Tijdens het terreinwerk deden zich verschillende problemen voor door miscommunicatie tussen onderaannemers en onvoldoende afstemming over de archeologische werkzaamheden. Er werd te vroeg gestart met grondwerken, grond werd gestockeerd op nog te onderzoeken zones en delen van het archeologisch terrein werden per vergissing al afgegraven ondanks duidelijke afbakeningen. Hierdoor moest de opgraving in verschillende fasen verlopen en ging een deel van het onderzoeksgebied verloren. Het laatste resterende deel van het terrein werd uiteindelijk ontoegankelijk, waardoor het niet meer onderzocht kon worden.
De opgraving werd uitgevoerd als een vlakdekkend onderzoek over een oppervlakte van circa 7.000 m
2. Het archeologisch vlak bevond zich op een diepte tussen ongeveer 35 en 60 cm onder het maaiveld, waarbij rekening werd gehouden met het ontbreken van een complexe stratigrafie. De praktische uitvoering verliep gefaseerd, mede door bovenstaande problemen.