erfgoedobject

Klooster van de zusters Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën

bouwkundig element
ID: 90482   URI: https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/90482

Juridische gevolgen

Beschrijving

Klooster van de zusters Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën. Geheel van meerdere gebouwen gegroepeerd rond enkele binnenplaatsen en aansluitend met de schoolgebouwen en het R.V.T. die in oorsprong bij het klooster hoorden.

Historiek

In 1688 stichting van een kleine gemeenschap "de Verghaederinghe van Gheestelycke Dochters" onder impuls van de onderpastoor Ignatius De Plancke (° 1659) en Elisabeth Van Hulle (°1654), de overste van 1688 tot 1694. Hun regel schrijft voor een "volmaeckt christelijk leven ter eeren van het allerbitterste lijden onzes Heeren Jesu Christii ende droefheden van de allerheyligste Maghet ende Moeder Godts Maria" te lijden. Ze willen zich ten dienste stellen van de arme bevolking van wie het levensonderhoud voor een belangrijk deel afhangt van het spinnen. De levenswijze van deze "spinnersen" spitst zich onder het motto "ora et labora" toe op bidden en spinnen. Elisabeth Van Hulle, haar vader en broer waren burgemeester in Ruiselede, had als eerste de leiding over het zogenaamde "Spinhuis".

De beweging groeit en legt zich gaandeweg toe op onderwijs, zieken- en bejaardenzorg. Ten behoeve van de burgerij wordt circa 1728 bij het klooster een kostschool opgericht. In 1730 is er sprake van 20 kloosterlingen. In 1738 heeft het pensionaat reeds grote bekendheid en rekruteert uit dorpen en steden (zelfs Gent) in de wijde omgeving van Ruiselede. Daarnaast bieden de zusters ook onderwijs aan arme kinderen. Het eerste klooster aan de Bruggestraat wordt onder het beheer van Franciska Daneels (tussen 1774 en 1788) uitgebreid met een refter, ziekenhuis, school en schuur. De bijhorende landerijen worden ommuurd.

Tijdens de Franse overheersing moeten de zusters in 1799 hun klooster verlaten. Uit dat jaar bestaat een kaart met afbeelding van de gebouwen. De zusters blijven echter actief dienst verlenen aan de bevolking. De gebouwen komen nu in handen van het Fransgezinde gemeentebestuur dat er een lagere school en de gemeentediensten in huisvest. Op 20 november 1799 worden de gebouwen publiek verkocht aan de gebroeders De Roo. Deze koop wordt door uitblijven van betaling in 1803 nietig verklaard. Zo kan overste Catharina 't Kindt op 20 oktober 1803 het Spinhuis terugkopen en de kostschool weer opstarten. In 1807 zijn er dertig en in 1811 al tachtig kostschoolgangers.

Bisschop Franciscus Boussen keurt op 22 augustus 1835 de regel van de zusters van Ruiselede goed. Op 16 mei 1836 wordt de congregatie van de zusters Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën officieel erkend. Onmiddellijk wordt overgegaan tot het bouwen van een grote kapel. Deze wordt ingewijd op 8 oktober 1839. Sinds 1842 is pastoor Carolus Doom de geestelijke leider van de zusters. Onder zijn impuls wordt in 1844 een nieuwe regel opgesteld waardoor de congregatie in 1846 als echte kloostergemeenschap wordt erkend. Halverwege de 19de eeuw (circa 1842) wordt het complex verbouwd onder invloed van van Carolus Doom. Het ontwerp is van Dominicus Vercruysse uit Kortijk. De gebouwen worden tussen 1842 en 1848 aanzienlijk uitgebreid met een nieuw kloostergebouw, kapel, een vernieuwde kostschool, een ouderlingentehuis, een weeshuis en een kantschool. Pastoor Doom wordt op het kadaster in 1847 als eigenaar vermeld.

In 1853 wordt het kloostergedeelte verkleind en in de vleugel aan de Bruggestraat een werkschool ingericht. Het schoolgedeelte komt achteraan en een "oudmannenhuis" wordt ingericht in de rechtervleugel. De kapel blijft behouden. In 1865 worden alle onderdelen samengevoegd tot één geheel. Het kadaster vermeldt in 1887 de "Gemeenschap de Damen der Zeven Weeën" als eigenaar van het complex dat nu onder noemer klooster wordt gebracht. In 1888 wordt een bestaand gebouw aan de Pensionaatstraat bij de kloostergebouwen gevoegd. In 1891 en 1906 gebeuren enkele kleine uitbreidingen en wijzigingen.

Het gebouw aan de Pensionaatstraat wordt in 1907 vergroot en parallel eraan een nieuw, kleiner gebouw opgericht. In 1914 wordt aan het hoofdgebouw een vleugel toegevoegd aansluitend op de Pensionaatstraat (voor het pensionaat, ontwerp van de Gentse Sint-Lucasarchitect Stéphane Mortier), het kleinere gebouw aan de Pensionaatstraat wordt vergroot. Schade tijdens de Eerste Wereldoorlog. In 1926 volgt een aanzienlijke uitbreiding, vergroten van de kapel en uitbreiding links en rechts van de straatgevel. In 1938 bouwen van een nieuwe lagere meisjesschool langs de Pensionaatstraat (zie nummer 23 aldaar). In 1945 worden beide straatvleugels achteraan uitgebreid.

In 1954 toetreden van de congregatie zusters Heilige Vincentius Avelgem met vijfentwintig kloosterlingen en drie huizen. In 1964 fusie met de apostolinnen en zusters Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart (negen huizen). In 1970 wordt aan de Bruggestraat een vleugel van 1926 afgebroken en in de Pensionaatstraat wordt een vleugel bijgebouwd voor de school, ontworpen door architect Joseph Dewulf (Ruiselede). In 1998 wordt de nieuwe vleugel aan de Bruggestraat gerealiseerd.

Beschrijving

Vleugel aan de Bruggestraat van 1998 met hergebruik van de vroegere omlijsting van de rondbogige toegangspoort. Deze dateert naar alle waarschijnlijkheid van 1926 wanneer de straatgevel aanzienlijk werd uitgebreid. Kalkzandstenen omlijsting met florale motieven in de boogzwikken. Erboven een gevelsteen met opschrift "1688 O.L.VROUW VAN VII WEEEN 1998". Boven de poort een rondboognis met beeld van Madonna van Smarten, gezeten op een rots, arduinen console. Vanuit de straatvleugel biedt een centrale gang aan de noordwestzijde toegang tot de kapel en aan zuidoostzijde een binnenkoer met vleugels respectievelijk uit de 19de-eeuwse bouwfase en uit 1926.

Kapel. Uitzicht van 1926. Rode baksteenbouw (sierankers) in neogotische stijl met koor gericht naar het noordwesten. Gebruik van arduin voor de plint, omlopende spitsboogomlijsting van de vensters, afzaten en kordons. Kalkzandsteen voor de vensterindeling en het maaswerk. Leien zadeldaken met dakruiter onder ingesnoerde naaldspits. Licht uitstekend transept met blinde benedenbouw en in de topgevel een spitsboognis met roosvenster, lager koorgedeelte met driezijdige apsis. De traveeën van schip en koor, met telkens een spitsboogvenster, zijn afgescheiden door verjongende steunberen, bakstenen tandlijst onder de dakrand. Tweelichten met driepassen in het maaswerk. Houten dakkapelletjes met windveren met driepasboog. Ten noorden van de kerk een kleine kloostertuin met beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Smarten op een arduinen sokkel.

Interieur: De kapel heeft een schip met vijf traveeën, transept en één koortravee. Bepleisterde en witbeschilderde muren onder kruisribgewelven met metalen trekbalken. De gewelven steunen op slanke halfzuiltjes op geprofileerde sokkel en met knopkapiteeltjes. Gelijkaardige zuiltjes steunen het doksaal. De zuiltjes zijn rozebeschilderd en versierd met goudkleurige banden met bloemmotief. Gewelfsleutels onder meer met afbeelding van het Heilig Lam en bloemen, groene en goudkleurige beschildering. Inkomtravee met doksaal en orgel. Spitsboogvormige, dubbele vleugeldeur met verzorgd schrijn- en hang- en sluitwerk. Briefpanelen onderaan, bovenaan met glas in lood. Doksaal met houten neogotische balustrade, centraal een vierpas met Christusmonogram. De onderste balk is over de hele breedte versierd met Latijnse teksten in goudkleur geschilderd. Orgel met neogotische orgelkast. Zwartwitte, marmeren vloer gelegd in geometrische motieven. Alle vensters hebben fraaie gebrandschilderde glas-in-loodramen. In het transept muurschilderingen met rechts voorstelling van Christus als Salvator Mundi en links de Kruisafneming.

Meubilair: Rijk versierd altaar in het koor met neogotisch retabel. Marmeren altaartafel in Rouge Royal gedragen door zuiltjes. Retabel met houtsnijwerk met voorstelling van de geboorte en verrijzenis van Christus en bekroond door een Calvarie. Panelen links en rechts met schilderijen met afbeelding van het verhaal van het brandende braambos. Onder het doksaal twee houten, rijk gesculpteerde neogotische biechtstoelen. Houten, neogotische zitbanken. In het transept rechts staat een beeld van Maria met Kind van circa 1700.

Kloostergebouwen. Binnenplaats ten zuiden van de kapel met aan noordwestzijde twee 19de-eeuwse en aan zuidoostzijde twee vleugels van circa 1926. 19de-eeuwse vleugels van twee bouwlagen in witbeschilderde, verankerde baksteen onder zadeldaken (Vlaamse, zwarte pannen). Enkele oorspronkelijke vensters zijn bewaard, de meeste vensters zijn recent vervangen. Houten dakvenster onder zadeldakje en met fronton steunend op houten consoles. Vleugels van 1926 van twee bouwlagen onder zadeldak (zwarte, mechanische pannen). Gevels in oranje baksteen gecombineerd met witte baksteen voor de doorlopende banden en sluitstenen van de ontlastingsbogen. Historiserende stijl met gebruik van korfboogvormige traveenissen. Rechthoekige vensters, tweelichten op de verdieping, onder I-balken met roosjes. Kroonlijst op klossen.

Op het binnenplein staat een vierkant gebouwtje van 1906. Nutsgebouwtje waaronder het afvoersysteem is ondergebracht. Opgetrokken in witte baksteen boven een arduinen plint en verlevendigd met banden in groengeglazuurde baksteen. Leien schilddak bekroond met kegelvormige pinakel met bol. Rondboogdeur en -vensters en smalle openingen onder de uitstekende dakrand steunend op houten klossen.

Interieur: Centrale gang met aankleding van circa 1926 in het tweede deel bewaard, het eerste deel is wellicht samen met de straatvleugel van 1998 gerealiseerd. De muren van dit oudste deel zijn onderaan bekleed met Rouge Royal afgeboord met een zwarte band en erboven lichtkleurige marmerimitatie. Vensters met glas in lood en medaillons in brandglas met afbeelding van de verschillende hiërarchische orden van engelen en de zogenaamd "REGINA ANGELORUM". In het nieuwe ganggedeelte zijn de gerecupereerde vensters van de afgebroken ramen opgehangen. Voorts zijn van de vroegere bouwfases nog een aantal elementen bewaard. Enkele houten bordestrappen met trappaal en leuning met balusters. Paneeldeuren in pitch pine onder meer met geëtst glas en spitsboogvormige bovenlichten. Vloeren met cementtegels en enkele eenvoudige schouwen. In het zuidgedeelte van het klooster bevindt zich de zogenaamde tentoonstellingsruimte samen met de aansluitende gang en leraarskamer van de school (zie Pensionaatstraat nummer 10) circa 1970 door architect Joseph Dewulf ontworpen. Het betreft hier een voormalige binnenkoer, die overdekt geworden is. Sobere, rechthoekige ruimte verlicht door typerende lichtkoepels en met houten deuren en ingebouwde kasten.

Bij het klooster hoort een bijgebouw van de vroegere boerderij van het pensionaat, palend aan de Pensionaatstraat. Vrijstaand, laag, bakstenen (sierankers) gebouw boven een arduinen plint dwars op de straat georiënteerd. Gebruik van witte baksteen voor de doorlopende banden en bij de strekken en ontlastingsbogen. Eindgevel met traptop, twee gekoppelde segmentboogdeuren en erboven eeen rondboogvenster met grote roedeverdeling. Zijgevel met alternerend twee korfboogpoorten en segementboogdeuren. Blinde straatgevel. Ervoor een lovergang in haagbeuk met aan de ingang op een hoge sokkel een beeld van Maria van Smarten en rechts een grasveld. Achter de lovergang, tegen de straatmuur staat een vierkant nutsgebouwtje onder leien tentdakje, wellicht daterend uit het interbellum.

  • KADASTERARCHIEF WEST-VLAANDEREN, 207: Mutatieschetsen, Ruiselede, 1847/8, 1853/31, 1865/97, 1887/84, 1888/14, 1891/46, 1906/20, 1907/61, 1914/21, 1926/120, 1945/52, 1970/44.
  • RIJKSARCHIEF BRUGGE, Frans Fonds, nr. 2923.
  • BRAET M., Boerenkrijg te Ruiselede 1797-1799, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 16, nr. 2, 1999, p. 60.
  • BRAET M., Drie x pastoor Doom te Ruiselede in de 19de eeuw, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 22, 2006, nr. 2, p. 119-124.
  • BRAET M., Oostenrijksgezinden verstoren de orde te Ruiselede in 1791, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 19, nr. 3, 2002, p. 134.
  • BRAET M., Rusleda 900 jaar. Een kroniek 1106-2006, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 23, nr. 4, 2006, p. 185, p. 187, p. 200, p. 222.
  • BRAET M., "Zwart Goed" en hun kopers te Ruiselede, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 16, nr. 3, 1999, p. 134-135.
  • DEGUFFROY G., Ruiseleedse kapellen en kruisen, in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 12, nr. 3, 1995, p. 133, 136.
  • DE RAM P., Ruiselede graag gezien. De oudste prentkaarten, 2004, Koksijde, p. 62.
  • HOLLEVOET F., Het Spinhuys zonder spinsters (1799-1803), in Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede, jg. 5, nr. 3, 1988, p. 102-108.
  • Zusters Onze-Lieve-Vrouw van 7 weeën Ruiselede, Beernem, 1988, p. 10-16.

Bron     : Van Vlaenderen P. & Vranckx M. 2008: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Ruiselede, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL39, (onuitgegeven werkdocumenten).
Auteurs :  Van Vlaenderen, Patricia, Vranckx, Martien
Datum  : 2008


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Klooster van de zusters Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/90482 (Geraadpleegd op 02-06-2020)