erfgoedobject

Site Knokmolen

bouwkundig element
ID
90541
URI
https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/90541

Juridische gevolgen

  • is aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed Knokmolen
    Deze vaststelling is geldig sinds

  • omvat de aanduiding als beschermd monument Windmolen Knokmolen
    Deze bescherming is geldig sinds

Beschrijving

De Knokmolen, een bakstenen stellingmolen, werd in 1840 gebouwd. Oorspronkelijk was het een olie- en korenwindmolen, vanaf 1940 enkel nog een korenmolen. De molen kreeg doorheen de tijd meerdere benamingen: "Galgemolen" naar het verderop gelegen "Galgestick", "Sebastopolmolen" naar de nu verdwenen herberg "Sebastopol" (Knokstraat), "Spiesschaertszemeulen" en "Billietszemeulen" naar de toenmalige eigenaars. De maalderij van na de Tweede Wereldoorlog sluit onder de betonnen stelling aan bij de molen. De molenaarswoning en een schuurtje op het molenerf zijn recent vernieuwd, doch behielden het oude volume en typologie.

Historiek

De molen werd in 1840 gebouwd door de Ruiseleedse herbergier Karel Heyndrickx. Het jaartal 1840 was vroeger aangeduid op het (nu verdwenen) balkon van de kap, het is ook af te lezen boven de ingangsdeur. Op de Atlas der Buurtwegen (rond 1845) is de stenen molen aangegeven aan het begin van voetweg 57 (de latere Knokstraat), aanzettend bij de haakse bocht van de Bruggestraat. De benaming Knokmolen verwijst naar deze bocht of knik van de Bruggestraat die reeds op de "Grenskaart tussen de kasselrijen Kortrijk en de Oudburg" van 1627 door landmeter Lodewijk de Bersacques "den Cnock van de strate" genoemd werd. Aan de andere kant van de straat ligt de voormalige herberg De Knok (Knokstraat nummer 1). In 1842 werd de molen verkocht aan molenaar Ludovick Spiesschaert. In 1900 werd een stoommaalderij met schouw gebouwd.

Botanicus en fotograaf Jean Massart maakte in 1905 vanop de nu verdwenen Goudenstermolen (Bruggestraat) een opname van de Knokmolen. De foto toont een open agrarisch landschap met draaiende, gezeilde molen. Buiten de molen en de maalderij met schouw was er nauwelijks bebouwing. In 1905 vernietigde een blikseminslag een molenroede en de stelling. Molenaar Charles Billiet, eigenaar vanaf 1908, verving de stoommachine in 1929 door een elektrische motor. In 1930 liet hij de staart van de molen vernieuwen in ijzer. In 1940 stopte de olieslagerij bij gebrek aan lijnzaad. De twee pletstenen werden nu verwijderd, en onder de stelling werd een nieuwe eerste zolder ingebouwd. Na het afbreken van de wieken tijdens een herfststorm in 1940 kocht molenaar Billiet in 1941 de binnenroede, het vang- en kamwiel van de Vlaagtmolen (Oude Tieltstraat) voor de herstelling van zijn Knokmolen. Ook tijdens de terugtrekking van de Duitsers in 1944 liep de molen schade op. Na de Tweede Wereldoorlog trachtte molenaar en eigenaar Gerard Billiet het molenbedrijf rendabel te houden. In 1948 verving een betonnen stelling de vroegere houten. Bij die gelegenheid werd het oorspronkelijke rondbogige portaal vervangen door een vooruitspringende ingang in betonblokken tot aan de stelling. Boven de rechthoekige toegangspoort kwam een toegang met laadplatform naar de nieuwe eerste zolder. Vanaf 1949 werkte de vernieuwde maalderij met een dieselmotor. In 1965 werd een tweede maalderij geïnstalleerd. In 1968 kreeg de molen een nieuwe kap met wolfsdak (nu zonder balkon en niet meer met rechte voorwand) en opnieuw een eiken staart (Jozef Caers en zonen uit Retie). Molenbouwer Charles Peel (Gistel) plaatste ook nieuwe, volledig verdekkerde roeden (Nederlands wiekverbeteringssysteem van A.J. Dekker), voorzien van remkleppen. In 1987 stopte Gerard Billiet, de laatste professionele molenaar, ermee. Na enkele jaren stilstand liet Roland Wieme vanaf 1993 de molen regelmatig met de wind draaien. In 2002 werd deze molenbouwer de nieuwe eigenaar en voerde hij zelf herstellingwerken uit.

Beschrijving

De molenromp is opgetrokken in witgeschilderde, verankerde baksteen (formaat 21 x 10,5 x 5 cm). Oorspronkelijk was er ter hoogte van de stelling ook een zwart geschilderde plint. Boven de stelling is de romp opengewerkt door geschrankt geplaatste muuropeningen. Deze getoogde deuren (twee deuren ter hoogte van de stelling) en vensters zijn gevat in een geriemde omlijsting van rood geschilderde baksteen onder druiplijst. De geschilderde houten deuren met bovenlicht bestaan uit een opgeklampt kader met beplanking. De dito houten ramen hebben een tweeledige of kruisindeling, meestal met bovenlicht met kleine roedeverdeling. Onder de kap heeft de romp een rood geschilderde borstwering. Op de begane grond is de molen aan de zuidzijde toegankelijk via een vooruitspringende ingang in witgeschilderde betonblokken tot aan de stelling. Hierin steekt de rechthoekige toegangspoort (twee geschilderde houten vleugels met bovenlichten, opgeklampt kader met beplanking). Daarboven steekt een laadplatform met metalen schuifdeur met bovenlicht naar de eerste zolder. Boven de schuifdeur steekt het jaartal "1840", zoals dit tot 1968 op het balkon van de kap stond. Links van de toegang staat een molensteen, mogelijk een pletsteen van de vroegere olieslagerij, tegen de romp. De betonnen stelling is afgeboord met een metalen balustrade met ruitvormige vakken. De kap met twee wolfseinden en windwijzer is gedekt met kunstleien. Het kruiwerk bestaat uit de staartbalk, de lange en de korte spruiten, de lange en korte schoren en het ijzeren kruiwiel. De vlucht bedraagt ongeveer 24 meter. De roeden zijn volledig verdekkerd en voorzien van remkleppen.

Inrichting van de molen. Boven de benedenverdieping bevindt zich sinds 1940 de eerste zolder (onder de stelling) met graanreiniger en haverpletter. Een conisch kamwiel op de eerste zolder drijft de haverpletter op de tweede zolder aan. Deze tweede zolder (vroeger eerste zolder) of maalzolder bevindt zich op stellinghoogte. Op de derde zolder of steenzolder drijft het spoorwiel van de koningsspil drie maalgangen aan. Het spoorwiel telt 48 kammen, de drie kamwielen tellen er telkens veertien. Het spoorwiel is afkomstig van de stenen molen van Westkerke (benedenverdieping). Op een klauwijzer staan de opschriften "IBB" en "1841". De vierde zolder is de luizolder. Op de kapzolder draait de kap op Engels kruiwerk. Het vangwiel telt vijftig kammen, het kamwiel 32. Op de wiekenas staat het opschrift "2 mei 1867".

Ten westen sluit een maalderijgebouw van twee bouwlagen onder plat dak bij de molen aan (onder de stelling). Dit roodbakstenen gebouw dateert van na de Tweede Wereldoorlog en is opengewerkt door rechthoekige muuropeningen onder betonnen latei. Rechts steekt een  geschilderde houten poort met bovenlicht (twee vleugels met opgeklampt kader en beplanking). Daarboven steekt een metalen schuifdeur met bovenlicht en een beglaasde heiligennis. De vensters zijn ingevuld met gelede ramen, vermoedelijk in ijzer.

Inrichting van de maalderij. De maalderij bewaart een Deutz- dieselmotor (1954) en een Blackstone-dieselmotor. Naast maalstoelen zijn er nog een samengestelde sorteercilinder van de Leuvense firma Louis Bonte en een houten wanmolen van de firma A. Verbeke & Zonen (Tielt en Brugge).

Aan de straatzijde is het molenerf toegankelijk via gietijzeren hekken. De lage molenaarswoning rechts van de toegang is recent vernieuwd, doch behield het oude volume en typologie. Het roodbakstenen huis is gevat onder een pannen zadeldak met dakschild aan de zuidzijde (straatgevel). Onder de goot is het metselwerk geleed door een sierlijke baksteenfries. De erfgevel en de zijgevel aan de straat zijn opengewerkt door rechthoekige muuropeningen (vernieuwd houtwerk) onder getoogde ontlastingsboog. De noordelijke zijgevel is opgevat als puntgevel. In het gevelveld is een rondbogige laaddeur geflankeerd door twee dito venstertjes (houtwerk vernieuwd naar oud model). Het vernieuwde schuurtje tussen de woning en de molen (ten oosten van de molen) gaat mogelijk terug op de vroegere maalderij. Het lage bakstenen gebouw is gevat onder een pannen zadeldak, met twee uitbouwen onder pannen schilddak.

  • Archief Ruimtelijke Ordening West-Vlaanderen - Onroerend Erfoged, Archiefnummer W/00690.
  • BECUWE F. 2009: In de ban van Ceres. Klein- en grootmaalderijen in Vlaanderen (circa 1850-circa 1890), Relicta Monografieën 3, Brussel, 57, 63, 65, 187, 198-199, 203-204.
  • BRAET M. 2002: Omtrent de Knokmolen en molenaarsfamilie Spiesschaert, Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede 19.4, 147-154.
  • BRAET M 2006: Rusleda 900 jaar. Een kroniek 1106-2006, Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede 23.4, 200, 214.
  • CORNILLY J. 2001: Monumentaal West-Vlaanderen, deel 1, Brugge, 206.
  • DEGUFFROY G. 1995: Omtrent de Knokmolen, Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede 12.2, 51-63.
  • DEGUFFROY G. 1997: Ruiseleeds Molenrepertorium, Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede 14.2, 63-67.
  • DEGUFFROY G. & DEPREDOMME J. 1993: Ruiseleedse plaatsnamen, Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede 10.4,
  • DEPREDOMME J. 1985: Ruiseleedse gebouwen en plaatsnamen op de Grenskaart van 1627, Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede 2.2, 87-92
  • DEPREDOMME J. 2002: Gerard Billiet laatste beroepsmolenaar op de Knokmolen, Oud Ruysselede. Heemkundig Tijdschrift Doomkerke, Kruiskerke, Ruiselede 19.4, 155-158.
  • DE VLIEGHER L. 1984: De molens in West-Vlaanderen, Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, deel 9, Tielt-Weesp, 77, 350-353.
  • DEVYT C. 1966: Westvlaamse Windmolens – Inventaris volgens de toestand op 1 januari 1965, Brugge, 104.
  • VAN BELLEGHEM D. 2006: Ruiselede. Van boerenstiel naar agro-economie, in: UYTTENHOVE P. e.a., Recollecting Landscapes. Herfotografie, geheugen en transformaties 1904 – 1980 – 2004, Gent, 253-271.

Auteurs :  Van Vlaenderen, Patricia, Vanneste, Pol, Vranckx, Martien
Datum  :


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2022: Site Knokmolen [online] https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/90541 (Geraadpleegd op )