Gebeurtenis

Opgraving Heiligenberg

archeologische opgravingen
ID
1072725
URI
https://id.erfgoed.net/gebeurtenissen/1072725

Beschrijving

Tijdens de archeologische opgraving werd een oppervlakte van ca. 2,17 ha onderzocht. Dit onderzoek vond plaats van 13 mei t.e.m. 14 juni 2019. De opgravingszone werd opgedeeld in werkputten zodat elke zone op korte termijn afgewerkt kon worden en de sporen niet degraderen door het openliggen. Het onderzochte terrein werd in 17 werkputten opgedeeld en opgegraven. Een oostelijke zone (het deel van het terrein ten oosten van de aarden buurtweg) omvat werkputten: WP1 t.e.m. 3 en WP6 t.e.m. 10. De westelijke zone omvat werkputten: WP4, WP5 en WP11 t.e.m. 17. Het archeologisch vlak manifesteert zich in de oostelijke zone tussen de 41,3 en 41,7 m +TAW, wat neerkomt op ca. 40 à 50 cm onder het huidig maaiveld. In de westelijke zone bedraagt de diepte tussen ca. 40,6 en 41,0 m TAW, met uitzondering ter hoogte van de ‘depressie’ in de noordwestelijke hoek van het onderzoeksgebied, waar het archeologisch vlak daalt tot ca. 39,9 à 40,0 m +TAW. Het vlak werd in deze zone, ter hoogte van de depressie, voornamelijk aangelegd op ca. 60 à 70 cm onder het huidig maaiveld met een maximale diepte van ca. 1 m. Het veldwerk werd uitgevoerd conform de Code van Goede Praktijk. De opmetingen werden handmatig uitgevoerd met een GPS-aangestuurd systeem met precisie van 1 cm. De teelaarde, het aangelegde vlak, de sporen en de storten werden onderzocht met een metaaldetector. Het archeologisch vlak werd
handmatig opgeschoond. Alle sporen kregen een uniek nummer, werden beschreven en geregistreerd via foto’s en opmetingen. De grondsporen werden geregistreerd, gecoupeerd en onderzocht. Stalen werden genomen bij het uithalen van de sporen. Er werden voldoende referentieprofielen aangelegd om de bodemopbouw van het onderzoeksgebied na te gaan. Deze profielen werden opgeschoond, gefotografeerd, getekend en besproken.
Het archeologisch vlak werd aangelegd met een 21-tons kraan en dit met een platte graafbak. Bij het opmeten van het vlak, sporen, puntvondsten,… werd gebruik gemaakt van een GPS-gestuurd systeem met een precisie van 1 cm. Foto’s werden genomen met een digitaal fototoestel. De metaaldetectie werd uitgevoerd met behulp van een metaaldetector. Verder werd gebruik gemaakt van klein opgravingsmateriaal zoals: schop, truweel,…
In het Programma van Maatregelen werd een oppervlakte van 2,26 ha aangegeven voor een vlakdekkende opgraving. De huidige verharde zandweg (buurtweg 39) die dwars over het terrein loopt van noord naar zuid kon/mocht evenwel niet onderzocht worden. Deze zandweg is namelijk reeds vrijgegeven op basis van de bureaustudie: “Voor de Allerheiligenberg en de Buurtweg 39 wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Hier is reeds een riool aanwezig en heeft er in het verleden reeds een diepe verstoring plaatsgegrepen. Voor deze zone wordt een programma van maatregelen voor vrijgave opgemaakt.” 12 Hierdoor bedraagt de onderzochte zone ca. 2,17 ha en niet 2,26 ha zoals aangegeven staat in het Programma van Maatregelen horend bij de nota.

Tijdens het archeologisch onderzoek werden er 22 stalen genomen (ST1 t.e.m. ST22). Het gaat daarbij voornamelijk om houtskoolmonsters (11 stalen) van o.a. paalkuilen die mogelijk tot een structuur behoren. Ook werden er houtskoolmonsters genomen van sporen die interessant lijken voor een eventuele 14C-datering. Daarnaast werden er uit de waterputten in totaal vijf bulkstalen genomen van de onderste, en/of meest interessante lagen van de waterputten in functie van een macrorestenanalyse, en twee pollenstalen. Uit zowel waterput SP373, SP381 als SP410 werd een bulkstaal genomen met het oog op eventueel ,wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot een macrorestenonderzoek en datering. Ook werden nog eens twee zeefstalen genomen van de onderste vulling van waterput SP381 aangezien deze waterput bijzonder rijk is aan schervenmateriaal. Verder werd een pollenstaal genomen van de kern van waterputten SP373 en SP381. De pollenanalyses van een waterput heeft als doel om pollen te bekijken om het lokale milieu (landschap en vegetatie) te achterhalen en te reconstrueren en/of een analyse te kunnen maken van het consumptiepatroon in de periode dat de waterput in gebruik was (paleo-ecologie). Er werd in deze waterputten hout aangetroffen dat o.a. toebehoord tot de houten bekisting/beschoeiing ervan. Zo zijn vier monsters genomen in teken van een eventueel dendrochronologisch onderzoek. De houten beschoeiing van de waterputten SP373 en SP381 (m.n. de uitgeholde boomstammen), alsook een houten balk uit waterput SP373 werden gerecupereerd als staal in functie van een dendrochronologisch onderzoek. Ook in de vulling van waterput SP410 werd een kleine/korte balk gerecupereerd voor eventueel een dergelijk onderzoek.
Het hout en het leer dat werd gerecupereerd uit de waterputten vraagt wel een specifieke behandeling. Hout en leer is zeer sterk onderhevig aan temperatuurschommelingen en verandering van de vochtigheidsgraad, waardoor degradatie van het materiaal optreed. De meerwaarde om het hout te conserveren is echter ontoereikend op basis van een kosten-batenanalyse. Het leer dat in de vulling van één van de waterputten werd aangetroffen dient daarentegen wel geconserveerd te worden. Hierbij werd beroep gedaan op mevr. A. Cools (Archeologische Conservatie).

Tijdens het veldwerk werd geen selectie van de vondsten doorgevoerd. Alle aangetroffen vondsten werden per spoor of per laag ingezameld en voorzien van een vondstenkaartje/-nummer. Stalen worden genomen in functie van de onderzoeksvragen of indien deze uiterst interessant lijken. Voor
de landschappelijke vraagstellingen kunnen geologisch materiaal, pollen, zaden en vruchten, hout en ander vegetatief plantenmateriaal,… interessant zijn. Voor de culturele vraagstellingen kunnen dierlijke resten, plantkundige resten,… interessant zijn. Naar dateringsdoeleinden toe kan staalname gebeuren in functie van 14C-datering of dendrochronologie. Indien tijdens het veldwerk blijkt dat er onzekerheid is
over de uitvoering van bepaalde staalnames zal de betrokken specialist hierbij betrokken worden. De monsters werden handmatig ingezameld waarbij gelet werd op de positie van het monster in het spoor en mogelijke contaminatie (bioturbatie, …). Er worden specifieke maatregelen getroffen bij het aantreffen van hout, leder, metaal of glas.

Auteurs :  Claesen, Jan
Datum  : 2020

Bronnen

Bron: CLAESEN J. & K. BOUCKAERT 2020: Ham - Allerheiligenberg Eindverslag, AE-Group Rapport 2018D289, Kortenaken.
Type: literatuur
Datum: 2020