De geplande werken die een bodemingreep gingen veroorzaken dienden archeologisch begeleid te worden. Een groot deel van de graafwerken werden echter uitgevoerd zonder de aanwezigheid van een archeoloog. Pas na de uitvoering van de graafwerken werd de archeoloog verwittigd waardoor enkel achteraf getracht kon worden om nog zo veel mogelijk archeologische restanten te registreren.
In de meeste gevallen lagen de sleuven en putten nog open waardoor er nog enkele archeologische restanten geregistreerd konden worden en de contour van de werkputten ingemeten kon worden. WP4 en de uitbreiding aan WP1 langs de zuidoostelijke hoek van de hoeve konden echter niet
geregistreerd worden. Deze putten waren namelijk al (deels) opnieuw gedicht/gevuld met een septische put wanneer de archeoloog op het terrein was om de bijkomende graafwerken te registreren. De locatie en afmetingen van deze putten op het allesporenplan zijn dan ook indicatief aangezien de exacte afmetingen niet meer zichtbaar waren. Enkel WP3 kon archeologisch begeleid worden. Hier werden echter geen archeologische resten aangetroffen.
Auteurs: De Raymaeker, Annelies
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Bron: CLAESSENS S. & DE RAYMAEKER A. 2026: Opgraving Haacht Craeneveldhoeve. Studiebureau Archeologie.
Type: eindverslag (archeologieportaal)
Datum: