Het archeologisch vooronderzoek werd uitgevoerd als een uitgesteld vooronderzoek met ingreep in de bodem en bestond uit een proefsleuvenonderzoek conform de Code van Goede Praktijk (v4.0), waarbij 13 proefsleuven, twee kijkvensters en een dwarssleuf werden aangelegd met een dekkingsgraad van 12,5%, aangevuld met bodemkundige profielregistratie, manuele opschoning en controle van aanlegvlakken, beperkte boringen ter evaluatie van paleobodems, en gerichte 3D-registratie en inzameling van lithisch materiaal, met bijzondere aandacht voor steentijdcontexten en de aardkundige samenhang ervan.