Een groot deel van het bodemarchief kon in situ bewaard blijven. De opgraving was beperkt tot twee kleine zones waar in-situ behoud niet mogelijk was, namelijk de zone van de toekomstige bebouwing en de locatie van een hemelwaterput. De opgraving vond plaats in 2 werkputten, met een totale oppervlakte van 21,5 m2. De muurresten, die zich net onder het maaiveld bevonden, werden intact gelaten. In werkput 1 werd rond de muren verdiept tot de maximale verstoringsdiepte (inclusief buffer). Dit vlak werd als vlak 1 geregistreerd. Werkput 2 kwam grotendeels overeen met werkput 3 uit het proefputtenonderzoek. Er werd verdiept tot het aangelegde niveau tijdens dit onderzoek. Na registratie van de sporen op vlak 1 werd verdiept tot de moederbodem, waarin laatmiddeleeuwse sporen zichtbaar waren. Dit vlak situeerde zich op een hoogte van +19,69 m TAW (of ongeveer 30 cm onder vlak 1).
Auteurs: Bakx, Ron; Debruyne, Sofie
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: BAAC Vlaanderen bvba; Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Bron: BAKX R. 2025: Eindverslag. Opgraving. Poperinge, Peperstraat 16-18, BAAC Vlaanderen Rapport 3260, Evergem.
Type: eindverslag (archeologieportaal)
Datum: