Het geofysisch onderzoek en het proefsleuvenonderzoek vond plaats op een site met een eenvoudige verticale stratigrafie.
Aanvankelijk werd een hoge-resolutie elektromagnetische inductie (EMI) survey voorgesteld met vooral focus op de detectie van mogelijke WO1 archeologische restanten en begraven ferro- en nonferro metalen objecten, die mogelijk onontplofte munitie voorstellen. Het bleek door de erg natte bodemomstandigheden en de diepe rijsporen echter onmogelijk om met de mobiele EMI configuratie het terrein te betreden. Daarom werd in samenspraak met de erkende archeoloog geopteerd voor een manuele scan met magnetometrie in het kader van de detectie van ferro-metalen
objecten die mogelijk achtergebleven munitieartikelen van WO1 origine voorstellen. Uiteindelijk kon met magnetometrie vrijwel het gehele vooropgestelde terrein met uitzondering van de bovengrondse obstakels (hopen grond en bomen) en de diepe, met water gevulde rijsporen
waarover niet gescand kon worden, vlakdekkend onderzocht worden. Nadien werden de resultaten uitgeschreven en werd een hypothesekaart
opgesteld. Bij het geofysisch onderzoek werden bomkraters en metalen anomalieën herkend waaronder een hoog aantal mogelijke explosieven.
Het proefsleuvenplan zoals opgenomen in de bureaustudie voorzag in de aanleg van diverse sleuven ter validering van de gekende structuren uit de Eerste Wereldoorlog. Enkele sleuven werd licht aangepast in oriëntatie omwille van de terreinomstandigheden of om op die manier een bepaalde
anomalie te doorsnijden. Voor de uitgraving werd gebruik gemaakt van een niet-getande graafbak van 1,80m breed. Er werden enkele kijkvensters of volgsleuven aangelegd om de aan- of afwezigheid van sporen te verifiëren of om meer duidelijkheid te krijgen in een bepaald spoor. Het sleuvenonderzoek werd geassisteerd door een ontmijner die tijdens het onderzoek de explosieven benaderde en veilig stelde. De grond werd gescheiden afgegraven en gestockeerd naast de sleuf. Na de voltooiing van de registratie van de sleuven werden deze gedicht.
Van het projectgebied (24.747m2) werd 1.475m2 onderzocht door middel van proefsleuven en kijkvensters. De vooropgestelde dekkingsgraad van
12,5% zoals opgenomen in de Code van Goede Praktijk (te verdelen over 10% sleuven en 2,5% dwarssleuven/volgsleuven/kijkvensters) werd hiermee niet behaald. Ondanks deze iets lagere dekkingsgraad kon een goede validering uitgevoerd en werd een goed beeld verkregen van het archeologisch potentieel, alsook op de waargenomen anomalieën bij het geofysisch onderzoek.
Auteurs: Fonteyn, Paulien; Debrabandere, Sander; Saey, Timothy; Bracke, Maarten; De Decker, Sam; Acke, Bert
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Bron: ACKE B., BRACKE M., DEBRABANDERE S., FONTEYN P. & SAEY T. 2023: Nota Zonnebeke Ieperstraat, Moerbeke-Waas.
Type: nota (archeologieportaal)
Datum: