Gebeurtenis

Inventarisatie bouwkundig erfgoed Maasmechelen

geografische inventarisatie
ID
703
URI
https://id.erfgoed.net/gebeurtenissen/703

Beschrijving

De inventaris bouwkundig erfgoed van de gemeente Maasmechelen bestaande uit deelgemeenten Boorsem, Eisden, Leut, Mechelen-aan-de-Maas, Meeswijk, Opgrimbie, Uikhoven en Vucht werd gepubliceerd in 1996 in boekdeel 14n3 van de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Een inventarismedewerker van de Afdeling Monumenten en Landschappen binnen de Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen (AROHM) maakte de inventaris op. De optekeningsperiode ter plaatse liep van zomer 1993 tot zomer 1995. De inventarisatie leverde 265 inventarisfiches op.

Context en doelstelling

De inventarisatie van het bouwkundig erfgoed in Maasmechelen situeert zich in de hoogtijperiode van de grootschalige geografische inventarisatie van het bouwkundig erfgoed in Vlaanderen. De inventaris vormde in de jaren 1990 een essentieel instrument binnen het beleid van de opeenvolgende ministers Johan Sauwens en Luc Martens. Allebei wilden ze een snelle afwerking en een actualisatie van de inventaris, om een optimaal beschermingsbeleid te kunnen voeren. Gedreven door deze beleidsvisie, publiceerden de inventaristeams in Vlaanderen in de jaren 1990 negentien boeken, dubbel zoveel als wat ze in het vorige decennium realiseerden. Het Limburgse team, lang bestaande uit één inventarisonderzoeker, bracht vier boeken uit, waarin de inventaris bouwkundig erfgoed van het arrondissement Tongeren is gevat, namelijk boekdelen 14n1, 14n2, 14n3 en 14n4.

De doelstellingen van de inventarisatie in de reeks Bouwen door de Eeuwen heen in Vlaanderen bleven doorheen de hele reeks steeds dezelfde:

  1. Vooreerst wil de inventaris een beschermingsinstrument zijn, als uitgangspunt voor de op te stellen lijsten van te beschermen monumenten, stads- en dorpsgezichten.
  2. Vervolgens wil de inventaris een gids zijn voor de architectuur van de streek.
  3. Tenslotte wil hij door een eerste, verbeterbaar overzicht te geven van het bouwkundig erfgoed, een uitgangspunt vormen voor verder wetenschappelijk onderzoek.

Methodologie

De werkwijze bij het opstellen van de inventaris van Maasmechelen bleef de basisprincipes van de inventarismethodologie van het project Bouwen door de Eeuwen Heen volgen. Veldwerk vanop de openbare weg bleef de basis voor de evaluatie en de selectie van het bouwkundig erfgoed. Registratie van de visuele waarnemingen ter plaatse op een veldwerkfiche en fotografische opnames vulden elkaar aan. Op schaarse uitzonderingen na, werden door het Limburgse team de interieurs van privégebouwen niet bezocht. Interieurs van kerken werden samen met het voornaamste kerkmobilair, wel geregistreerd. In tegenstelling tot de teams in de andere provincies, had de buitendienst in Limburg lang slechts een eenmansteam voor de inventarisatie. Pas bij het laatste van de vier boeken werd een tweede onderzoeker ingeschakeld. Door vast te houden aan de strikte methodologie van de snelinventarisatie, met een snelsurvey op het veld, een beperkte, doelgerichte raadpleging van de literatuur, en het streng beperken van archiefonderzoek tot de essentie, kon men een gestage vooruitgang van de inventarisatie garanderen.

Men nam het arrondissement steeds als studiegebied voor de geografische aanpak van het onderzoek en de selectie. Door de ruimere selectiecriteria was de publicatie van de inventaris van één arrondissement per boekdeel al snel niet meer haalbaar, waardoor men vanaf de jaren 1980 overschakelde naar kantons. Dat deed men ook voor het arrondissement Tongeren, dat bestond uit de kantons Riemst, Tongeren, Voeren, Bilzen, Maasmechelen en Borgloon. In boekdeel 14n3 behandelde men de inventaris van twee kantons, namelijk Bilzen en Maasmechelen, met de gemeenten Bilzen, Hoeselt, Lanaken en Maasmechelen.

De beschrijving van het erfgoed gebeurde volgens het stramien uit de inventarismethodologie. Die werden, mee evoluerend met de professionalisering van de monumentenzorg, steeds uitgebreider en gespecialiseerder. Men vulde de beschrijvingen van de aparte gebouwen en constructies aan met beschrijvingen van straatbeelden en (deel)gemeente-inleidingen, om het erfgoed in zijn context te plaatsen. Bij het begin van elk boekdeel legde een algemene inleiding het verband tussen het bouwkundig erfgoed en de geografische, landschappelijke en historische en stedenbouwkundige omgeving en evolutie. Bij boekdeel 14n3 maakte de auteur een uitgebreide algemene inleiding voor de inventaris bouwkundig erfgoed van alle gemeenten in de twee kantons.

Waarden en criteria voor opname in de inventaris bouwkundig erfgoed

Men selecteerde panden en constructies binnen de afgebakende geografische context steeds omwille van de op dat moment geldende erfgoedwaarden, vermeld in de wetgeving. De inventarisatie van het bouwkundig erfgoed in Maasmechelen gebeurde in 1993-1996. Men gebruikte toen de waarden opgenomen in het decreet van 3 maart 1976 en gewijzigd bij decreet van 22 februari 1995. Vanaf 1976 werd bouwkundig erfgoed geselecteerd op basis van de artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde, wat een zeer ruime interpretatie van de definitie van bouwkundig erfgoed mogelijk maakte. Meestal heeft een geselecteerd inventarisobject niet één bepaalde erfgoedwaarde, maar gaat het om een wisselwerking tussen meerdere waarden. Er was grote aandacht voor straatbeelden en ensembles; naast religieuze, burgerlijke en industriële gebouwen selecteerde men een ruim aantal doorsneewoningen en -constructies, representatief voor de basisbebouwing van een bepaalde gemeente of streek. Kleinere bouwkundige elementen, zoals straatmeubilair, kregen systematisch hun plaats in de inventarissen. Een ander belangrijk aspect bij de selectie dat het decreet van 1976 genereerde, was het achterwege laten van de chronologische limiet. In principe bestond er sindsdien geen chronologische limiet meer voor opname in de inventarissen, maar in praktijk werd deze toch vastgesteld op circa 1940. Dit sloot echter de optekening van recentere gebouwen niet uit. Verder hield men rekening met volgende criteria: de zeldzaamheid, de herkenbaarheid, de authenticiteit, de representativiteit, de ensemblewaarde en de contextwaarde.

Deze waarden en criteria worden niet afzonderlijk beschouwd. Het is de globale beoordeling die het uitgangspunt vormt voor de evaluatie. Voor opname in de inventaris van het bouwkundig erfgoed dienen de waarden en criteria afgetoetst te worden binnen het geografische kader van het inventarisproject. Met andere woorden: de opname van een gebouw of object in de inventaris wordt nooit object per object besloten, maar steeds in het kader van de erfgoedwaarde-afweging van een groep van gebouwen of objecten per regio en/of per type. Hoewel de inventaris van de kantons Bilzen en Maasmechelen formeel als een apart boekdeel is gepubliceerd in de publicatiereeks, gebruikte het inventaristeam bij de selectie van het erfgoed de inventarisgegevens uit de toen lopende inventarisprojecten in het volledige arrondissement, om een weloverwogen en ruim selectiekader te creëren.

Inventaris bouwkundig erfgoed in Maasmechelen

Op basis van deze waarden en criteria selecteerde men in 1993-1996 in Maasmechelen, bestaande uit Boorsem, Eisden, Leut, Mechelen-aan-de-Maas, Meeswijk, Opgrimbie, Uikhoven en Vucht, 265 panden en constructies met erfgoedwaarde voor opname in de inventaris bouwkundig erfgoed.

Tot begin 20ste eeuw waren alle deelgemeenten van Maasmechelen landbouwdorpen. Dat landelijke dorpskarakter is nog afleesbaar in Boorsem, Leut, Meeswijk, Oprgrimbie met gehucht Daalgrimbie en Uikhoven. Eisden, Mechelen-aan-de-Maas en Vucht daarentegen ondergingen vanaf begin de 20ste eeuw een enorme metamorfose door de oprichting van de steenkoolmijn in Eisden. De sporen van de Limburgse steenkoolmijnen zijn opvallend in het landschap aanwezig onder de vorm van terrils en uitgestrekte mijnterreinen, gedomineerd door schachttorens en monumentale kantoorgebouwen. Het bouwkundig erfgoed gelinkt aan de mijnbouw omvat meer dan het industrieel-archeologisch aspect. De ontginning bracht het ontstaan van grote tuinwijken en mijncités met zich mee, die het voorheen amper ontgonnen landelijke heidegebied totaal transformeerden.

Tot in de 20ste eeuw leefde Eisden van de landbouw, uitgeoefend in kleine bedrijven op de heide. In 1907 werd de steenkoolmijn van Eisden opgericht; zij werd functioneel vanaf 1923. De infrastructuur en de monumentale mijngebouwen zijn integraal opgenomen in de inventaris bouwkundig erfgoed nemen er een grote en uitzonderlijke plaats in. Niet enkel de mijn zelf, maar ook de zeer omvangrijke cité van Eisden ten zuidwesten van de mijn, is opgenomen in de inventaris. Een eerste bouwfase dateert van 1911 tot 1913; tot in de jaren 1950 werd de wijk in verschillende fases uitgebreid. Een opvallende baken in de cité is de monumentale Sint-Barbarakerk uit 1934-1937 naar ontwerp van architect Auguste Vanden Nieuwenborg. De tuinwijken breidden zich verder uit in zuidelijke richting: ook in Vucht en Maasmechelen bouwde men tuinwijken voor de mijn van Eisden. Tot de 20ste eeuw was Mechelen-aan-de-Maas een klein landbouwdorp. Een belangrijke uitbreiding van de bewoning was de bouw van de Tuinwijk Mechelen-aan-de-Maas vanaf eind jaren 1940. Ook in Vucht, één van de Maaslandse dorpen, ontstond in functie van Eisden-mijn een grote tuinwijk, gebouwd in 1946-47.

De inventaris bouwkundig erfgoed van Maasmechelen bevat naast het typerende erfgoed gekoppeld aan de mijngeschiedenis, ook het erfgoed dat het oorspronkelijke, landelijke dorpskarakter van de deelgemeenten weerspiegelt. Meeswijk bewaarde het dorpspatroon van een typisch, Maaslands dorp, met de hoofdstraat parallel met de Maas. Ook Uikhoven bewaarde de kenmerken van een landbouwersdorp. Opgrimbie en het gehucht Daalgrimbie vormen een straatdorp dat zich ontwikkelde op het tracé van de Romeinse heirbaan Tongeren-Nijmegen. De kern van het dorp bleef steeds de oude heirbaan (Heirstraat), waaraan zich aan de oostzijde (Kerkstraat) de oude kerk bevond. Ook in Eisden, Vucht en Mechelen-aan-de-Maas bleven de oude dorpskernen bewaard, met hun typisch bouwkundig erfgoed. Het bouwkundig erfgoed dat van dit historische dorpskarakter getuigt zijn de openbare gebouwen zoals parochiekerk en pastorie, de gemeentehuizen en gemeentescholen en de eenvoudige dorpsarchitectuur zoals dorpswoningen met eenvoudige bakstenen lijstgevels. Aangezien het gebied geen grote, stedelijke kernen kent is het aantal openbare gebouwen beperkt en van bescheiden omvang. De meeste gemeentehuizen en bijhorende gemeentescholen zijn eenvoudige 19de-eeuwse gebouwen. Vermeldenswaardige en typerende voorbeelden zijn het gemeentehuis en de gemeenteschool in Leut. De twee gemeentehuizen van Mechelen-aan-de-Maas illustreren de plotse en snelle groei op economisch gebied begin 20ste eeuw: het oude bescheiden gemeentehuis aan de oude dorpskern wordt in 1900 vervangen door een monumentaal gebouw aan het nieuwe, effectieve centrum, de rijksweg naar Maaseik. In deze gemeente dient ook het monumentale Heilig-Hartcollege vermeld van 1914. Dezelfde ontwikkeling gaf het ontstaan aan de recente gemeentehuizen van Eisden (1952) en Vucht (1955), in een regionalistische stijl.

De aansluiting bij de bouwstijlen die in de belle époque opgang maakten, is ook zichtbaar in een vrij beperkt aantal burgerhuizen in Maasmechelen, opgetrokken in neoclassicisme, of in eclectische of neorenaissancestijl. Wat betreft Maasmechelen merkt de auteur van de inventaris op dat er rekening moet mee gehouden worden dat het om een ruraal gebied gaat, dat tot in het begin van de 20ste eeuw minder snel aansluiting vindt bij eigentijdse architectuurstijlen. De meeste woningen in de dorpskernen zijn dus bescheiden bakstenen woningen, soms nog met bewaarde delen in vakwerkbouw. De beperkte voorbeelden van moderne architectuur uit de 20ste eeuw, zoals art deco en nieuwe zakelijkheid, situeren zich niet in de oude dorpskernen, maar in de tuinwijken van de mijn.

Herkenbaar symbool van de oude dorpskernen zijn de parochiekerken. Ondanks de vroege stichting van een aantal parochies bleven zeer weinig resten van de oorspronkelijke kerken bewaard in deze streek. Tot de oudste in Maasmechelen behoren het gotische koor van de oude kerk van Opgrimbie (16de eeuw) en de onderste geleding van de toren van Eisden (13de eeuw). Typisch voor de streek zijn het grote aantal 18de-eeuwse classicistische kerken. De kerk van Meeswijk van 1788 is een voorbeeld. Zoals overal in Vlaanderen zijn de meeste kerken 19de-eeuws, in neostijlen. Na 1840 worden in het gebied een vrij groot aantal kerken in neoclassicisme gebouwd: in Mechelen-aan-de-Maas (1841-44) en in Vucht (1840-42). De neogotiek is de overheersende in de tweede helft van de 19de eeuw en blijft tot de jaren 1920 de kerkenbouw in het bestudeerde gebied bepalen. De kerk van Opgrimbie (1906) is hier een voorbeeld van. In dezelfde periode is het neoromaans vrijwel even sterk vertegenwoordigd in deze streek. Er zijn voorbeelden in Leut (1875-76) en in Eisden (K. Gessler, 1929-32). De kapel van het Heilig-Hartcollege van Mechelen-aan-de-Maas (1914) is ook in deze stijl gebouwd. Naast de parochiekerken zijn in deze streek ook de kastelen bij de oudste bouwkundige getuigen. Een site met hoge historische waarde in Maasmechelen is het Kasteeldomein Vilain XIIII in Leut. Ontstaan uit een burcht, getuigt het kasteeldomein van de verschillende stijlevoluties doorheen de 18de en 19de eeuw.

De landelijke architectuur is, naast het mijnerfgoed, de belangrijkste component van de architectuur in de gemeente Maasmechelen. Tot het einde van de 19de eeuw was het gebied volledig ruraal. De belangrijkste component van de landelijke architectuur is de hoevebouw. Het gaat vooral om relatief kleine hoeves, schuren, boerenwoningen of boerenburgerhuizen uit de 19de en begin 20ste eeuw. Men registreerde ook een aantal historische hoeves uit de 17de eeuw zoals de monumentale gesloten Hoeve Monnikhof en Hoeve Palmenhof. Eveneens behorend tot het landelijke bouwkundig erfgoed zijn de wind- en watermolens.

  • MARTENS L. 1996: Woord vooraf, in: SCHLUSMANS F., Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Tongeren, Kantons Bilzen - Maasmechelen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 14n3, Brussel - Turnhout.

Auteurs: Hooft, Elise
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Relaties

Is deel van

Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen

Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant, West-Vlaanderen

Bekijk gerelateerde erfgoedobjecten


Je kan deze pagina citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2026: Inventarisatie bouwkundig erfgoed Maasmechelen [online], https://id.erfgoed.net/gebeurtenissen/703 (geraadpleegd op ).

Beheerder fiche: Agentschap Onroerend Erfgoed

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.