omvat de aanduiding als unesco werelderfgoed kernzone Zoniënwoud
Deze aanduiding is geldig sinds
omvat de aanduiding als beschermd cultuurhistorisch landschap Zoniënwoud en Kapucijnenbos
Deze bescherming is geldig sinds
omvat de aanduiding als unesco werelderfgoed bufferzone Zoniënwoud: strikte buffer
Deze aanduiding is geldig sinds
omvat de aanduiding als unesco werelderfgoed bufferzone Zoniënwoud: verbindende buffer
Deze aanduiding is geldig sinds
omvat de aanduiding als beschermd cultuurhistorisch landschap Domein Marnix en Dronkemansweg
Deze bescherming was geldig van tot
Het Zoniënwoud is een oud bos en wellicht het enige in Vlaanderen dat altijd bos is geweest en gebleven. Dat kunnen we afleiden uit de geomorfologie en het uitzonderlijk goed bewaarde microreliëf, dat hier sinds de laatste ijstijd al zo’n 10.000 jaar onder bos is blijven liggen. Als voorbeeld van continu landgebruik en van een oorspronkelijke geomorfologie heeft het Zoniënwoud een uitzonderlijke historische en wetenschappelijke waarde. In 2017 erkende Unesco vijf bosreservaten van het Zoniënwoud als werelderfgoed, omdat ze getuigen van het beuken-ecosysteem in Europa en de evolutie die het gekend heeft sinds de laatste ijstijd. Met zijn oppervlakte van 43 km2 is het Zoniënwoud een opvallend groot bos in de nabijheid van Brussel. In het verleden was het nog uitgestrekter, tot 100 km2. Heel wat gronden gingen tussen 1830-1843 verloren door de gedeeltelijke verkoop en verkaveling van het bos door de Société Générale die toen kortstondig eigenaar was. Het hier beschreven deel van het Zoniënwoud ligt op het grondgebied van het Vlaams gewest, maar het bos loopt over administratieve grenzen heen.
Het Zoniënwoud ligt op het Brabants plateau tussen het bekken van de Zenne in het westen en de Dijle in het oosten. Lokaal variëren de hoogteniveaus tussen 60 en 130m TAW. Aan de randen snijden kleine beekjes zoals de Voer en de IJse zich in het plateau in en vormen er kleine valleitjes. Ze ontstonden miljoenen jaar geleden en erodeerden tijdens de laatste ijstijd verder uit. Löss overweegt, ook al komen hier en daar ook oudere zandige lagen aan de oppervlakte.
De oudere zandlagen uit het prequartair bestaan uit kalkrijk zand, dat tot kalkzandsteenbanken aan elkaar kitte en op verschillende plaatsen als bouwmateriaal is ontgonnen. Ongeveer 46 tot 50 miljoen jaar geleden zette een ondiepe, warme zee deze zandlagen hier af (formatie van Lede en de formatie van Brussel). In de buurt van Groenendaal kwam veel ijzerzandsteen voor, waaruit lokaal het ijzer werd gewonnen (zie verder). En dan zijn er ook nog de grotere extractieputten die tot in 1870-80 nog werden gebruikt. In dezelfde omgeving van het Groenendaalklooster en van Jezus-Eik zijn mogelijk ook sporen van groeves van kalkzandsteen te vinden. In de 18de eeuw werden deze groeves als ‘cheynsputten’ -cheynsen verwijst hier naar delven of ontginnen- aan particulieren verpacht.
Tussen 22.000 en 15.000 jaar geleden voerde de wind leem aan die bovenop de zandlagen neerdwarrelde. Het vormde een lösspakket waarin de bodems zich verder ontwikkelden. Aan het einde van de lössafzetting vormden er zich aan het oppervlak kleine gesloten depressies tot 40-60cm diep, die nog altijd in het reliëf te herkennen zijn, een voorbeeld van uitzonderlijk goed bewaard microreliëf, want eens omgezet naar landbouwgrond verdwijnen deze reliëfvormen. In het Zoniënwoud is het natuurlijke reliëf blijven bestaan.
Löss is goed waterdoorlatend, behalve op dalbodems waar onderliggende kleilagen de insijpeling van water verhinderen. Daar kan de watertafel lokaal hoog staan of komt het water via bronnetjes aan de oppervlakte. In het recentere verleden werden dat vaak locaties voor de vestiging van een klooster. Kijk je verder in het verleden dat zijn die plekken in het bos potentieel interessante archeologische vindplaatsen, omdat ze op de mens een bijzondere aantrekkingskracht uitoefenden.
Typisch voor het Zoniënwoud zijn de droge valleien of ‘dellen’, zoals de Flosdelle in Tervuren en de Keteldelle in Hoeilaart. Omdat het substraat uit zand bestaat kan het insijpelende water tot diep in de bodem doordringen en blijft het dus niet aan de oppervlakte staan. Maar dat was ooit anders. Hun vorm toont aan dat er ooit veel water door deze valleitjes stroomde. Tijdens de laatste ijstijd waren er periodes met grote waterstromen van dooiwater van sneeuw. Door de kou kon dat niet in de ondergrond doordringen en liep het water van de hellingen af. Ook al was de dooiperiode kort, het water ontwikkelde voldoende erosiekracht om de valleitjes uit te schuren. Aan dat erosieproces kwam een einde toen na de ijstijd ongeveer 12.000 jaar geleden het klimaat opwarmde en het zich ontwikkelende bos het reliëf afdekte.
Speuren we naar de oudste sporen van menselijke aanwezigheid in het bos, dan moeten we al naar het neolithicum terug grijpen. In de Brusselse rand van het Zoniënwoud (net buiten het hier afgebakende gebied) ligt de belangrijke neolitische site van Bosvoorde-vijvers, één van de weinige nog zichtbare midden-neolithische sites in ons land. Het gaat om een 11 ha groot aardwerk uit de Michelsbergcultuur van ongeveer 4500 jaar geleden, omgeven door grachten en wallen die tot op een hoogte van 80cm bewaard zijn maar oorspronkelijk 2 m hoog waren.
Een andere neolithische site bevindt zich bij Sint-Genesius-Rode in de rand van het vroegere Zoniënwoud, waar de abdij van Terkameren vijvers bij één van haar hoeves had aangelegd. In die omgeving liggen op korte afstand van elkaar meerdere locaties met steentijdvoorwerpen waaronder bijlen en pijlpunten. De site is minder spectaculair dan die van Bosvoorde, maar bevindt zich ook op bronniveau waar water aan de oppervlakte komt te midden van de prequartaire zandlagen. Het toont aan dat dergelijke locaties een groot archeologisch potentieel hebben. Op heel veel plaatsen zijn die nog niet verkend of onderzocht, omdat ze niet bedreigd zijn. Bij uitbreiding geldt dat voor het hele Zoniënwoud, waardoor de archeologie ervan minder goed gekend is, maar wetenschappelijk waardevol is omdat de bodems en het reliëf door de permanente bebossing er uitstekend bewaard zijn.
Uit sporen aan de oppervlakte blijkt dat gedurende lange periodes de mens het bos gebruikte voor onder andere de productie van houtskool en ijzer. Voor het maken van houtskool legde hij in de vroege middeleeuwen rechthoekige kuilen aan waarin het hout werd gestapeld en vervolgens afgedekt zodat het niet verbrandde, maar traag smeulend verkoolde. Rond het jaar 1000-1200 verschuift de vorm en de samenstelling van deze houtskoolmeilers van rechthoekig naar circulair en van beuk naar eik als dominante soorten voor de houtskoolproductie (Deforce 2018). De veranderende soortensamenstelling weerspiegelt een evolutie van een dicht en schaduwrijk natuurlijk beukenbos naar een opener en door de mens intensiever gebruikt eikenbos met bijmenging van andere lichtminnende soorten. Afgaande op het aantal houtskoolmeilers die nog aan de oppervlakte zichtbaar zijn en die op een 10.000-tal worden geschat (Langohr 2009) moet de praktijk van houtskoolbranderijen wijd verbreid in het bos zijn voorgekomen en eeuwenlang zijn doorgegaan.
Houtskool was veel lichter voor transport, ook compacter en had nog als bijkomend voordeel dat het bij verbranding hogere temperaturen bereikte en dus meer warmte gaf. Om die reden was houtskool onontbeerlijk bij de ijzerproductie. Ook van deze ambachtelijke ijzerproductie zijn sporen in de topografie van het bos bewaard gebleven, met name onder de vorm van putjes die uit ijzerslakken bestaan en die vooral aan de oostkant van het Zoniënwoud op het plateau bij Hoeilaart en Groenendaal te vinden zijn. Op die locaties zaten ondiep in de bodem ijzerhoudende zandsteen en je vond er ook water in de nabijheid. Met het water waste men het ijzererts voorafgaand aan de verhitting in primitieve laagoventjes, die op het terrein in een put door een ovenschacht werden afgedekt. De kleien oventjes sloeg men na gebruik stuk. Maar de afvalputjes naast de oven waarin de onzuiverheden van het ijzer wegvloeiden, bleven wel bewaard. Naar schatting een 1000-tal ijzerslakhoopjes bleven in het Zoniënwoud aan de oppervlakte bewaard. Enkel een geoefend oog kan ze onderscheiden, want deze cirkelvormige hoopjes zijn maximaal enkele decimeter hoog en met een diameter van 4 tot 8m zijn ze niet zo gemakkelijk te herkennen in het met bladeren bedekte terrein. Enkele metaalproductiesites zijn onderzocht. Dat onderzoek leverde een datering uit de 8ste-10de eeuw op.
De vele vindplaatsen van houtskoolmeilers, ijzerproductiesites, maar ook van leemwinningen en steengroeven wijzen op een gebruik van het Zoniënwoud door de mens tijdens de vroege en volle middeleeuwen. Het bos leverde niet alleen grondstoffen op, maar het was ook de plaats waar die grondstoffen lokaal werden verwerkt. Het doet ook vermoeden dat de omgeving rond het Zoniënwoud eveneens intenser door de mens werd ingenomen.
Dat de mens een prominentere plaats in de omgeving van het Zoniënwoud gaat innemen, blijkt uit 9de-10de eeuwse archiefstukken. Zowel aan de oost- als de westzijde van het bos groeiden uit Karolingische landbouwdomeinen in Sint-Pieters-Leeuw (818) en Overijse (832) kleine onafhankelijke dorpskernen. Ook andere plaatsnamen duiken voor het eerst in geschreven documenten op, zoals Beersel (847), Watermaal (914) , Duisburg (6de eeuw) en Tervuren (966). Tot het midden van de 12de eeuw reikt het Zoniënwoud in het noordoosten nog tot Vossem. Maar daar kwam verandering in toen de hertog van Brabant een stuk Zoniënwoud opofferde voor de ontwikkeling van een landbouwdomein door de past gestichte abdij van Park. En voor 1230 vestigde hij in de nieuwe rand van het Zoniënwoud een wildpark (de Marneffe 1904, 585).
Het schetst een beeld van een Zoniënwoud dat aan de randen oppervlakte moest prijsgeven ten voordele van bewoning en landbouw. Pas in de 11de eeuw duikt de naam Zoniënwoud als ‘Sonia’ voor het eerst op in een kopie van een oorkonde van Sint-Pieters-Leeuw, waarbij Sonia slaat op een gemeenschappelijk bos (silva communis) dat door de inwoners vrij mocht worden gebruikt. Vanaf de 12de eeuw verschijnt het 'foresta de Songia' iets vaker in middeleeuwse archiefstukken (Koninklijke Commissie voor Geschiedenis 2015 nr. 3737, 4035).
Vermoedelijk nam het bos tussen de 10de-12de eeuw de grenzen aan die het in de daaropvolgende eeuwen min of meer aanhoudt. De oppervlakte bedroeg toen meer dan 10.000 ha. De bevolking groeide relatief snel aan, met vele kerk- en parochiestichtingen als gevolg. En nog een opvallend nieuw gegeven: de stichting van kloosters in de rand van het Zoniënwoud. Zetten we de locatie van deze kloosters en hun stichtingsjaar op kaart uit, dan valt het op dat het bos zeker in de noordelijke rand tegen de 13de eeuw zijn grenzen had bereikt (Ter Kameren Elsene 1201, Hertoginnedal Oudergem 1262). In de 14de eeuw volgden nog vier stichtingen (Groenendaal 1341, Rood klooster rond 1350, Zevenborren 1389, Ter Kluizen 1399). Waar deze kleine religieuze gemeenschappen zich vestigden, legden ze vijvers en een landbouwdomein aan, wat met ontbossing gepaard ging. Daar vertoonde de oude bosgrens telkens een insnijding.
Wie de geschiedenis van het Zoniënwoud wil uitpluizen, rept zich naar het Algemeen Rijksarchief in Brussel, want daar worden de meeste archieven over dit bos bewaard. Ze zijn verweven met de instellingen van de hertogen van Brabant die zich eigenaar van het Zoniënwoud mochten noemen. Dat de hertog van Brabant eigenaar was lijkt gesneden koek, maar dat was het eigenlijk niet. Tekenend was de vermelding van ‘Sonia’ als een gemeenschappelijk beheerd bos in het 11de-eeuws gedeelte van de oorkonde van Sint-Pieters-Leeuw (zie hierboven). Dat wil zeggen dat minstens een deel van het Zoniënwoud door inwoners uit de omgeving van het bos werd gebruikt als gemeenschappelijke graasgrond voor hun vee of om er constructie- en brandhout te oogsten. Uit een hele rits 12de-eeuwse oorkonden blijkt nochtans dat de hertogen van Brabant zichzelf als eigenaar van het bos beschouwden. Geregeld schonken ze stukken bosgrond aan particulieren of kloosters en gaven ze hen het recht om ten persoonlijke titel karrevrachten brandhout uit het bos te halen. Het sterkte de hertogen zeker in hun relaties én in hun machtspositie, want als schenker bevestigden ze tegelijk wie eigenaar van het bos was. Je kon alleen maar schenken, wat je bezat.
Waarschijnlijk hebben de hertogen in hun machtsstrijd om territorium ook het Zoniënwoud geclaimd. Vanuit hun oudste machtsbasis in Leuven kwamen ze in strijd om de macht over een groter territorium in conflict met andere lokale krijgsheren. Geleidelijk palmden ze alsmaar meer gebied in. Tegen de 12de eeuw behoorde ook de regio rond Brussel tot hun territorium. Als heerser over een gebied verwierf je ook de rechten die bij die machtspositie hoorden. Zeggenschap over waterlopen, rivieren, bossen, wilde dieren op het land, in het water of in de lucht waren zo een recht, dat ook wel eens het wildernisregaal werd genoemd. Zich beroepend op het wildernisregaal konden de hertogen het bos ‘opeisen’, ook al werd het door omwonenden gebruikt.
Dieren in bossen laten grazen, was een algemeen verspreide en traditioneel gangbare praktijk. In het Zoniënwoud stond deze praktijk bekend als het ‘veteren’. Omwonenden hadden het recht om enkele dieren in het Zoniënwoud te drijven, weliswaar tegen betaling en onder voorwaarden. Dank zij de registratie van de betalingen in de domeinrekeningen kunnen we tot op vandaag ramen hoeveel vee er bij benadering rondliep. In 1781 ging het bij wijze van voorbeeld om 8350 stuks vee (koeien, kalveren, ossen, paarden), waaronder 6500 varkens (Verboven 1988), wat de begrazingsdruk op 0,83 grootvee-eenheid per hectare brengt, wat aanzienlijk onder de huidige richteenheid van 1 GVE per 10 ha voor een bos op rijke gronden ligt (Janssen 2002). In de praktijk graasden meer dieren in het bos, want naast het geregistreerde vee hadden ook kloosters, particulieren en een zeldzame keer zelfs een heel dorp (Overijse) het recht om hun vee in het Zoniënwoud te drijven, zonder dat ze daarvoor een vergoeding moesten betalen. Die aantallen zitten dus niet in de cijfers van hierboven. En ook wilde dieren als everzwijnen, reeën en herten, scharrelden in het Zoniënwoud rond. Het effect was wellicht een meer structuurrijk en gevarieerd bos. Aan de andere kant graasde het vee er niet het hele jaar rond. De begrazing beperkte zich tot de herfst en wintermaanden, maximaal een half jaar, en enkel in de delen van het bos die werden vrijgegeven. De recent gekapte percelen werden bewust gespaard om de natuurlijke verjonging alle kansen te geven.
Nog andere gebruiksrechten golden in het Zoniënwoud, zoals het recht op het sprokkelen van dood hout, het snijden van gras of kruidlaag als strooisel voor het stalvee of het snijden van berkentwijgen voor de bezembinderij. Voor behoeftige omwonenden vulden deze gebruiksrechten hun karige inkomen aan. Voor deze bevolkingslaag speelde het bos een rol in de subsistentie-economie. Ook al legden de bosbeheerders allerlei beperkingen op aan gebruiksrechten, ze helemaal afschaffen gebeurde pas in 1847, wat niet onopgemerkt en zonder protest voorbij ging, temeer omdat sinds 1845 jaren van mislukte oogsten elkaar opvolgden en in heel West-Europa bekend stonden als de hongerjaren. Rond die tijd verplichtte de overheid de gemeenten om hun reserves aan gemene heidegronden te privatiseren, waardoor nog minder graasgronden ter beschikking stonden en gebruiksrechten voor behoeftigen nog meer onder druk stonden.
Eeuwenlang was het Zoniënwoud een hooghoutbos, een bos dus dat hoofdzakelijk uit hoge opgaande bomen bestond. Daarmee was het Zoniënwoud een uitzondering op het historische bosbeheer in onze regio, omdat de meerderheid van bossen als hakhout of middelhout werd beheerd (middelhout is een beheervorm met hakhout in de onderlaag en opgaande bomen in de bovenlaag van het bos). Onontbeerlijk was het bos voor de levering van constructiehout voor de bouw, meubelmakerij of scheepsbouw. Slechts één deel, met name de Heegde, een 550 ha groot terrein in het huidige Elsene (nu opgegaan in het Terkamerenbos), bestond sinds 1517 enkel uit hakhout. De Heegde lag het dichtst bij Brussel en was dus belangrijk als brongebied voor brandhout. In een bosarme regio als Vlaanderen waren brandhout én constructiehout veel gevraagd. Een bos met de omvang van ongeveer 10.000 ha als het Zoniënwoud was dus een sterkhouder in de economie van de regio. En voor de hertogen van Brabant leverde het mooie inkomsten op.
Door de grote vraag naar hout werd het bos aantoonbaar sinds de 16de eeuw volgens een bedrijfsplan geëxploiteerd. Vooraf bepaalden de beheerders hoeveel oppervlakte van het bos jaarlijks mocht worden gekapt. En om de bedrijfsplannen kracht bij te zetten lieten de bosbeheerders het Zoniënwoud opmeten en in kaart brengen. De oudst bekende kaart dateert van 1638, kunstig verwerkt in een prachtige en monumentale geschilderde kaart van 1661. Die kaarten tonen de verdeling van het Zoniënwoud in zogenaamde houwen of ‘laeyen’, zones dus die in kleinere jaarlijkse kappercelen werden opgesplitst. De koopman die het perceel op stam kocht, mocht alle bomen kappen met uitzondering van de zaadbomen (25 tot 35 per ha), die in de daaropvolgende jaren voor de natuurlijke verjonging van het bos zorgden. De zaadbomen bleven tot een tweede of zelfs derde kapcyclus staan. Omdat ze ouder en dikker werden, leverden ze zwaar zaaghout.
De bosbeheerders werkten volgens een rotatiesysteem waarbij eenzelfde perceel pas na een lange tijd opnieuw mocht worden gekapt. Tussendoor dunde men de bestanden uit, waarbij eerst de snel koloniserende soorten zoals berk en trilpopulier werden weg gekapt en later de omgevallen of kwijnende exemplaren (windvellingen). De uitgeselecteerde toekomstbomen bleven staan. Alleen was het voor de vorst wel eens moeilijk om zich aan het uitgestippelde plan te houden. Zeker in tijden van financiële tekorten bestond de neiging om meer hout te kappen dan voorzien.
De jaarlijks voorziene kap oppervlakte in het hooghout schommelde tussen 65 en een uitzonderlijke 109 ha, maar 85 ha werd lang als ideaal naar voor geschoven. Op een totale oppervlakte hooghout van 9300 ha (dus zonder het hakhout, weiden, wegen, vijvers en open plekken in het bos) was 85 ha een voorzichtig streefcijfer, waar rek op zat. Hou je rekening met de gebruikelijke omlooptijd van 100 jaar dan kon de jaarlijkse houtkap tot 93 ha per jaar worden opgetrokken, zonder in een structureel excessieve houtkap te vervallen. Die marge was nodig om jaren van tegenspoed op te vangen, waarbij delen van het bos occasioneel door brand, storm of oorlogskappingen konden worden getroffen. Uit een berekening van de gekapte oppervlakte tussen 1638 en 1738 bleek dat ruim 8000 ha van de totale bosoppervlakte in een eeuw tijd aan een kap onderhevig was (Goblet d’Alviella), minder dus dan het bedrijfsplan gemiddeld vooropstelde. Vele bosbestanden werden dus ouder dan 100 jaar. Ook in het verleden moet het bos vele monumentale bomen hebben geteld.
Bij het publiek staat het Zoniënwoud bekend als de zogenaamde ‘beukenkathedraal’, een bos met hoge imposante beuken waarvan de kruinen bovenaan een gesloten bladerdak vormen. Onderaan overheerst de koelte van de schaduw. En omdat er weinig ondergroei is, trekken de hoog opgaande stammen de blik van de voorbijgaande wandelaar naar zich toe, alsof je tussen de ranke, hoge zuilen van een gotische kathedraal loopt. In 2011-2015 inventariseerden onderzoekers niet minder dan 10.000 monumentale bomen met een diameter van meer dan 1m, veelal beuk, over het gehele bos.
Beuk komt van nature in het Zoniënwoud voor. Dankzij een goed waterbergend en dik lösspakket op diepere mineraalrijke bodemlagen zijn de groeicondities er gunstig. Door het historisch bosbeheer waren er in het verleden meer eik en in mindere mate ook haagbeuk, es, trilpopulier, berk, appel- en mispelbomen, wilg en andere soorten gemengd met beuk. Zeker eik werd door de mens bevoordeeld, omdat de soort zo geliefd was als constructiehout en ook voor houtskool heel geschikt (Verboven 1988). Uit onderzoek van houtskool op archeologische sites in de buurt blijkt dat eik vanaf de 12de eeuw er zelfs als dominante boomsoort voorkwam (Deforce 2018). Een bos met veel eik laat meer licht door, waarin ook andere boomsoorten groeikansen krijgen. Door toedoen van de mens ontwikkelden er zich dus meer diverse boomsoorten in het Zoniënwoud.
Toch merkten de bosbeheerders vanaf het einde van de 15de eeuw een achteruitgang van eik als soort in het Zoniënwoud op. Dat was voor hen het signaal om de houtkap anders te gaan organiseren. Terwijl van beuk en andere soorten bijna alle exemplaren op een perceel bij een eerste kap werden gekapt, liet men de eiken staan. Kort daarna volgde op hetzelfde perceel een selectieve kap van enkele eiken, waarbij vele exemplaren eik bleven staan. Vanaf de 16de eeuw werd er niet alleen méér gekapt, maar vooral ook selectiever. Door deze vernieuwing zorgden de bosbeheerders er dus voor dat eik langer kon doorgroeien en zich ook gemakkelijker natuurlijk kon verjongen, een voorbeeld van selectieve bevoordeling van één bepaalde boomsoort door de mens.
Dat beuk nu toch opnieuw dominant in het bos voorkomt, vloeit voort uit het 18de- en 19de-eeuwse bosbeheer. Na 1750 was er een tendens om het bos te verdichten (Verboven 1988). De beheerders wilden de exploiteerbare oppervlakte vergroten door wastine-achtige zones in het bos dichter te gaan bebossen. Over de manier waarop, verschilden de meningen. Bosbeheerder en luitenant-woudmeester de l’Escaille streefde naar natuurlijke verjonging met zaadbomen die na de eindkap bleven staan en snel koloniserende boomsoorten zoals berk en esp die na selectieve dunningen groeikansen aan eik en beuk boden. Plantmateriaal uit eigen boomkwekerijen in het bos moesten de natuurlijke verjonging aanvullen. Zijn concurrent Joachim Zinner die sinds zijn aantreden in 1787 aan invloed in het bosbeheer won, verkoos de tabula rasa methode: een kaalslag gevolgd door kunstmatige aanplantingen met gelijkjarige en gesloten bosbestanden. Zinner had een voorliefde voor beuk, maar afhankelijk van de omgeving varieerden zijn voorkeursoorten: eik verkoos hij voor vochtigere valleigronden, naaldhout (den werd sinds 1712 voor het eerst in het Zoniënwoud uitgezaaid) voor armere zandgronden. Minder de soort, maar vooral de aanplantingswijze -zeer dicht op elkaar met hoog opgesnoeide stammen- kenmerkten Zinners aanplantingen (Tirtiaux 2015). Na 80 tot 100 jaar wilde hij de bosbestanden kappen, zoals dat gebruikelijk was in een commercieel bedrijfsplan. Het idee om het bos tot een beukenkathedraal met oude en hoge monumentale bomen te laten uitgroeien is eigenlijk pas in de 19de eeuw gerijpt als reactie van het publiek tegen de toen gebruikelijke kapwijze in het bos gebaseerd op kaalslag. Dat Zinner de grondlegger van de ‘beukenkathedraal’ was, moeten we dus relativeren.
Twee drukke verkeersaders, de ring rond Brussel (R0) en de snelweg Brussel Luxemburg, doorsnijden het Zoniënwoud sinds de jaren 1960. Niet toevallig recupereert de snelweg het tracé van een oudere weg, verhard in 1726, die voor een betere verbinding tussen Brussel en het Zoniënwoud richting Overijse moest zorgen. Doorgaande wegen dwars door het bos bestonden al langer en zijn goed te zien op de kaart van 1661. Ze verzorgden de behoefte om vanuit de naburige dorpen een vlotte verbinding met Brussel te hebben. Meestal waren deze wegen onverhard. Op natte plekken waaierden ze uit tot brede karrensporen, die een klein ommetje langs modderige stukjes wegtracé maakten. Drie van deze doorgaande wegen kregen tussen 1673 en 1739 een verharding in kasseien, waaronder de Waversesteenweg in het Kapucijnenbos, de Terhulpensesteenweg bij Groenendaal en de Waterloosesteenweg.
Van de oude onverharde wegen is met uitzondering van wat sporen in het reliëf en enkele 17de-eeuwse dreven, nauwelijks iets overgebleven. Want tussen 1759 en 1768 liet de toenmalige landvoogd, Karel van Lotharingen, een geheel nieuw netwerk van rechte dreven in het Zoniënwoud aanleggen. Als fervente jager was het zijn bedoeling in eerste instantie de jacht te vergemakkelijken door het bos meer doorwaadbaar voor grote jachtgezelschappen te maken. Sommige bestaande wegen werden wat aangepast en vooral rechtgetrokken, maar de meeste waren volledig nieuw. In tegenstelling tot andere drevenstelsels zoals dat van Heverleebos nam het netwerk in het Zoniënwoud een onregelmatige vorm aan, met een concentratie aan dreven en jachtwegen aansluitend bij het park van Tervuren, waar Karel van Lotharingen een verblijf had en waarvan hij het park ook volledig liet heraanleggen. Over het hele Zoniënwoud liet hij meer dan 60 dreven aanleggen met de Lorreinendreef (13,5 km) en de Groenendaaldreef (7 km) als langste doorlopende tracés. Dat de dreven ter ondersteuning van de jacht dienden, blijkt uit de aanleg van zogenaamde ‘relais’, knooppunten op de wegen waar de drijvers met hun jachthonden voor de drijfjacht op herten en everzwijnen stonden opgesteld.
In totaal gaat 80 km aan wegen in het huidige Zoniënwoud terug op het 18de-eeuwse netwerk van dreven dat Karel van Lotharingen tussen 1759-1768 liet aanleggen. Lang niet alle hebben hun oorspronkelijke karakter als dreef behouden, omdat vele bomenrijen in de opeenvolgende kapcycli verloren gingen. Enkele statige, nog bestaande dreven zijn onder andere de Kapucijnendreef, de Lorreinendreef. De oudste dateert uitzonderlijk uit het begin van de 17de eeuw: de Isabelladreef, de toegang naar het toen pas opgerichte Kapucijnenklooster, waar het Kapucijnenbos later naar is vernoemd.
Het historische Zoniënwoud van voor de 19de eeuw had een duidelijke grens met het omliggende landschap. De toenmalige eigenaars, met name de hertogen van Brabant, later de vorsten en landvoogden, maakten zo duidelijk waar hun bos en dus ook hun eigendomsrechten begonnen. Fysiek bestond die buitengrens uit een boswal met een langsgracht en met grenspalen. Van de zuidwestkant van het bos (deel dat nu verdwenen is) bij de priorij Ter Kluizen of Onze Lieve Vrouw van Jericho is de boswal rond 1540 prachtig in beeld gebracht (Algemeen Rijksarchief, Kaarten en plannen reeks 1, nr. 3003). De 16de-eeuwse aquarellen geven een inkijk in het bos met jonge beplanting en grillig gevormde bomen die het resultaat van natuurlijke verjonging zijn. Aan de rand is de wal met bovenop een vlechthaag of opgaande bomen goed te zien. Van deze historische boswal is mogelijk nog een stukje bewaard gebleven bij Zevenborren in Sint-Genesius-Rode.
Ook binnen het bos stoot men her en der op een occasioneel bewaarde wal, het meest uitgesproken langs de ‘haras’, een paardenfokkerij die de landvoogden Albrecht en Isabella in het begin van de 17de eeuw in het Zoniënwoud nabij de priorij van Groenendaal lieten aanleggen. Rond de stalling verscheen een open weidegebied, begrensd door een wal met palissade. De bakstenen stalling is ondertussen afgebroken, maar de wal ligt er nog. Als de paarden niet op stal stonden, graasden ze in een aansluitende zone van 180 ha in het bos. Op de kaart uit 1661 is goed te zien dat het bos daar veel opener en lichter was. Door de klachten over overbegrazing drongen de toezichthouders (Rekenkamer en Raad van Financiën) op de stopzetting van de paardenfokkerij aan, wat ook daadwerkelijk in 1669 gebeurde.
In het tweede kwart van de 19de eeuw onderging het bosbeheer van het Zoniënwoud een dramatische wending. Het bos kwam in handen van een investeringsmaatschappij en bank, de Société Générale. Koning Willem II, die toen het eengemaakte België en Nederland samen bestuurde, privatiseerde in 1822 het staatsdomein en droeg het als kapitaal aan de nieuw opgerichte Société Générale over. Het idee was dat de houtverkoop jaarlijkse inkomsten opbracht, die de bank vervolgens in projecten ter ondersteuning van de industrie en economische expansie zou investeren. De bankiers werden dus bosbeheerder. Voor het beheer richtten ze de Conseil de l’administration des forêts op, die zich de eerste jaren daadwerkelijk toelegde op de gebruikelijke jaarlijkse houtkap, de verjonging van het bos (vooral met naaldhout), de strijd tegen de gebruiksrechten en de occasionele verkoop van kleine domeinbossen. De bossen dienden zelfs als waarborg voor de uitgifte van bankobligaties.
Na de onverwachte regimewisseling in 1830, België werd onafhankelijk, gooide de bank het roer om. Omdat de bank voortaan voluit focuste op de industriële expansie van het land, paste bosbeheer niet langer tot de kerntaken. En bovendien kon de verkoop van het bos op korte tijd veel kapitaal vrijmaken. En dus begon de Société Générale bossen te verkopen. Tussen 1832 en 1836 bracht de bank zowat 5500 ha Zoniënwoud op de markt, verdeeld in grote loten, vooral aan de rand van het bos. De privatisering leidde tot massale ontbossingen, aanvankelijk ten voordele van landbouwgrond (topo1873), die vooral na de tweede wereldoorlog onder druk van de verstedelijking rond Brussel vaak tot lucratieve bouwgronden werden verkaveld. Een kleine groep van welgestelden (16 personen of bedrijven), kocht 60% van de gronden op en verkavelde ze nadien. De verkoop kwam dus rijke bourgeoisie, vaak ook intimi van de bank, ten goede. Aan deze verkoop kwam in 1843 definitief een einde toen de Belgische staat het overblijvende deel van het Zoniënwoud kocht. Van de oorspronkelijke 10.000 ha schoot nog 4386 ha over. Ruim 5500 ha was verloren gegaan. Door deze ontbossing verloor in de 19de eeuw het Zoniënwoud zijn connectie met het Hallerbos.
Vlak voor de Belgische staat het Zoniënwoud verwierf, kocht koning Leopold I in 1842 via een stroman het volledige Kapucijnenbos op grondgebied Tervuren en Overijse (400 ha). Hij was één van de welgestelden die profiteerde van de uitverkoop door de Société Générale. Leopold I verkavelde het naar kleine landbouwpercelen, die hij vervolgens aan landbouwers uit de omgeving verpachtte. Een ander deel verkocht de koning in 1853 aan de familie Marnix van Sint-Aldegonde. Dit gedeelte op grondgebied Overijse kennen we vandaag als het Marnixbos.
Uitzonderlijk aan het Kapucijnenbos is dat het vanaf 1880 opnieuw bewust werd bebost. Opdrachtgever Leopold II die het als privédomein van zijn vader erfde, stelde een terrein van 132 ha jong bos ter beschikking voor de ontwikkeling van het arboretum van Tervuren. Tegen 1904 (topo1904) sloten het Kapucijnenbos en het Marnixbos opnieuw bij het Zoniënwoud aan.
Na de aankoop van het Zoniënwoud in 1843 overheerste het tire-et-aire systeem als beheersvorm in het bos. De percelen die voor een eindkap waren uitgeselecteerd, ondergingen een kaalslag gevolgd door een kunstmatige verjonging, met het ontstaan van gelijkjarige bosbestanden tot gevolg. In het laatste kwart van de 19de eeuw groeide onder invloed van het opkomende toerisme de kritiek op de eentonigheid van uitgestrekte gelijkjarige beukenbestanden. De bosbeheerders stuurden hun bedrijfsregelingsplan bij en richtten de meest bezochte delen van het bos, waaronder Groenendaal en Tervuren, tot ‘artistieke reeksen’ in, die esthetisch aantrekkelijker oogden door meer variatie met bomen van verschillende leeftijden en soorten, een selectieve kap en natuurlijke verjonging aangevuld met aanplantingen van andere soorten. Een bos mocht er best pittoresk uitzien. De andere delen van het bos bleven in het begin nog onder het oude systeem, maar daar kwam tegen 1906 definitief verandering in. Geen kaalslag meer, maar een systeem gebaseerd op geleidelijke en selectieve verjonging.
De aandacht voor het uitzicht, het landschapsbeeld en de aantrekkelijkheid van een bos voor bezoekers in het laatste kwart van de 19de eeuw is illustratief voor een opkomende multifunctionele benadering van bossen. Naast de economische functie van de commerciële bosbouw, wonnen recreatie en natuurwaarden in de loop van de 20ste eeuw aan belang, gaandeweg nog meer versterkt door het belang van biodiversiteit. In de jaren 1980 kwam een heel netwerk van natuur- en bosreservaten tot stand. Hoewel het bosbeheer door de regionalisatie in 1982 onder Vlaanderen, Wallonië en Brussel werd verdeeld, is het Zoniënwoud sinds 2007 in zijn geheel in het Europese Natura2000 netwerk opgenomen. Het beheer wordt nog meer op natuurbehoud afgestemd.
Historische kaarten
Iconografie
Literatuur
Auteurs: Verboven, Hilde
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)