Gebeurtenis

Opgravingen Martinuskerk

archeologische opgravingen
ID
1072965
URI
https://id.erfgoed.net/gebeurtenissen/1072965

Beschrijving

De opgraving vindt plaats op een site met complexe verticale stratigrafie. Op de locatie van elke geplande leidingsleuf en inspectieput vond een archeologische opgraving plaats voorafgaand aan de aanleg van de leidingen. Het onderzoek was beperkt in omvang. Het betreft de aansluiting van 5 nieuwe regenwaterafvoeren langs de buitengevel van het koor op de bestaande riolering (zie figuur 4). De leidingen hebben een diameter van 18 cm en
starten op een diepte van 30 cm onder het maaiveld. De diepte van de effectieve uitgraving bedraagt hierbij 40 cm. De diepte waarop de leidingen zullen worden aangesloten op de dichtst bij gelegen bestaande afvoer of inspectieput bedraagt ca. 55 cm onder het maaiveld, de diepte van de uitgraving bedraagt 60 cm. Op één plaats wordt hierbij de aanleg van een nieuwe inspectieput voorzien, van 50 bij 50 cm breed en met een diepte tot 130 cm onder het maaiveld (effectieve uitgraving van 1 m bij 1 m en een diepte van 140 cm). Het manueel verdiepen van de opgravingsputten door de archeologen vond plaats na afbraak van de stelling die rond het koor opgesteld was naar aanleiding van de bovengrondse restauratiewerken. Het archeologisch onderzoek was voorzien in de zones waar de bodem door werken zou worden verstoord bij de aanleg van de regenwaterafvoeren en de inspectieput. De putten en sleuven werden onderzocht tot op de voorziene verstoringsdiepte. Opengelegde opgravingsvlakken mochten niet betreden worden met zwaar materieel. Na de registratie van het laatste vlak werd eventueel muurwerk uitgebroken onder begeleiding van de veldwerkleider en dit tot op de geplande verstoringsdiepte. Alles is stratigrafisch opgegraven met het oog op het verzamelen van dateerbaar materiaal/laag. Aandacht is gegeven aan de profielen, gezien de leidingtracés een beperkte breedte hebben. Bijzondere aandacht ging uit naar eventuele muurverbanden en relaties en naar oude vloer- of wegniveau’s.
De opgraving en rapportage is gebeurd aan de hand van een volledige digitale registratie in de relationele archeologiedatabank van SOLVA. In deze integrale en geïntegreerde databank zijn alle stappen en informatie van opgraving tot en met deponering en beheer vervat. De relationele databank maakt een doorgedreven analyse van sporen, spoorcombinaties en structuren mogelijk, in relatie tot elkaar en tot de vondsten, maar tevens in relatie/
confrontatie met de eerdere opgravingsprojecten te Aalst. De databank streeft tevens naar gegevensuitwisseling met andere databanken. Daartoe zijn op diverse niveaus in de databank exports mogelijk, zodat de gegevens ook kunnen beschikbaar gesteld worden en geïntegreerd worden in andere databanken. Aan dit aspect zal ook in het natraject aandacht geschonken worden (bv. gegevensuitwisseling met de opgravingsresultaten van het in 2000 uitgevoerde onderzoek door het IAP op het Sint-Martensplein en met het in 2017 door SOLVA uitgevoerde onderzoek binnen de kerk).
Net zoals het in dit rapport beschreven archeologisch onderzoek deel uitmaakte van een bepaalde fase in de restauratie van de Sint-Martinuskerk te Aalst, vormt het archeologisch onderzoek zelf een aparte fase van archeologisch onderzoek binnen de relationele archeologiedatabank van SOLVA.1
Om deze reden werd voor het toewijzen van spoor-, vondst-, plan-, fotonummers e.d. verder gebouwd op de nummers die reeds bij eerdere
onderzoeksfasen werden toegekend. Bijvoorbeeld: de onderzoeksleuf die in deze fase van het onderzoek als eerste werd onderzocht, kreeg de verwijzing werkput XXXI en het eerste spoornummer hierin werd spoor XXXI-1.

Auteurs :  SOLVA
Datum  : 13-01-2021

Bronnen

Bron: KLINKENBORG S. 2020: Aalst Sint-Martinuskerk fase VI, Archeologisch onderzoek, Sint-Lievens-Houtem.
Type: literatuur
Datum: 2020