De archeologische begeleiding had tot doel de bouwput voor een nieuw kunstwerk vrij te leggen tot maximaal 27,45 m TAW, met behoud van een veiligheidsbuffer van minstens 20–30 cm ten opzichte van de funderingen van de bestaande kerk. De graafwerken gebeurden onder regie van een erkend archeoloog, met een tandeloze kraanbak en zonder betreding van de opgravingsvlakken. Archeologische resten werden enkel vrijgelegd en in situ bewaard; verder opgraven, couperen of staalname was niet toegestaan, behalve bij ernstige degradatie en na overleg met Onroerend Erfgoed.
In de praktijk bleek het volgen van de voorziene dieptes moeilijk door een sterk puinrijke ondergrond, betonresten en nutsleidingen. Daarom werd de bouwput in één werkput uitgegraven tot slechts twee niveaus (27,45 en 27,65 m TAW). Manuele boringen om funderingsdieptes te bepalen waren vaak niet uitvoerbaar. Afwijkingen van de Code van Goede Praktijk waren noodzakelijk om de gekende archeologische resten te vrijwaren zonder ze te beschadigen.
Auteurs: Martens, Marleen
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Bron: VANDER GINST V. & YPERMAN W. 2025: Eindverslag; De archeologische begeleiding van Clausura te Herkenrode, Tienen.
Type: eindverslag (archeologieportaal)
Datum: