De methodiek bestond uit een gefaseerd archeologisch vooronderzoek waarbij eerst een landschappelijk bodemonderzoek werd uitgevoerd via systematische manuele boringen in een vast grid om de bodemopbouw en bewaring te evalueren. Op basis van deze resultaten, die wezen op een verstoorde maar deels nog relevante ondergrond, werd een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd waarbij ongeveer 12,5% van het terrein werd opengelegd via sleuven en kijkvensters, met als doel het opsporen, registreren en interpreteren van eventuele archeologische sporen en structuren op het terrein.