Aan de oorsprong van de Société Anonyme John Cockerill ligt William Cockerill die in 1799 als Engelse werktuigkundige werd aangetrokken door de fabrikanten Simonis en Biolley uit Verviers. Op zijn beurt liet William Cockerill in 1802 de Engelse mecanicien James Hodson overkomen en legde hiermee de basis van de Cockerill-werkhuizen. In 1807 werden de ateliers overgebracht naar Luik. William Cockerill bouwde er vooral machines voor de textielnijverheid en gaf aldus samen met figuren zoals Lieven Bauwens een belangrijke stimulans aan de gemechaniseerde textielnijverheid in een periode waarin men vooral dacht aan het introduceren van Engelse machines. In 1813 namen John en James Cockerill van hun vader de bedrijfsleiding over. Tussen 1815 en 1819 lieten zij meer dan vijftig stoommachines overkomen uit Engeland om op basis van een vergelijkende studie reeds in 1815 zelf tot de productie van stoommachines over te gaan. Vanaf 1817 vond deze productie plaats in Seraing in een nieuw atelier dat was ondergebracht in het voormalige kasteel van de prinsbisschop van Luik. Van de 574 stoommachines die in de provincie Luik tussen 1795 en 1850 werden gebouwd, waren er 326 van Cockerill-makelij. In Vlaanderen was de graanmolen van J.J. Pharazijn in Antwerpen een van deze bedrijven die, meer bepaald in 1821, met een stoommachine van Cockerill werd uitgerust. Deze stoommachine had een vermogen van 10 pk. In 1838 werd de stadsstoomgraanmolen in Gent uitgerust met een Cockerill-stoommachine die reeds een vermogen van 70 pk had. In de graanmolen van Teuwens, Wagemans & Cie in Hasselt installeerde John Cockerill & Cie in 1835 een stoommachine van 12 pk. In Brussel werden in 1821 stoommachines die John Cockerill samen met Richard Brain had gebouwd, geplaatst in de oliemolens van J. Bruelemans en van F. De Ridder.
Vanaf 1817 kon Cockerill ook rekenen op de steun van koning Willem I, die trouwens in de in 1825 opgerichte vennootschap John Cockerill & Cie aandeelhouder was geworden met de bedoeling om van het bedrijf een pilootonderneming te maken. De firma, die tot doel had “la fabrication de toutes espèces de machines, ... l’exploitation de mines de houille et de fer”, kende op zeer korte termijn een enorme ontwikkeling en lag dan ook aan de basis van de modernisering van de Luikse staalindustrie. Met de bouw in 1824 op het kasteeldomein in Seraing van de eerste Belgische cokeshoogoven ontstond een verticaal geïntegreerde onderneming die binnen haar fabrieken alle fasen van de verschillende productieprocessen overkoepelde. Behalve op massaproductie van ijzer en staal richtte John Cockerill & Cie zich ook op de fabricatie van een uitgebreid gamma aan machines, evenals van locomotieven, spoorwegmaterieel en schepen. Als belangrijkste leverancier van de Belgische spoorwegen leverde Cockerill vanuit Seraing maar liefst 68 van de eerste 122 locomotieven die op het Belgische spoorwegennet tussen 1 mei 1835 en 2 december 1840 in dienst gesteld werden. Hierbij werden door Cockerill ook wagons, wielen, wisselstukken en rails in grote hoeveelheden geleverd. Voor de bouw van schepen werd in 1824 in Antwerpen de scheepswerf Cockerill Yards opgestart, die later naar Hoboken verhuisde.
De zware crisis in de ijzernijverheid van 1839 tot 1844 bracht Cockerill in 1839 dermate in moeilijkheden dat enkel een overheidsinterventie het bedrijf van het faillissement kon behoeden. Op dat ogenblik stelden de Cockerill-werkhuizen maar liefst ongeveer 30.000 arbeiders tewerk, waardoor een faling voor de regio een catastrofe zou betekenen. Niet akkoord met de voorwaarde van de overheid om de onderneming tot een naamloze vennootschap om te vormen vertrok John Cockerill nog hetzelfde jaar naar Rusland om ook daar fabrieken op te starten. Door zijn overlijden in 1840 in Warschau kon in 1841 met een naamloze vennootschap van start worden gegaan. Opportuniteiten zoals de uitbouw van spoorwegen in de buurlanden en nieuwe handelsakkoorden met een aantal landen zorgden ervoor dat het de Cockerill-fabrieken tegen het midden van de 19de eeuw voor de wind ging. In 1863 beet Cockerill in de ontluikende staalindustrie de spits af door als eerste in België Bessemer-staal te vervaardigen en deze aan te wenden bij zijn productie van staatsspoorwegrails. In 1895 was Cockerill ook het eerste bedrijf dat afval- of armgas van zijn hoogovens aanwendde om motoren, aanvankelijk van 8 pk, aan te drijven. Vrij vlug werden deze armgasmotoren door Cockerill verder ontwikkeld en geperfectionneerd tot armgasmotoren van 10.000 pk.
Meer dan een eeuw was de S.A. John Cockerill als staalmagnaat de spil van de Luikse economie. Na de Tweede Wereldoorlog volgden enkele fusies in de Luikse staalnijverheid. In 1981 werden met de hulp van de Belgische overheid de Luikse en de Henegouwse bekkens na twee eeuwen harde concurrentie geïntegreerd in het megabedrijf Cockerill-Sambre. In 1999 trad deze groep, die pas na zware saneringen en overheidsinterventies bij de internationale concurrentie kon aanknopen, toe tot de Usinor-groep. In 2002 ging Usinor op in de Arcelor-groep, die in 2005 de hoogoven van Seraing sloot.
In Antwerpen werden tussen 1885 en 1892 de havenloodsen 20, 22 en 23 gebouwd met door Cockerill voor de Antwerpse Wereldtentoonstelling van 1885 geleverde materialen.
In 1907 bouwden Cockerill en Le Titan Anversois als Union Métallurgique de hydraulische walkraan 111 op de Jordaenskaai in Antwerpen. In 1926 bouwde Cockerill-Babcock de elektrische walkraan 184 CD, die is opgesteld op de Rijnkaai in Antwerpen. In hetzelfde jaar vervaardigde de scheepswerf Cockerill het ponton van de stadsgraanzuiger 19. De stoomketel werd geleverd door Cockerill in Seraing. Op de Cockerill-werf werden in 1932 de Motorjacht Alice gebouwd.
Tussen 1906 en 1912 produceerde Cockerill de Cockerill-koepel in de frontcaponnière van de 18 schansen in Mortsel (Schans I, Schans II, Schans III, Schans V, Schans X, Schans XI, Schans XVI, Schans XVII, Schans XVIII). Tussen 1912 en 1914 bouwde Cockerill, net als La Meuse, stalen geschutkoepels voor het fort van Breendonk. Vóór de Tweede Wereldoorlog vervaardigde Cockerill vier stukken Belgische veldgeschut van 120mm (model 1931) voor wat later de batterij Saltzwedel werd op het domein Raversijde in Oostende.
In het prille begin van de 20ste eeuw was de NV John Cockerill betrokken bij de opstart van de steenkoolmijn van Zwartberg. Kort na de Eerste Wereldoorlog was Cockerill betrokken bij de bouw van het ketelhuis van de steenkoolmijn van Winterslag. Ook bouwde Cockerill onder meer twee krachtige stoomketels voor de steenkoolmijn van Beringen.
Tussen 1947 en 1953 bouwde Cockerill vier zware roosterketels voor de elektriciteitscentrale Langerbrugge in Gent.
De staalconstructie van de BP-building in Antwerpen werd omstreeks 1961 geproduceerd door de staalfabriek Cockerill-Ougrée uit Seraing.
Auteurs: Becuwe, Frank
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Jan Van Rijswijcklaan 162 (Antwerpen)
Kantoorgebouw in naoorlogs modernisme gebouwd in opdracht van BP Belgium, de Belgische vestiging van olieproducent The British Petroleum Company. Het ontwerp door de architecten Léon Stynen en Paul De Meyer, voor de uitvoering geassisteerd door Joseph Reusens, dateert van 1959-1960.
Duinenstraat 147-149 (Oostende)
Het domein Raversijde omvat het openluchtmuseum Atlantikwall met bovengronds en ondergronds erfgoed uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog, met name van de Batterij Aachen uit de Eerste, en het Stützpunkt Bensberg en Batterij Saltzwedel-neu uit de Tweede Wereldoorlog. Het omheinde domein bevat ook koninklijk erfgoed, waaronder het paviljoen van Prins Karel. Buiten het domein zijn nog koninklijke paardenstallen terug te vinden, evenals enkele bunkers en restanten van de Batterij Saltzwedel-neu en het steunpunt Bensberg.
Langerbruggekaai 3 (Gent)
De elektriciteitscentrale Langerbrugge werd reeds voor de Eerste Wereldoorlog opgericht naar ontwerp van architect Eugène Dhuicque. De site ontwikkelde zich in de loop van de 20ste eeuw. De nog aanwezige gebouwen en installaties illustreren de technische evolutie in het productieproces van de elektriciteitsvoorziening.
Evence Coppéelaan (Genk)
Elektrische centrale van de steenkoolmijn van Winterslag, uitgebouwd vanaf 1919. In het gebouw bevinden zich nog de oude schakel- en controlepanelen.
Brandstraat 57 (Willebroek)
Betonnen pantserfort uit de periode 1906-1914 als onderdeel van de vesting Antwerpen, een militair bolwerk en centrale schakel in de verdediging van België. Het fort van Breendonk ontleent zijn betekenis vooral aan zijn rol als nazi-gevangenis en doorvoerkamp tijdens de Tweede Wereldoorlog (1940-1944). Nu dient het als herinneringsplek en museum.
Dublinstraat 29-33 (Gent)
De gesloten havenloodsen van twee verdiepingen tellen ieder twaalf traveeën in de lengte en tweemaal vijf traveeën in de breedte. Ze zijn afgedekt door twee schilddaken met zinkbekleding en dateren uit het vierde kwart van de 19de eeuw.
Helchteren, Houthalen (Houthalen-Helchteren), Meeuwen, Wijshagen (Oudsbergen)
Dit gebied in de Landschapsatlas omvat 1) een uitgestrekt heide en vennengebied van ruim 2000 ha, nu militair domein; 2) de bovenloop van de Abeek, 3) het straatgehucht Gestel, 4) het traditionele Gelstelse akkergebied op zandgronden, 5) de gefixeerde zandverstuivingen genaamd Kolisbergen en 6) het eind 19de-eeuwse domein Masy. Het gehele gebied weerspiegelt diverse vormen van traditioneel landgebruik van een Kempisch dorp: hooilanden en bomenrijen in de beekvallei, een straatdorp op de valleirand, akkers op de lichtere zandgronden en de heide en vennen als gemeenschappelijke graasgronden voor het vee. Het grootste deel van dit landschappelijk waardevol gebied bestaat uit heide en vennen, die zeer typerend zijn voor de landschapsontwikkeling op het Kempisch plateau.
Jordaenskaai (Antwerpen)
De hydraulische walkraan 111 is een portaalkraan gebouwd in 1907 door Union Métallurgique in Hoboken.
Koolmijnlaan (Beringen)
Ketelhuis uitgebouwd in drie fasen. In het noorden, oorspronkelijk Ladd-Bellevilleketelhuis van 1924, naar ontwerp van eigen studiebureau.
Schanslaan 134-140, 144 (Antwerpen)
Schans I maakt deel uit van een reeks van 18 kleine schansen die tussen 1906 en 1912 werden gebouwd tussen de oudere Brialmontforten. Schans I bevindt zich ten oosten van de Schanslaan in Borsbeek en gaf samen met Schans II en III de naam aan de straat.
Schanslaan (Antwerpen)
Schans II maakt deel uit van een reeks van 18 kleine schansen die tussen 1906 en 1912 werden gebouwd tussen de oudere Brialmontforten. Het gebouw bevindt zich ten oosten van de Schanslaan in Borsbeek en gaf samen met Schans I en III de naam aan de straat.
Schanslaan 10-20 (Antwerpen)
Schans III maakt deel uit van een reeks van 18 kleine schansen die tussen 1906 en 1912 werden gebouwd tussen de oudere Brialmontforten. Het gebouw bevindt zich ten oosten van de Schanslaan in Borsbeek en gaf samen met Schans I en II de naam aan de straat.
Drabstraat 256A (Mortsel)
Schans V maakt deel uit van een reeks van 18 kleine schansen die tussen 1906 en 1912 werden gebouwd tussen de oudere Brialmontforten. Schans V bevindt zich aan de Drabstraat in Mortsel tussen de weg en de spoorweg Mechelen – Antwerpen.
Ingenieur Haesaertslaan 18-24 (Edegem)
Schans X maakt deel uit van een reeks van 18 kleine schansen die van 1906 en 1912 werden gebouwd tussen de Brialmontforten. Het keelfront bleef bewaard maar werd verkocht in aparte kavels en kreeg per eigenaar een nieuwe invulling.
Ingenieur Haesaertslaan 82 (Antwerpen)
Schans XI maakt deel uit van een reeks van 18 kleine schansen die in de periode 1906-1912 werden gebouwd tussen de Brialmontforten.
Klaverbladdreef (Antwerpen)
Betonnen schans XVI, gebouwd van 1906 tot 1912 tussen de Brialmontforten, gelegen in de driehoek tussen Moerelei, Hollebeek en Klaverbladdreef te Wilrijk.
Sint-Bernardsesteenweg (Antwerpen)
Schans XVII is een betonnen pantserschans uit de binnenste fortengordel van de vesting Antwerpen, gebouwd in de periode 1906-1914. De schans met een ellipsvormig omgracht schanseiland maakt deel uit van het landschap gevormd door de domeinen 'Klaverblad' en 'Cleydael'.
Herbekestraat (Hemiksem)
Schans XVIII maakt deel van een reeks van 18 kleine schansen die in de periode 1906-1912 werden gebouwd tussen de Brialmontforten.
Antwerpen (Antwerpen)
De Stadsgraanzuiger 19 werd in 1927 in gebruik genomen door de haven van Antwerpen om graan over te slaan van zeeschepen op binnenschepen. Het is een ponton met daarop een zuiginstallatie op basis van stoom.
Steenweg Vrolingen 45 (Wellen)
De stroopstokerij Bleus werd in 1843 opgericht, de huidige gebouwen werden opgericht na de Tweede Wereldoorlog en bevatten een gaaf bewaarde productie-installatie.
Antwerpen (Antwerpen)
De West-Hinder 3 werd gebouwd in Oostende bij Béliard-Crighton in 1950 en diende als lichtschip voor de kust. Het schip ligt vandaag in Antwerpen.
Geel (Geel), Meerhout (Meerhout), Mol (Mol)
“De Grote Nete en het paraboolduinencomplex tussen Meerhout en Geel” is gelegen in de Antwerpse Kempen op het grensgebied tussen de gemeentes Meerhout, Geel en Mol. Het landschapsbeeld dat we hier vandaag waarnemen, weerspiegelt verschillende tijdlagen en het diverse gebruik van het gebied door de mens. Momenteel is het een zeer afwisselend landschap: een uitgestrekt akkercomplex bij Bel, beboste duinen, waterplassen en moerassen, 19de-eeuwse rechtlijnige heideontginningen, de beekvallei van de Grote Nete, de vele houtkanten tussen de weilanden en de akkers, onverharde wegen, ... Vele structuren, patronen en elementen verwijzen naar het historische bodemgebruik. De grote afwisseling in landschapsbeelden maakt dit landschap esthetisch aantrekkelijk.
Kapelstraat 133 (Antwerpen)
Alleenstaand landhuis van twee bouwlagen + souterrain onder leien mansardedak, uit het vierde kwart van de 19de eeuw tot het eerste kwart van de 20ste eeuw.
Leo Bosschartlaan 1 (Antwerpen)
Enorme productiehal in staalskeletbouw, in 1961 ontworpen door architect J. Van Mighem met bijdrage van R. Braem en De Roover.
Leo Bosschartlaan 1 (Antwerpen)
De nieuwe werf in 1873 definitief gevestigd aan de Schelde vormde de aanzet van de industrialisering van Hoboken.