Het archeologisch vooronderzoek bestond uit een landschappelijk bodemonderzoek, gevolgd door een proefsleuvenonderzoek met ingreep in de bodem.
Het landschappelijk bodemonderzoek werd uitgevoerd aan de hand van boringen in een verspringend driehoeksgrid van 50 × 40 m, geplaatst met een edelmanboor. De bodemprofielen werden beschreven volgens de FAO‐richtlijnen, gefotografeerd en digitaal geregistreerd, met als doel de bodemopbouw, bodembewaring en diepteligging van een potentieel archeologisch niveau te bepalen.
Op basis hiervan werd een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, waarbij machinaal sleuven en kijkvensters werden aangelegd tot op het eerste leesbare archeologische niveau, met een dekkingsgraad van circa 12,5% van de onderzoekszone. De teelaarde werd laagsgewijs verdiept, sporen werden opgeschoond, gefotografeerd, ingemeten met GPS en digitaal geregistreerd, en een selectie werd gecoupeerd voor stratigrafische en inhoudelijke evaluatie. Profielputten werden beschreven door een aardkundige en alle vlakken en sporen werden systematisch gecontroleerd met een metaaldetector. De veldgegevens werden verwerkt in een GIS‐omgeving en geëvalueerd via een assessment van bodemopbouw, sporen, vondsten en stalen, met rapportage van eventuele afwijkingen ten opzichte van de geplande methodologie.