O305 François Musin

inventaris varend erfgoed

Locatie

Provincie Antwerpen
Gemeente Antwerpen
Deelgemeente Onbepaald
Straat
Locatie Antwerpen (Antwerpen)
Status Varend erfgoed in het water

Administratieve gegevens

Gebeurtenissen
  • Inventarisatie varend erfgoed fase I (geografische inventarisatie: 01-10-2010 - 30-09-2013).

Juridische gevolgen

is vastgesteld als varend erfgoed IJslandvisser O305 François Musin

Deze vaststelling is geldig sinds 16-06-2017.

is beschermd als varend erfgoed O305 François Musin

Deze bescherming is geldig sinds 24-02-2011.

Beknopte karakterisering

Betrokken personen
Tags IJslandvaarder, Motortreiler

Afmetingen

Inventarisatie varend erfgoed fase I (08-02-2011)

Lengte 35 m
Breedte 6,89 m
Diepgang 3,2 m

Beschrijving

Geschiedenis van het vaartuig: De gehavende vloot van vissersvaartuigen werd na de Tweede Wereldoorlog snel aangevuld door de bouw van nieuwe schepen. De Oostendse werf Beliard-Crighton leverde in 1948 twee vrijwel identieke motortreilers aan de Oostendse NV Motorvisserij. De schepen werden ingeschreven als de O305 Francois Musin en de O304 Eugène Laermans. De Laermans verging zonder een spoor na te laten toen het schip ter hoogte van de Doggersbank op haring viste eind oktober 1949. De volledige bemanning onder leiding van schipper Georges Verburgh kwam om het leven.

De François Musin werd als middelgrote motortreiler ingezet voor de visserij op IJsland. Vanaf 1948 voer het schip bijna onafgebroken tussen de haven van Oostende en de IJslandse vissersgronden onder leiding van schippers Edouard Beauprez, Karel Bonduelle, Julien Engelbrecht, Marcel Pots, Frederic Vanderwal, Raphaël Buysse, Julien Ruga, Roland Brys, Emiel Pattyn en Arthur Verbiest. De IJslandvaart kende een keerpunt door de uitbreiding van de IJslandse territoriale wateren. In 1958 werd de zone waarin buitenlandse schepen niet meer mochten vissen opgetrokken tot 12 zeemijl (22 km). De IJslandse regering wilde zo de eigen visserij beschermen en de uitputting van de visstocks voorkomen.

De François Musin kende enkele tragische episodes. Het schip kwam in oktober 1949 in aanvaring met de Schotse treiler Prospect Ahead, die vervolgens zonk. Op 28 november 1950 verdween schipper Eduard Beauprez op volle zee. In 1957 sloeg matroos Maurice Lievens overboord en verdronk. Een kleurrijker verhaal is dat van Liliane Saudemont die in 1955 als Leon Saudemont aanmonsterde op de François Musin als scheepsjongen. Een korte tijd na de afvaart moest het schip terugkeren nadat Liliane werd ontmaskerd als vrouw. Er werd immers geloofd dat een vrouw aan boord ongeluk bracht.

Vanaf 1957 voer de François Musin onder de hoede van NV rederij Boels tot aan het faillissement van die rederij in 1969. Nadien veranderde het schip regelmatig van eigenaar. De 0305 werd op 26 mei 1972 geschrapt uit de officiële lijst van Belgische vissersvaartuigen en kwam nooit meer in gebruik. De François-Musin is vandaag een onttakeld schip: het vistuig werd afgenomen, het interieur werd gesloopt en de brug is bij een brand verloren gegaan. Enkel de romp, bak, dekhuis en masten (neergelegd) blijven over.

De François Musin werd op 16 maart 2011 als varend erfgoed beschermd. Het schip is sinds 2005 eigendom van de sociale scheepswerf Werkvormm. Werkvormm heeft als dubbele doelstelling het varend erfgoed te bevorderen en werkzoekenden terug aan de slag te krijgen.

Eigenaars:

  • 1948-1956: Motorvisserij nv.
  • 1955-1969: Rederij Boels nv.
  • 1970 tot een onbekende datum: Juan Guzon Fernandez.
  • Diverse eigenaars tot 1999.
  • 1999-2005: Alex Quinen.
  • Sinds 2005 is de vzw Werkvormm eigenaar van de François Musin.

Bouwjaar: 1948.

Werf: Béliard-Crighton in Oostende.

Functie: IJslandvisserij.

Vaargebied: De Noordzee, het Kanaal en de Atlantische oceaan.

Vracht: De François Musin had een vrachtruim van 60,6 nettoton voor het transport van in ijs bewaarde vis.

Beschrijving romp, constructie en opbouw: De François Musin is een middenslag motortreiler. Bij de vorm van de scheepsromp valt de sterk oplopende zeeg (deklijn) en hoge boeg met stormbak op. Samen met de diepgang was deze vorm erop bedacht om de Atlantische oceaan te trotseren. Het sterk gebouwde schip moest de inkomende golven kunnen doorbreken en over voldoende oprichtend vermogen beschikken. De rompconstructie bestaat uit geklonken staalplaat op stalen spanten. De romp is zijdelings aan de buitenzijde beschermd door halfronde stalen profielen (zogenaamde apostelen) tegen de schurende sleepkabels van het net. Om de stabiliteit van het schip te bewaken werd het visruim in compartimenten gevuld.

Tonnage: De François Musin mat 154,54 brutoton, wat een indicatie is van het volume van de romp en de afgesloten gedeelten boven het dek. Het schip had een laadvermogen van 60,6 ton.

Tuigage: De visinstallaties, het tuigage, de dekuitrusting en de kuisinstallaties zijn niet meer aanwezig. Enkel de twee masten zijn nog ter plaatse.

Motor: De eerste motor van de François Musin was een Sulzer diesel van 400 pk. Die motor werd in 1963 vervangen door een Lister Blackstone ERS met een vermogen van 495 pk bij 750 omwentelingen per minuut. De voorzijde van de motor dreef via een brede riem de vislier op het dek aan, waarmee de netten werden opgehaald.

Uitrusting: De François Musin was een klassieke zijtreiler, waarbij met bordennetten over de zijkant van het schip werd gevist. Het net werd met behulp van zogenaamde scheerborden onder water open gehouden. Op de Musin is weinig van de visinrichting bewaard. Een belangrijk deel van de voortstuwingsinstallatie, de installatie voor het opwekken van de elektriciteit en de aandrijving van de pompinstallatie is evenwel nog aanwezig.

Interieur: Vooraan het schip onder het hoofddek bevond zich de voorpiek, onmiddellijk gevolgd door het grootmagazijn, dat was uitgerust met touw- en nettenkooien. Daarop volgend lag het visruim met een capaciteit van 60,9 ton met ijs gekoelde vis. Achter het visruim lag de machinekamer. Het verblijf van de bemanning bevond zich achter de machinekamer. Er was een gemeenschappelijke ruimte met zitplaatsen, een tafel en kooien voor de bemanning. De eigenaar en eerste werktuigkundige hadden een eigen hut.

In de dekopbouw bevonden zich de keuken met het toilet, de machineschacht en een afzonderlijke hut voor de schipper. Het comfort aan boord van de schepen van deze generatie was erg beperkt. Het stuurhuis en de kaartenkamer lagen op de hoogste verdieping van de dekopbouw. Onder de stormbak bevond zich nog een magazijn.

Er is vandaag vrijwel niets bewaard van het interieur van het schip, met uitzondering van de machinekamer. Het stuurhuis en de kaartenkamer werden bij een brand verwoest.

  • WERKVORMM 2006: Verroeste IJslandvaarder geeft Antwerpse werkloze jongeren een nieuwe toekomst, Ruimschoots 6.4, 29-31.
  • VERVAELE K. 2011: Naar Island! Vissers vertellen over de IJslandvaart, Tielt.
  • CARLY R. 2002: 75 jaar onderzoeksraad voor de zeevaart, Brugge, 149-150.
  • Werkvormm 2011: François Musin, O.305, de laatste Belgische IJslandvaarder, Ruimschoots 11.3, 26-28.
  • CORVELEYN R. & ENEMAN E. 2006: Belgische zeevisserij: 50 jaar IJslandvaart 1945-1995, Oostende.
  • De officiële lijst der Belgische vissersvaartuigen, online geraadpleegd op 27 maart 2014: http://www.vliz.be/cijfers_beleid/zeevisserij/ship.php?id=1572.

Bron: -

Auteurs: Van Dijck, Maarten

Datum tekst: 2014

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.