Voorafgaand aan de opgraving werden de geplande bodemingrepen aangepast om de archeologische impact te beperken: de kelderdiepte werd aanzienlijk verminderd en klassieke funderingspalen werden vervangen door micropalen. Tijdens de opgraving vonden bijkomende overlegmomenten plaats waarin werd beslist over de aanleg, ligging en diepte van de werkputten. Sommige zones werden volledig onderzocht, terwijl andere – wegens uitzonderlijke vondsten of reeds bestaande verstoringen – deels of net niet verder werden uitgegraven. Waar mogelijk werd gekozen voor behoud in situ.
De opgraving volgde grotendeels de strategie uit het Programma van maatregelen van de archeologienota. De werkputten werden machinaal aangelegd en manueel opgeschoond. Registratie gebeurde volgens de geldende CGP-richtlijnen, met GPS-inmetingen, foto- en tekenwerk, dagrapporten en lijsten van sporen, vondsten en stalen. In totaal werden 185 sporen geregistreerd, waarvan een selectie manueel werd gecoupeerd en onderzocht.
Er werden 151 vondstnummers toegekend, voornamelijk aan aardewerk en frescofragmenten, aangevuld met dierlijk bot, bouwkeramiek en kleinere hoeveelheden steen, glas en metaal. Metaaldetectie werd systematisch toegepast op vlakken, sporen en storthopen. Na afloop werden alle werkputten opnieuw afgedekt ter bescherming van de bewaarde archeologische resten en werden de meetgegevens digitaal verwerkt voor de eindrapportage.
Auteurs: Martens, Marleen
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Bron: REYGEL P. & DE WINTER N. 2025: Opgraving Tongeren Elfde-Novemberwal.
Type: eindverslag (archeologieportaal)
Datum: