Gebeurtenis

Inventarisatie bouwkundig erfgoed Lommel

geografische inventarisatie
ID
734
URI
https://id.erfgoed.net/gebeurtenissen/734

Beschrijving

De inventaris bouwkundig erfgoed van de gemeente Lommel werd gepubliceerd in 2005 in boekdeel 19n2 van de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Een inventarisonderzoeker van de Afdeling Monumenten en Landschappen van de Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumentenzorg (AROHM) maakte de inventaris op. Het onderzoek in het kanton Neerpelt, waartoe Lommel behoort, werd gestart in maart 2000 en afgerond in mei 2001, met uitzondering van de fabriek van Overpelt, die pas in december 2003 werd opgetekend. De resultaten van het onderzoek werden gepubliceerd in 2005. De inventarisatie van bouwkundig erfgoed in Lommel leverde 125 inventarisfiches op.

Context en doelstelling

Het boekdeel 19n2 bevat de inventaris bouwkundig erfgoed van de gemeenten gelegen in het kieskanton Neerpelt, namelijk Hamont-Achtel, Lommel en Neerpelt en Overpelt, die nu gefusioneerd zijn tot Pelt. Het is één van de drie inventarisdelen die samen het bouwkundig erfgoed omvatten van het arrondissement Maaseik. Het inventarisproject Bouwen door de eeuwen heen nam het arrondissement steeds als geografische basis voor het onderzoek, om zo een voldoende ruime geografische blik te garanderen. Met het arrondissement Maaseik konden de inventaristeams van de provincie Limburg hun inventarisproject afronden.

Het inventarisproject in het arrondissement Maaseik speelde zich af op een kantelmoment in de geschiedenis van het project Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. Met als hoofdbedoeling de doorlooptijd van inventarisatie naar beschermingsdossier in te korten, viel in het jaar 2000 de beslissing de publicatie van de inventarissen in de boekenreeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen stop te zetten. Aan de basis van die beslissing lag de beschermingspolitiek van minister Johan Sauwens, die in 2000 bevoegd was voor monumenten- en landschapszorg. De minister wilde zeer intensief inzetten op beschermen van bouwkundig erfgoed. Hij zag een beschermingspakket als een logische stap na de afwerking van de inventaris van een gemeente, en wilde dit proces versneld zien. Hij vroeg om binnen zijn regeerperiode, dus voor 2004, het inventarisproject voor heel Vlaanderen af te werken, om op die manier in elke gemeente in Vlaanderen de nodige monumenten te kunnen beschermen. Paul Van Grembergen, die Sauwens in 2001 opvolgde als bevoegde minister, zette dit beleid onverminderd verder.

De beleidsbrief is duidelijk: “Teneinde eind 2003 de lopende inventaris van het bouwkundig erfgoed van het Vlaams gewest af te ronden zal vanaf 2001 een versnelde inventarisatie plaatsvinden waarbij in de eerste plaats aandacht zal besteed worden aan de selectie van de voor bescherming vatbare monumenten.” De inventarisploeg in Limburg, die op een zucht stond van de afwerking van de inventaris in het arrondissement Maaseik, mocht de lopende inventarisaties en de geplande publicaties afwerken volgens de klassieke methodologie en hoefde niet over te stappen op een versnelde aanpak van de inventarisatie. Met de drie boekdelen 19n1, 19n2 en 19n3 die tegelijkertijd in 2005 werden gepubliceerd, konden ze de inventarisatie van bouwkundig erfgoed in de volledige provincie Limburg afronden, goed voor negen boekdelen uitgebracht tussen 1981 en 2005.

De doelstellingen van de inventarisatie in de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen bleven doorheen de hele reeks steeds dezelfde:

  1. Vooreerst wil de inventaris een beschermingsinstrument zijn als uitgangspunt voor de op te stellen lijsten van te beschermen monumenten, stads- en dorpsgezichten; de verzamelde basisdocumentatie geeft immers een beter overzicht van het bestaande bouwkundig erfgoed en vergemakkelijkt elke evaluatie voor mogelijke beschermingsvoorstellen.
  2. Vervolgens wil hij een gids zijn voor de architectuur van de streek.
  3. Ten slotte wil hij door een eerste, verbeterbaar overzicht te geven van het bouwkundig erfgoed, een uitgangspunt vormen voor verder wetenschappelijk onderzoek.

Methodologie

De inventarismethodologie nam het arrondissement steeds als studiegebied voor de geografische aanpak van het onderzoek en de selectie. Door de ruimere selectiecriteria was de publicatie van de inventaris van één arrondissement per boekdeel al snel niet meer haalbaar, waardoor men vanaf 1988 overschakelde naar kieskantons. De schaal van een kanton garandeert een nog voldoende ruime geografische en historische samenhang. Dat deed men ook voor het arrondissement Maaseik, dat in drie boekdelen werd gepubliceerd. Boekdeel 19n1 omvat het bouwkundig erfgoed van de kantons Bree en Maaseik, 19n2 van het kanton Neerpelt, en 19n3 van het kanton Peer. De drie boekdelen werden tegelijkertijd in 2005 gepubliceerd.

De werkwijze bij het opstellen van de inventaris van de gemeenten in boekdeel 19n2, Hamont-Achel, Lommel, Neerpelt en Overpelt, volgt de basisprincipes van de inventarismethodologie van het project Bouwen door de eeuwen heen. Veldwerk vanop de openbare weg is de basis voor de evaluatie en de selectie van het bouwkundig erfgoed. Registratie van de visuele waarnemingen ter plaatse op een veldwerkfiche en fotografische opnames vulden elkaar aan. Het onderzoek van de interieurs bleef beperkt tot kerken en een aantal openbare gebouwen.

Om de belangrijkste gebouwen in hun context te situeren en eventueel hun vroegere functie en evolutie te belichten, consulteerde men standaard de voornaamste bibliografische bronnen. Omwille van tijdsefficiëntie behoorde een grondige consultatie van niet-gepubliceerd archiefmateriaal echter nooit tot de methodologie van het project Bouwen door de eeuwen heen. De onderzoekers beperkten zich voor dit boekdeel tot de dossiers in het eigen archief, een aantal historische kaarten waaronder de Ferrariskaart en het archief van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen voor wat de kerken betreft. Zowel in het woord vooraf als bij de verantwoording benadrukt men de waarde van de expertise van collega’s en lokale erfgoedgemeenschappen; de bevraging van bewoners, eigenaars, plaatselijke kringen en specialisten maakte een belangrijk deel uit van de methodologie.

De beschrijving van het erfgoed gebeurde volgens het stramien uit de inventarismethodologie. Die beschrijvingen werden, mee evoluerend met de professionalisering van de monumentenzorg, steeds uitgebreider en gespecialiseerder. Bij de eerste inventarissen maakte men de beschrijving op basis van een visuele evaluatie en screening van het erfgoed ter plaatse. Vanaf de jaren 1990 vulde men dat aan met onderzoek van beschikbare literatuur en archiefonderzoek. Deze bouwhistorische achtergrondinformatie kon de gebouwen in hun context situeren, hun vroegere functie en evolutie belichten, en op die manier de erfgoedwaarde extra motiveren. Deze contextuele aanpak resulteerde in de introductie van beschrijvingen van straatbeelden en (deel)gemeente-inleidingen. Bij het begin van elk boekdeel legde een algemene inleiding het verband tussen het bouwkundig erfgoed en de geografische, landschappelijke en historische en stedenbouwkundige omgeving en evolutie. Bij boekdeel 19n2 maakte men een uitgebreide algemene inleiding voor de inventaris bouwkundig erfgoed van het kanton Neerpelt. Lommel kreeg ook, net als de andere gemeenten in het boekdeel, een gemeenteinleiding.

Waarden en criteria voor opname in de inventaris bouwkundig erfgoed

Men selecteerde panden en constructies binnen de afgebakende geografische context steeds omwille van de op dat moment geldende erfgoedwaarden, vermeld in de wetgeving. De inventarisatie van het bouwkundig erfgoed in het kanton Neerpelt gebeurde in 2000-2005. Men gebruikte bij de inventarisatie de criteria opgenomen in het decreet van 3 maart 1976 en gewijzigd bij decreet van 22 februari 1995. Vanaf 1976 werd bouwkundig erfgoed geselecteerd op basis van de artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde, wat een zeer ruime interpretatie van de definitie van bouwkundig erfgoed mogelijk maakte. Er was grote aandacht voor straatbeelden en ensembles; naast religieuze, burgerlijke en industriële gebouwen selecteerde men een ruim aantal doorsneewoningen en -constructies, representatief voor de basisbebouwing van een bepaalde gemeente of streek. Kleinere bouwkundige elementen, zoals straatmeubilair, kregen systematisch hun plaats in de inventarissen. Meestal heeft een geselecteerd inventarisobject niet één bepaalde erfgoedwaarde, maar gaat het om een wisselwerking tussen meerdere waarden.

Een ander belangrijk aspect bij de selectie dat het decreet van 1976 genereerde, was het achterwege laten van de chronologische limiet. In principe bestond er sindsdien geen chronologische limiet meer voor opname in de inventarissen. In praktijk pasten de inventaristeams deze weggevallen limiet voor de meeste inventarissen met schroom toe. In de meeste gemeenten is er amper erfgoed geselecteerd jonger dan 1940.

Bij de selectie van bouwkundig erfgoed hield men rekening met volgende criteria: de zeldzaamheid, de herkenbaarheid, de authenticiteit, de representativiteit, de ensemblewaarde en de contextwaarde.

Deze waarden en criteria worden niet afzonderlijk beschouwd. Het is de globale beoordeling die het uitgangspunt vormt voor de evaluatie. Voor opname in de inventaris van het bouwkundig erfgoed dienen de waarden en criteria afgetoetst te worden binnen het geografische kader van het inventarisproject. Met andere woorden: de opname van een gebouw of object in de inventaris wordt nooit object per object besloten, maar steeds in het kader van de erfgoedwaarde-afweging van een groep van gebouwen of objecten per regio en/of per type.

Hoewel de inventaris van het kanton formeel in een apart boekdeel is gepubliceerd in de publicatiereeks, gebruikte het inventaristeam bij de selectie van het erfgoed de inventarisgegevens uit de toen lopende inventarisprojecten in het volledige arrondissement, om een weloverwogen en ruim selectiekader te creëren.

De druk om de publicaties snel af te werken, zorgde er echter voor dat men voor de kantons Neerpelt (19n2) en Peer (19n3) moest afwijken van gangbare methodologie bij de selectie. Voor het arrondissement Maaseik waren drie boekdelen voorzien. Het veldwerk en onderzoek in de kantons Neerpelt en Peer leverde echter veel meer bouwkundig erfgoed op dan binnen de twee volumes zou passen. Uitbreiden met extra volumes paste niet in de strakke timing die men voor ogen had. Daarom moest het inventaristeam schrappen in de selectie van bouwkundig erfgoed. In de verantwoordingen van deze twee laatste Limburgse boeken lezen we de keuze voor snelheid duidelijk af: “Het gaat om een zogenaamde “snel- of urgentie-inventaris”, waarbij niet elk bestanddeel van het architecturale patrimonium werd opgenomen, maar wel na selectie de meest waardevolle en/of gaaf bewaarde objecten, gebouwen of complexen werden weerhouden. Daar het boekblok aanvankelijk te veel pagina’s telde, werd een nog strengere selectie doorgevoerd. Kortom, niet elk langgestrekt Kempisch hoevetje komt ter sprake, laat staan elke dorpswoning.”

Inventaris bouwkundig erfgoed in Lommel

Op basis van deze waarden en criteria selecteerde het inventaristeam in 2000-2005 in Lommel 125 panden en constructies met erfgoedwaarde voor opname in de inventaris bouwkundig erfgoed.

De inventaris van Lommel getuigt van de algemene architecturale kenmerken die het onderzoeksteam definieerde voor het volledige kanton Neerpelt. Omwille van de strenge selectie in het boekdeel 19n2 zijn niet alle representatieve voorbeelden die men registreerde tijdens het veldwerk uitgewerkt als een erfgoedobject in de inventaris van Lommel; men koos voor de “meest waardevolle en/of de best bewaarde voorbeelden”, terwijl de meer doorsnee voorbeelden niet werden uitgewerkt.

De inventaris bevat veel streekeigen bouwkundig erfgoed: de bescheiden, kleinschalige langgestrekte hoeves, de in Limburg rijk vertegenwoordigde vakwerkbouw, de in Lommel talrijk aanwezige teutenwoningen, veel eenvoudige arbeiderswoningen en tuinwijken gelinkt aan de grote zinkfabrieken, veel parochiekerken en tal van voorbeelden van klein erfgoed.

De inventaris bouwkundig erfgoed bestaat in Lommel voor een groot deel uit landelijke, rurale gebouwen. We vinden de typische Kempische eenvoudige, kleinschalige hoeven terug, soms met grote schuur, en een tweetal molens. Het merendeel van de geïnventariseerde hoeves dateert uit de 19de eeuw. Het gaat vooral om kleine hoeven van het langgestrekte type voor met aaneenschakeling van woonhuis, koeienstal en schuur. In de hele regio zijn slechts enkele grote historische hoeves bewaard; in Lommel is er de Groote Hoef, eertijds toebehorend tot de abdij van Averbode, uitgegroeid tot de grootste hoeve van Lommel met bebouwing die opklimt tot de 15de-16de eeuw. Er zijn interessante voorbeelden in de streek van windmolens, waarvan er twee in de inventaris van Lommel staan. De Kempische regio kenmerkt zich door vakwerkbouw, wat ook in de inventaris van Lommel vertegenwoordigd is, met onder meer een aantal interessante schuren.

Een bijzonder voorbeeld van streekeigen architectuur waaraan men in de inventaris van dit kanton de nodige aandacht besteedde, is de zogenaamde 'Teutenwoning" die in de dorpen opvalt door ordonnantie en versiering. Teutenwoningen uiten zeer bewust de rijkdom van hun bouwheren: de Teuten zijn door Limburg en aangrenzende gebieden rondtrekkende handelaars; typisch voor de streek waar in de dorpscentra weinig winkels waren. Sommige schooltjes, kapellen en andere nutsvoorzieningen werden ook door Teuten gefinancierd en opgericht, waardoor deze lokale economische geschiedenis duidelijk vertaald wordt in de inventaris van Lommel.

De dorpswoningen, soms ook café of herberg, en de grote burgerwoningen die in de inventaris werden opgenomen, zijn voorbeelden van eenvoudige woonarchitectuur, doorgaans uit 19de of 20ste eeuw. Slechts in een aantal voorbeelden herkent men elementen uit eigentijdse bouwstijlen. Ook in de burgerhuizen of villa’s uit het interbellum, zijn de stijlkenmerken op een vereenvoudigde, versoberde manier verwerkt in de gevels. Van de metaalverwerkende industrie die zich in Lommel vanaf de ingebruikname van de spoorlijn Antwerpen-Mönchen-Gladbach in 1879 ontwikkelde, zijn weinig bouwkundige getuigen bewaard. Deze economische ontwikkeling resulteerde ook in de ontwikkeling van nieuwe tuinwijken, die wel goed vertegenwoordigd zijn in de inventaris van Lommel, met ook voorbeelden uit de 20ste eeuw, wat laat zien dat men ook oog had voor de erfgoedwaarde van recente architectuur.

Typisch voor dit kanton zijn de vele parochiekerken die hun plek kregen in de inventaris. Daarbij valt op dat er geen Romaanse kerken overbleven en slechts weinig gotische kerkdelen. Daarenboven besteedt de inventaris ook aandacht aan de 20ste-eeuwse kerken, getuige de voorbeelden in Lommel uit het interbellum, de jaren 1950 en 1980. Deze vinden we terug in de vele nieuwe woonkernen die in de loop van de 20ste eeuw ontstonden in Lommel.

De burgerlijke openbare gebouwen in Lommel, zoals landelijke gemeentehuizen en scholen, klimmen op tot de tweede helft van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. Het gaat om bescheiden bakstenen constructies, soms met elementen uit neogotiek of neo-Vlaamse renaissance. Een opmerkelijke uitzondering is het midden 19de-eeuwse neoclassicistische raadhuis van Lommel.

Lommel heeft door de ligging aan de Belgisch-Nederlandse grens een belangrijke rol gespeeld in beide Wereldoorlogen. Getuigen van deze internationale conflicten zijn de Duitse en Poolse militaire begraafplaatsen, oorlogsgedenktekens en een aantal bunkers.

Typerend voor de ruime blik op bouwkundig erfgoed van de inventaristeams zijn de voorbeelden van klein erfgoed die werden beschreven, zoals kapellen, een pomp, kiosk, een grenspaal uit 1843 en een Mariapark.

  • PAUWELS D. 2005: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Maaseik, Kanton Neerpelt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 19n2, Brussel - Turnhout.
  • S.N. 2005: Verantwoording, in: PAUWELS D., Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Maaseik, Kanton Neerpelt, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 19n2, Brussel – Turnhout, VII-X.

Auteurs: Hooft, Elise
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Relaties

Is deel van

Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen

Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant, West-Vlaanderen

Bekijk gerelateerde erfgoedobjecten


Je kan deze pagina citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2026: Inventarisatie bouwkundig erfgoed Lommel [online], https://id.erfgoed.net/gebeurtenissen/734 (geraadpleegd op ).

Beheerder fiche: Agentschap Onroerend Erfgoed

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.