De inventaris van het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen is een project dat sinds 1965-1966 door de centrale overheid wordt uitgevoerd. De gegevens uit de publicatiereeks Bouwen door de Eeuwen Heen in Vlaanderen vormen de basis van de inventaris van het bouwkundig erfgoed die op de inventariswebsite inventaris.onroerenderfgoed.be wordt aangeboden. Deze inventaris gaat uit van een geografische selectie van het erfgoed dat vanop de openbare weg kan waargenomen worden.
De grootschalige geografische inventarisatie van het bouwkundig erfgoed in België werd gestart in de tweede helft van de jaren 1960 door een tweetalige werkgroep in opdracht van het toenmalige Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur. Dit gebeurde op aanbevelingen van de Raad van Europa uit de gemeenschappelijke bekommernis over de toenemende bedreiging van de historische monumenten, één van de kostbaarste erfenissen van de Europese cultuurgeschiedenis.
De doelstelling was drievoudig:
De eerste inventaris van het monumentale kunstbezit betrof het hele arrondissement Leuven en werd voltooid in 1967. Hij werd opgevat als een methodologische pilootstudie onder leiding van professor R. Lemaire. Uitgangspunt vormde het systematische plaatsbezoek met een kritische visuele vaststelling en ontleding van het erfgoed. De registratie gebeurde vanop de openbare weg, de kenmerken van het pand werden genoteerd en het belangrijkste erfgoed werd gefotografeerd. Wegens het dringende karakter van de operatie werd het onderzoek van archiefstukken niet overwogen, evenmin als de volledige speciale literatuur. De uiteindelijke resultaten werden gepubliceerd in 1971 in het eerste boekdeel van de reeks Bouwen door de eeuwen heen. Deze publicatie bevatte in beginsel enkel ‘monumenten’ die van voor het begin van de 19de eeuw dateerden en er werd relatief meer aandacht geschonken aan huizen en hoeven dan aan de meer gekende kerken en kastelen. Aan de hand van de opgedane ervaring zou de methodologie aangepast en verbeterd worden en dienen als basis voor gelijkaardige inventaris-studies voor het hele Vlaamse land.
In Vlaanderen werd de inventarisatie toevertrouwd aan de Rijksdienst voor de Monumenten- en Landschapszorg, opgericht bij Koninklijk Besluit van 1 juni 1972. Parallel met de verbrede visie op de monumentenzorg ondergingen de selectiecriteria en onderzoekmethodes een sterke evolutie door de jaren heen, rekening houdend met de definities monument en stads- en dorpsgezicht opgenomen in het decreet van 3 maart 1976 en gewijzigd bij decreet van 22 februari 1995. Zo werd aandacht besteed aan straatbeelden, ensembles en volledige stadsgezichten; dit impliceerde dat naast religieuze, burgerlijke en industriële gebouwen ook een ruim aantal doorsneewoningen en -constructies werden opgenomen, typerend voor het gebied en representatief voor later op te stellen typologieën. Daarnaast werd aandacht besteed aan de architectura minor, zoals bijvoorbeeld straatmeubilair.
Veldwerk bleef de basis voor opname met registratie op een veldwerkfiche, aangevuld met fotografische opnamen. Geleidelijk breidde het bibliografisch en archiefonderzoek zich uit ter aanvulling van de beschrijving, teneinde de gebouwen in hun context te situeren en eventueel hun vroegere functie en evolutie te belichten, waardoor de evaluatie vergemakkelijkt werd. Deze contextuele aanpak resulteerde in de introductie van beschrijvingen van straatbeelden en gemeente-inleidingen. Daarnaast duidde een algemene inleiding het verband tussen het bouwkundig erfgoed en de geografische, landschappelijke en historische en stedenbouwkundige omgeving en haar evolutie. De chronologische limiet voor opname werd opgeheven hoewel ze in praktijk nog lange tijd werd vastgesteld op 1940. Daardoor werd het onderzoek in de tijd ruim verbreed. Vooral om praktische redenen werd geleidelijk overgeschakeld op kleinere gebiedseenheden, namelijk van arrondissement naar kanton. Toch bleef het steeds de bedoeling het bouwkundig erfgoed op te tekenen in een voldoende ruime geografische, historische en administratieve samenhang.
De doelstelling van de inventaris werd viervoudig en werd enigszins verfijnd:
Het laatste boekdeel van de reeks Bouwen verscheen in 2005, de inventaris van een groot deel van de op dat ogenblik nog niet geïnventariseerde gemeenten werd nog aangeboden in pdf-formaat. Alle beschikbare informatie werd evenwel vanaf 2009 online ter beschikking gesteld. In 2012 was de geografische inventarisatie gebiedsdekkend voor Vlaanderen.
De opname van een pand of constructie in de inventaris van het bouwkundig erfgoed is steeds gemotiveerd door de waarden zoals vermeld in de wetgeving. De panden en constructies worden binnen de afgebakende geografische context steeds geselecteerd omwille van de dan geldende waarden. Die waarden werden doorheen de tijd steeds verder uitgebreid. In de monumentenwet van 1931 worden de historische, artistieke en wetenschappelijke waarde bepaald. Vanaf 1976 wordt bouwkundig erfgoed geselecteerd op basis van de artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde. Het eenheidsdecreet van 2015 bepaalt dertien waarden: de archeologische, architecturale, artistieke, culturele, esthetische, historische, industrieel-archeologische, ruimtelijk-structurerende, sociale, stedenbouwkundige, technische, volkskundige of wetenschappelijke waarde. Meestal heeft een object niet één bepaalde waarde, maar gaat het om een wisselwerking tussen meerdere waarden. Verder houdt men rekening met volgende criteria: de zeldzaamheid, de herkenbaarheid, de authenticiteit, de representativiteit, de ensemblewaarde en de contextwaarde. Deze waarden en criteria worden niet afzonderlijk beschouwd. Het is de globale beoordeling die het uitgangspunt vormt voor de evaluatie.
Voor opname in de inventaris van het bouwkundig erfgoed dienen de waarden en criteria afgetoetst te worden binnen het kader of de schaal van die inventaris (bijvoorbeeld binnen een bepaalde regio of binnen een gemeente) en/of met inachtname van de inhoudelijke criteria die voor het specifieke inventarisatieproject werden bepaald. Met andere woorden: de opname van een gebouw of object in de inventaris wordt nooit object per object besloten, maar steeds in het kader van de erfgoedwaardeafweging van een groep van gebouwen of objecten per regio of per type.
Voor de samenstelling van deze tekst werd gebruik gemaakt van de verantwoordingen in de boekdelen Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen en de tekst opgemaakt door S. Van Aerschot als inleiding bij het Plaatsnamenregister bij de reeks Bouwen door de eeuwen heen In Vlaanderen 1971-2005, Brussel, 2007. Er werd ook informatie overgenomen uit https://www.onroerenderfgoed.be/publicaties/handleiding-inventariseren-van-bouwkundig-erfgoed
Auteurs: Kennes, Hilde
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)