkele bewaarde staldeuren en hooizolderopeningen onder de dakrand.
Voormalige dwarsschuur in rode baksteen onder zadeldak (mechanische pannen), eveneens gerenoveerd en met muuropeningen grondig gewijzigd in functie van de hertenkwekerij.
Stalling van 1876 ten noorden van het erf. Rode, verankerde baksteenbouw boven gepekte plint en onder zadeldak (Vlaamse pannen). Gewijzigde en dichtgemetselde muuropeningen.

KADASTERARCHIEF WEST-VLAANDEREN, 207: Mutatieschetsen, Ruiselede, 1876/26, 1879/96, 1887/99, 1921/3, 1949/35.
RIJKSARCHIEF BERGEN, Cartes et Plans, nr. 1305.
Militaire stafkaart, 1898-1899.
BRAET A., Ruiselede in moeilijke tijden (1550-1600). Sociaal-economische schets, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 18, nr. 3, 2001, p. 120.
BRAET M., Tempeliershoeve ter Vlaegt en de Orde van Malta te Ruiselede, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 21, nr. 4, 2004, p. 147-170.
BRAET M., Rusleda 900 jaar. Een kroniek 1106-2006, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 23, nr. 4, 2006, p. 195.
BRAET M., Zwart Goed en hun kopers te Ruiselede, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 16, nr. 3, 1999, p. 135-137.
COPPENS W., DEPREDOMME J., Een vlucht naar het verleden…, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 8, nr. 3, 1991, p. 113-115, p. 116-117.
DEGUFFROY G., Foto-reportage: 70 jaar familie Maes op Groot Vlaagt, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 16, nr. 2, 1999, p. 62-64, p. 74.
DEGUFFROY G., Ruiseleedse kapellen en kruisen, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 12, nr. 3, 1995, p. 94-96.
DEGUFFROY G., DEPREDOMME J., Ruiseleedse plaatsnamen, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 10, nr. 4, 1993, p. 190-191.
HOMBLE A.G., De Heerlijkheid De Vlaagt, in Oostvlaamse Zanten, jg. 44, nr. 1, 1969, p. 16-20.
NUYTTEN R., Bisschop Triest bezoekt Ruiselede (2), in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 4, nr. 4, 1987, p. 151-159.
TANGHE G.F., Parochieboek of beschryving van Ruiselede, Brugge, 1861, p. 23.
VERHOUSTRAETE A., Feodaal overzicht van Ruiselede, Maldegem, overdruk uit Appeltjes van het Meetjesland, jg. 16, 1965, p. 82-131.


Bron     : Van Vlaenderen P. & Vranckx M. 2008: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Ruiselede, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL39, (onuitgegeven werkdocumenten).
Auteurs :  Van Vlaenderen, Patricia, Vranckx, Martien


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2019: Hoeve Groot Goed ter Vlaagt [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/90403 (Geraadpleegd op 12-12-2019)