Gebeurtenis

Inventarisatie bouwkundig erfgoed Antwerpen

geografische inventarisatie
ID
902
URI
https://id.erfgoed.net/gebeurtenissen/902

Beschrijving

De inventaris bouwkundig erfgoed van de stad Antwerpen en districten Berchem, Berendrecht, Borgerhout, Deurne, Hoboken, Lillo, Merksem, Wilrijk en Zandvliet werd opgemaakt van 1976 tot 1992 door een inventaristeam van de bevoegde centrale overheid. In 1976 was dat de Rijksdienst voor Monumenten en Landschappen, vanaf 1983 werkte het team onder het Bestuur voor Monumenten en Landschappen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De inventaris bouwkundig erfgoed van Antwerpen werd gepubliceerd in de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen en neemt vier boekvolumes in beslag: 3na, 3nb, 3nc en 3nd. Het inventarisproject in Antwerpen startte in 1975 met het veldwerk voor boekdeel 3na in het centrum van Antwerpen en eindigde in 1992 met de publicatie van boekdeel 3nd. Het volledige project leverde 4.630 inventarisfiches op.

Context en doelstellingen

De boekdelen van Antwerpen werden tussen 1976 en 1992 gepubliceerd door de Rijksdienst voor Monumenten en Landschappen in de reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. De Rijksdienst maakte bij het begin van het project deel uit van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur. Met de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, die er kwam door de Tweede Staathervorming, werd "monumenten en landschappen" een bevoegdheid van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De Rijksdienst was dus niet langer een federale instelling die bevoegd was voor het Vlaamse grondgebied; ze werd nu een Vlaamse instelling. In 1983 werd binnen dat Ministerie het Bestuur voor Monumenten en Landschappen opgericht, georganiseerd met een hoofdbestuur en vijf provinciale buitendiensten. Het hoofdbestuur in Brussel evalueerde het beleid en zette het om in de praktijk. De buitendiensten, gevestigd in Antwerpen, Brugge, Gent, Leuven en Sint-Truiden, waren verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid. De ambtenaren in de buitendiensten stelden beschermingsdossiers op, volgden het beheer van het beschermd onroerend erfgoed op, en waren verantwoordelijk voor de opmaak van de inventaris bouwkundig erfgoed. In elk van de vijf buitendiensten werkte een team van drie tot vier inventarismedewerkers.

Het eerste inventarisboek 3na is gewijd aan de historische binnenstad van Antwerpen en is verschenen in 1976. De inventaris in dit boekdeel bestrijkt het gebied binnen de zogenaamde middeleeuwse vesten van rond 1250. De registratie van het erfgoed ter plaatse startte in 1975. In 3na werd een specifieke aanpak voor het inventariseren van grote historische steden voorgesteld, afwijkend van de alfabetische aanpak van alle straten binnen een gemeente. De stad werd in aparte delen gesplitst, rekening houdend met de historisch-stedenbouwkundige groei.

De volgende inventarisdelen omschrijven concentrische gebieden die zich steeds verder van de oude stadskern verwijderen. In het tweede deel 3nb wordt de tweede, 16de-eeuwse stadsuitbreiding tot aan de Spaanse vesten geregistreerd, wat overeenkomt met het tracé van de huidige leien, namelijk Amerikalei, Britselei, Frankrijklei en Italiëlei. Het gedeelte van de 19de-eeuwse Zuidwijk dat binnen deze begrenzing valt, werd ook in dit boekdeel meegenomen. Het onderzoek ter plaatse werd aangevat begin augustus 1976 en werd afgesloten op 31 juli 1978. Het volume rolde een jaar later, in 1979, van de persen.

Pas tien jaar later, in 1989, verscheen het derde boekdeel voor de stad Antwerpen, boekdeel 3nc. Het neemt het gebied van de 19de- en 20ste-eeuwse stadsontwikkeling onder de loep. Het gaat om het gebied van de stad tussen de leien en de voormalige Brialmontvesting van 1860-1865, waarop nu de singel of kleine ring rond de stad is aangelegd. Het veldwerk en bibliografisch onderzoek startte men op 1981. Het proces werd onderbroken om prioriteit te geven aan de publicatie van de boekdelen over het arrondissement Antwerpen, en de bijhorende uitwerking van beschermingsdossiers. Het inventaristeam ging weer aan de slag in de stad Antwerpen in 1986. Na controle- en aanvullende plaatsbezoeken, archiefonderzoek en uitwerken van de teksten, publiceerde men de inventaris van 3nc in 1989.

3nd is het vierde en laatste inventarisdeel in de reeks gewijd aan de stad Antwerpen. Het omvat de grootste gebiedsuitbreiding van de stad, namelijk het havengebied en de negen gemeenten waarmee de stad fuseerde, en die nu districten zijn van de stad Antwerpen. Berendrecht, Lillo en Zandvliet werden in 1958 bij Antwerpen gevoegd in het kader van de havenuitbreiding. De gemeenten Berchem, Borgerhout, Deurne, Hoboken, Merksem en Wilrijk sloten aan bij de fusie van 1983.

Het volledige inventarisproject in Antwerpen kan gezien worden als een doortastende vertaling van de nieuwe waarden en principes uit het Monumentendecreet van 3 maart 1976. Het decreet definieerde de begrippen "monumenten" en "stads- en dorpsgezichten", waarbij deze laatste als doel hadden monumentenzorg ruimer te zien dat het monument op zich, en ruime aandacht te besteden aan ensembles, aan de context waarin het bouwkundig erfgoed zich bevindt. De in het decreet vermelde "artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische en andere sociaal-culturele waarden" legitimeerden de reeds ingezette typologische uitbreiding, afgestemd op de in het monumentenjaar 1975 "ontdekte" bescheiden architectuur en het industrieel-archeologische erfgoed. Van belang is verder dat men in het decreet een chronologische limiet voor monumenten achterwege liet: ook recentere, 19de en 20ste-eeuwse architectuur werden een evidentie in de monumentenzorg. Met dit decreet werden de sterk verruimde waarden en criteria voor bouwkundig erfgoed decretaal verankerd.

De typologische en chronologische verbreding in het decreet en de versmelting met de beschermingen die daaruit moesten voortvloeien, hadden een onmiddellijke weerslag op de inventarissen van Antwerpen, die werden opgemaakt tijdens de voorbereiding van en kort na het verschijnen van het Monumentendecreet. De vervlechting van de inventarispraktijk in Antwerpen met de moderne visie op monumentenzorg in het gloednieuwe decreet is heel sterk. Minister Rika De Backer-Van Ocken benadrukte het belang van het nieuwe decreet in het woord vooraf van boekdeel 3na voor de opeenvolgende processen inventariseren en beschermen: "Door dit decreet krijgt de actie tot inventarisering een wettelijke waarde. Het decreet voorziet immers (...) de bescherming van monumenten, die per gemeente op afzonderlijke lijsten worden gebracht. Bijgevolg kan de inventarisering onmiddellijk gekoppeld worden aan de wettelijke bescherming. Door het invoeren in het decreet van het begrip stads- en dorpsgezicht is het meteen mogelijk bij de bescherming van het monument, ook de onmiddellijke omgeving ervan te betrekken."

Ondanks de nieuwe benadering van de inventaris, werd de inventaris bouwkundig erfgoed van Antwerpen met de standaard drie doelstellingen opgemaakt die golden voor de hele reeks Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen:

  1. Vooreerst wil de inventaris een beschermingsinstrument zijn, als uitgangspunt voor de op te stellen lijsten van te beschermen monumenten, stads- en dorpsgezichten.
  2. Vervolgens wil de inventaris een gids zijn voor de architectuur van de stad.
  3. Tenslotte wil hij door een eerste, verbeterbaar overzicht te geven van het bouwkundig erfgoed, een uitgangspunt vormen voor verder wetenschappelijk onderzoek.

Methodologie

Het eerste boekdeel van Antwerpen (3na) is van groot belang in de evolutie van de inventarismethodologie. In dit boek werd een nieuwe, specifieke methodologie voor het inventariseren van grote historische steden voorgesteld, afwijkend van de alfabetische aanpak van alle straten binnen een gemeente. De stad werd in aparte delen gesplitst, rekening houdend met de historisch-stedenbouwkundige groei. De methodologie werd voor de volledige inventaris van Antwerpen toegepast. Ook Gent, Mechelen en Brugge zullen op eenzelfde leest geschoeid worden. Essentieel is dat deze aanpak een gefaseerd onderzoek mogelijk maakte per historisch stadsdeel en daardoor de tussentijd tussen onderzoek en publicatie sterk reduceerde.

De nieuwe methodologie vertaalt zich duidelijk in de publicatievorm. Het inventaristeam deelde de historische stad op in aparte delen, op basis van de historisch-stedenbouwkundige groei. Elk stadsdeel kreeg zijn eigen boek, waarbij eerst de oudste in het stadsweefsel nog herkenbare kern aan de beurt was en men in de volgende boeken de omliggende jongere stadsdelen verwerkte. Essentieel in deze methodologie was dat voor elk deel een eigen manier van registreren, selecteren, onderzoeken en beschrijven werd uitgewerkt, optimaal afgestemd op de eigenheid van het bouwkundig erfgoed in dat stadsdeel.

Veldwerk vanop de openbare weg bleef de basis voor de evaluatie en de selectie van het bouwkundig erfgoed. Registratie van de visuele waarnemingen ter plaatse op een veldwerkfiche en fotografische opnames vulden elkaar aan. Voor het eerst vonden ook privé-interieurs hun weg naar de inventaris, daar waar de standaard methodologie enkel interieurs van kerken en een aantal openbare gebouwen in beschouwing nam. Het opzet van een snelinventaris hield een systematische screening van bewaarde interieurs tegen. Men registreerde voor de historische binnensteden evenwel de in de literatuur vermelde, gaaf bewaarde privé-interieurs in de inventaris, daarbij niet enkel de historische maar ook de 19de- en 20ste-eeuwse in rekening nemend.

Voor de binnenstad van Antwerpen maakte het inventaristeam een belangrijke uitzondering op de standaard methodologie om archiefonderzoek te beperken tot het meest essentiële. Bij het onderzoek voor de Antwerpse inventaris werd het veldwerk opmerkelijk goed onderbouwd door bijkomend bibliografisch onderzoek en archiefwerk. Voor boekdeel 3na werden de 19de-eeuwse bouwaanvragen in het stadsarchief systematisch bekeken. Boekdeel 3nb getuigt van een continuïteit in de aanpak: men bekeek systematisch de bouwaanvragen tot 1870 en raadpleegde een uitgebreide literatuurlijst. De bouwaanvragen na 1870 raadpleegde men niet systematisch. Dit pakket dossiers achtte men te omvangrijk om binnen het bestek van een snelinventaris te kunnen onderzoeken. Voor de vooral 19de- en 20ste-eeuwse wijken in 3nc was de omvang van het pakket archiefstukken eveneens te groot om alles door te nemen. Voor kerken, pastorieën en scholen werden gegevens geput uit het Provinciaal Archief. Bouwdossiers uit de 19de eeuw bekeek men steeksproefgewijs. Bij het boekdeel 4nd worstelt men ook met de grote hoeveelheid aan bouwdossiers, dat te omvangrijk is om systematisch te consulteren binnen de vooropgestelde tijd. Daarenboven introduceerden de onderzoekers in dit boekdeel het onderzoek van mutatieregisters en schetsen van het kadaster, waarmee ze een zeer betrouwbare terminus ante quem aanleveren voor alle bebouwing na circa 1831.

Het diepgaande voorbereidende archiefonderzoek had zijn weerslag op de samenstelling van de publicatie. De beschrijvingen van de erfgoedobjecten werden gedetailleerder en preciezer. Men probeerde bij zoveel mogelijk gebouwen de ontwerpende architect te vermelden, wat leidde tot een steeds langer wordend personenregister achteraan het boek. Ook in de historische inleidingen van de boekdelen lezen we het effect af van deze inhoudelijke uitdieping. Deze inleidingen beschrijven vrij gedetailleerd de evolutie van de architectuur van de wijken die in het boekdeel werden behandeld, daarbij expliciet steunend op een grondige literatuur- en archiefstudie.

De volgorde van de beschrijvingen in de boekdelen wijzigde eveneens onder invloed van de ideeën in het Monumentendecreet, dat focust op bouwkundige ensembles, op de context, eerder dan op gebouwen op zich. Om ensembles duidelijker af te kunnen lezen in de inventaris, gooide men de volgorde van de teksten om. Grote openbare gebouwen als kerken, kastelen, enzovoort kwamen vanaf dan niet meer meteen na de gemeente-inleiding, maar werden in de tekst volgens hun adres behandeld. Zo konden ze meteen gelezen worden in hun ruimtelijke context, tussen de gebouwen in diezelfde straat. Met die optiek werden vanaf dan ook eerst de onpare huisnummers beschreven, en daarna de pare: men hoopte zo een duidelijker beeld te kunnen geven van de straatwanden. Deze contextuele aanpak introduceerde daarenboven straatinleidingen, waarin de aparte gebouwen zowel ruimtelijk als historisch gesitueerd worden en er ook niet strikt architecturale componenten staan. Deze straatnota’s vulden de algemene inleiding vooraan het boek aan.

In deze straatnota’s beschreef men in boekdeel 3nb ook geselecteerde huizenrijen getypeerd door een gelijkaardig gabarit en homogene of vergelijkbare gevelafwerking. Men koos er voor om deze woningen niet als een apart item of object te beschrijven, maar als geheel, als huizenrij, als ensemble. In praktijk komt het erop neer dat enkel die panden die afweken van de homogene, doorgaans neoclassicistische gevelarchitectuur in de 19de-eeuwse wijken, een eigen beschrijving kregen, een eigen inventarisfiche. Een goed voorbeeld van die werkwijze is de inventaris in de Zuidwijk, die omwille van het homogeniteit als één ensemble werd behandeld. We zien dat rijk uitgewerkte gevels in meer decoratieve stijlen zoals neo-Vlaamserenaissance-stijl, eclecticisme of art nouveau een aparte fiche kregen, en na de algemene beschrijving van het straatbeeld toch apart werden beschreven. De art nouveau is daarbij in vergelijking met andere stijlen goed vertegenwoordigd: men kon in Antwerpen rekenen op het grondige onderzoek, ook van de archiefstukken, die twee thesisstudenten op dat moment uitvoerden. Deze synthetiserende manier van werken voor 19de- en 20ste-eeuwse basisarchitectuur is inhoudelijk, vanuit een historisch-stedenbouwkundige benadering van de stedelijke architectuur, zeker te verdedigen. De inventaristeams zochten een manier om de grote aantallen te inventariseren erfgoed te verwerken in de inventaris. Dit moesten ze doen op een relatief hoog tempo en binnen de grenzen die de uitgevers aan de volumes van de boekdelen stelden. In praktijk komt het er wel op neer dat honderden 19de-eeuwse burgerhuizen die men voor 3nb inventariseerde bij de invoer in de inventariswebsite niet bij de erfgoedobjecten te vinden zijn, maar bij de geografische thema’s.

Waarden en criteria voor opname in de inventaris bouwkundig erfgoed

De opname van een pand of constructie in de inventaris van het bouwkundig erfgoed is steeds gemotiveerd door de waarden zoals vermeld in de wetgeving. De panden en constructies worden binnen de afgebakende geografische context steeds geselecteerd omwille van de dan geldende waarden. Die waarden werden doorheen de tijd steeds verder uitgebreid. In de Monumentenwet van 1931 werden de historische, artistieke en wetenschappelijke waarde bepaald. Vanaf het Monumentendecreet van 1976 werd bouwkundig erfgoed geselecteerd op basis van de artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde. Meestal heeft een geselecteerd inventarisobject niet één bepaalde erfgoedwaarde, maar gaat het om een wisselwerking tussen meerdere waarden. Verder hield men rekening met volgende criteria: de zeldzaamheid, de herkenbaarheid, de authenticiteit, de representativiteit, de ensemblewaarde en de contextwaarde.

De waarden en criteria worden niet afzonderlijk beschouwd. Het is de globale beoordeling die het uitgangspunt vormt voor de evaluatie. Voor opname in de inventaris van het bouwkundig erfgoed dienen de waarden en criteria afgetoetst te worden binnen het geografische kader van het inventarisproject. Met andere woorden: de opname van een gebouw of object in de inventaris wordt nooit object per object besloten, maar steeds in het kader van de erfgoedwaarde-afweging van een groep van gebouwen of objecten per regio en/of per type. Hoewel de inventaris van de verschillende delen van Antwerpen formeel als apart boekdelen zijn gepubliceerd in de publicatiereeks, gebruikte het inventaristeam bij de selectie van het erfgoed de inventarisgegevens uit alle toen lopende inventarisprojecten, om een weloverwogen en ruim selectiekader te creëren. De centrale sturing en redactie door Suzanne Van Aerschot-Van Haverbeeck zorgde voor een algemene blik over heel Vlaanderen bij deze selectie.

De Antwerpse inventarisonderzoekers waren nauw betrokken bij en sterk beïnvloed door het nieuwe decreet, en vertaalden de principes uit dat decreet in de inventaris. De in 1976 sterk uitgebreide reeks erfgoedwaarden maakte een zeer ruime interpretatie van de definitie van bouwkundig erfgoed mogelijk. Men wilde, zo lezen we in de verantwoording, naast de architecturaal-esthetische stijlaspecten, die doorslaggevend zijn voor opname in de inventaris, ook expliciet rekening houden met andere criteria zoals de documentaire waarde en de stedenbouwkundige structuur en context. Dat gaf het inventaristeam de ruimte om veel meer dan voorheen aandacht te besteden aan 19de- en 20ste-eeuwse architectuur, die in grote mate bepalend bleek te zijn voor hele stadswijken.

Een ander belangrijk aspect bij de selectie dat het decreet van 1976 genereerde, was het achterwege laten van de chronologische limiet. In principe bestond er sindsdien geen chronologische limiet meer voor opname van panden in de inventarissen, maar in praktijk werd deze toch vastgesteld op circa 1940. Dit sloot echter de optekening van recentere gebouwen niet uit. De 20ste-eeuwse, en ook naoorlogse architectuur is alomtegenwoordig in het gebied van boekdelen 3nc. Toch vinden we die slechts mondjesmaat terug in de inventaris. Hoewel we in de verantwoording lezen dat dit de optekening van recentere kwaliteitsvolle en representatieve gebouwen geenszins uitsloot, stellen we een grote schroom vast om dit te doen. Een duidelijke uitbreiding in de selectie van bouwkundig erfgoed naar 20ste-eeuwse architectuur doet zich pas duidelijk voor in boekdeel 3nd. Minister Johan Sauwens haalt in het woord vooraf expliciet het aanwezige "jong bouwkundig erfgoed" aan, dat "deze dagen meer dan ooit in de belangstelling staat". Hij hoopt met de nieuwe publicatie bij te dragen tot "de noodzakelijke inventarisatie, documentatie en het degelijk behoud en zo nodig de gepaste restauratie van deze markante architectuur." In datzelfde boekdeel wordt ook ruim aandacht besteed aan het havengerelateerde industrieel-archeologisch erfgoed in de haven, waarbij men steunt op de expertise van ingenieur A. Himler.

Inventaris bouwkundig erfgoed in Antwerpen

Met deze methodologie en op basis van de waarden en criteria uit het decreet van 1976 selecteerde het inventaristeam in 1975-1992 in Antwerpen en districten 4.630 panden en constructies met erfgoedwaarde voor opname als apart erfgoedobject in de inventaris bouwkundig erfgoed. Bij elke inventarisfiche op de inventariswebsite wordt onderaan de tekst in het veld "bron" vermeld uit welk boekdeel de informatie komt.

De algemene inleiding bij elk Antwerps boekdeel geeft een gedetailleerd overzicht van hoe de waarden en criteria zijn toegepast op de selectie van het bouwkundig erfgoed binnen het behandelde stadsdeel. Hieronder de linken naar de nota’s voor 3na, 3nb, 3nc en 3nd:

  • DE BACKER-VAN OCKEN R. 1976: Woord Vooraf, in: GOOSSENS M.& PLOMTEUX G. met medewerking van LINTERS A., STEYAERT R., ILLEGEMS P. & DE BARSÉE L., Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Antwerpen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 3na, Brussel – Gent, V.
  • DE MUNCK-MANDERYCK M. met medewerking van LINTERS A. 1979: Verantwoording, in: DE MUNCK-MANDERYCK M., DECONINCK-STEYAERT R. & PLOMTEUX G. met medewerking van LINTERS A., Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Antwerpen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 3nb, Brussel – Gent, VII-IX.
  • S.N. 1976: Verantwoording, in: GOOSSENS M.& PLOMTEUX G. met medewerking van LINTERS A., STEYAERT R., ILLEGEMS P. & DE BARSÉE L., Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Antwerpen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 3na, Brussel – Gent, VII-IX.
  • S.N. 1989: Verantwoording, in: PLOMTEUX G. & STEYAERT R. met medewerking van WYLLEMAN L.: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Antwerpen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 3nc, Brussel – Turnhout, VII-XI.
  • S.N. 1992: Verantwoording, in: KENNES H., PLOMTEUX G. & STEYAERT R. met medewerking van WYLLEMAN L. & HIMLER A.: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Antwerpen, Fusiegemeenten, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 3nd, Brussel - Turnhout, VII-XI.
  • DE MUNCK-MANDERYCK M., DECONINCK-STEYAERT R. & PLOMTEUX G. met medewerking van LINTERS A. 1979: Antwerpen - Stadsuitbreiding tot aan de 16de-eeuwse Spaanse Vesten [online], https://id.erfgoed.net/themas/14754 (geraadpleegd op 29 maart 2023).
  • GOOSSENS M. & PLOMTEUX G. met medewerking van LINTERS A., STEYAERT R., ILLEGEMS P. & DE BARSÉE L. 1976: Antwerpen – Historische binnenstad [online], https://id.erfgoed.net/themas/13654 (geraadpleegd op 29 maart 2023).
  • HOOFT E. 2021: Inventariseren van bouwkundig erfgoed in Vlaanderen. Historiek, methodologie, doelstellingen en resultaten, Onderzoeksrapporten Agentschap Onroerend Erfgoed 196 [online], https://id.erfgoed.net/infocat/publicaties/6372, 37-44 (geraadpleegd op 29 maart 2023).
  • KENNES H. 2020: Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen [online], https://id.erfgoed.net/gebeurtenissen/103 (geraadpleegd op 29 maart 2023).
  • KENNES H., PLOMTEUX G. & STEYAERT R. met medewerking van WYLLEMAN L. & HIMLER A. 1992: Antwerpen - fusiegemeenten [online], https://id.erfgoed.net/themas/14756 (geraadpleegd op 29 maart 2023).
  • PLOMTEUX G. & STEYAERT R. met medewerking van WYLLEMAN L. 1989: Antwerpen - 19de- en 20ste-eeuwse stadsuitbreiding [online], https://id.erfgoed.net/themas/14755 (geraadpleegd op 29 maart 2023).

Auteurs: Hooft, Elise
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Relaties

Is deel van

Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen

Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant, West-Vlaanderen


Bekijk gerelateerde erfgoedobjecten

Paardenmarkt 30 (Antwerpen)
Burgerhuis in eclectische stijl op de hoek van Paardenmarkt en Roskamgang, gebouwd in opdracht van de wisselagent A. De Boeck, naar een ontwerp door de architect Victor Lebens uit 1906. De woning behoort tot het vroegst gekende oeuvre van de architect.


Roskamgang 1, 6 (Antwerpen)
In 1427 bouwde de stadsmagistraat hier een stal "den Roscam" waar men de paarden kon stallen voor de opening van de jaarmarkten. Smalle gekasseide gang met aan de oostzijde nog een vijftal 19de-eewse huisjes met in totaal tien traveeën en twee bouwlagen, eenvoudige gecementeerde lijstgevel met imitatievoegen en rechthoekige muuropeningen.


Paardenmarkt 32 (Antwerpen)
Samenstel van twee traditionele diephuizen op de hoeken van de Paardenmarkt met de Roskamgang enerzijds en de Venusstraat anderzijds, te dateren in de tweede helft van de 16de of de eerste helft van de 17de eeuw.


Je kan deze pagina citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2024: Inventarisatie bouwkundig erfgoed Antwerpen [online], https://id.erfgoed.net/gebeurtenissen/902 (geraadpleegd op ).

Beheerder fiche: Agentschap Onroerend Erfgoed

Contact

Heb je een vraag of opmerking over deze fiche? Meld het ons via het contactformulier.