Persoon

Hagen, Louis

ID: 11876   URI: https://id.erfgoed.net/personen/11876

Beschrijving

Louis Hagen genoot zijn opleiding als architect aan het Nationaal Hoger Instituut voor Bouwkunst en Stedenbouw in Antwerpen en studeerde er af in 1970 met een project over het Centraal Station van Antwerpen. Vervolgens ging hij bij het Gentse architectenbureau BARO aan het werk als stagiair en nadien als medewerker en hoofd van de afdeling woningbouw tot in 1978. Nadien richtte hij zijn eigen Architectuurbureau Hagen op, dat werkzaam bleef tot in 1984. Behalve woningbouw, was hij ook actief op het vlak van renovatie, industriegebouwen en kantoorarchitectuur. In het kader van Architectuur als Buur ontving hij in 1988 de prijs van ‘Architect van het jaar’. Van 1984 tot 1989 was hij geassocieerd met Pierre Huyghebaert en realiseerden ze bijvoorbeeld sociale huisvesting. In 1989 gingen Hagen en Huyghebaert verder als Atelier 4, samen met vennoten Mita De Baere en Peter Van Driessche. Hagen bleef verbonden aan Atelier 4 tot circa 2000. Nadien was hij werkzaam bij het bureau BAS (Bureau voor Architectuur en Scenografie) met zijn tweede echtgenote Karina Lambert.

Naast zijn eigen ontwerppraktijk, deelde Hagen ook zijn kennis als docent. Vanaf 1972 tot in de vroege jaren 2000 was hij actief aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Gent.

Hagen binnen BARO en het Gentse brutalisme (1970-1978)

BARO, Bureau voor Architectuur en Ruimtelijke Ordening, ontstond vanaf 1967 vanuit een samenwerkingsverband tussen architecten Eric Balliu (1936-2012) en Johan Baele (1943). Behalve Balliu, Baele en Hagen, bestond het bureau anno 1971 uit: Herman Van de Velde, Piet Bekaert, Marc Van Hoeteghem, Francine Bodderez en Yvan De Beule. Het bureau had een uitgesproken multidisciplinair karakter en er werd frequent samengewerkt met interieurarchitecten en beeldend kunstenaars.

Tussen 1967 en 1975 realiseerde BARO een 50-tal woningen in België en Italië, winkelcomplexen, kantoren, schoolgebouwen en een vakantiedorp in Sardinië, waarbij voor de Italiaanse opdrachten soms werd samengewerkt met architect Romano Antico. Het bureau ontving verschillende onderscheidingen en realiseerde enkele van de hoogtepunten van het Gentse brutalisme. De meest bekende realisaties van BARO in Gent zijn de school Het Trappenhuis (1966-1984), Woning Goethals (1968-1969), Woning Gardelein (1967-1968), de fabriek Meca-Pneumatics (1968-1969) en Woning en Winkel Floralis (1970). Het merendeel van deze realisaties zijn ondertussen sterk verbouwd.

BARO streefde ernaar om door middel van kwaliteitsarchitectuur een maatschappelijk en politiek statement te maken binnen de veranderende toenmalige context. De sociaal-maatschappelijke ambities van BARO pasten volledig in de toenmalige geest in navolging van het revolutiejaar 1968, waardoor ook de studententijd van Hagen werd beïnvloed. Er ontstond een tendens onder architecten om zich af te zetten tegen het materialisme en het kapitalisme. Deze vitaliteit beperkte zich tot opdrachtgevers en bewoners die eenzelfde visie deelden en de architect de kans gaven om zich te manifesteren als een dwarsligger.

De materialen die hierbij werden ingezet, zoals zichtbare, ruwe beton(steen), zetten zich ook af tegen het toenmalige burgerlijke bouwen en de opkomst van fermettes, waarbij dure materialen werden ingezet als statussymbool. Het brutalistische aspect werd ook doorgetrokken in de algemene vorm en compositie van hun ontwerpen. Dit leidde vaak tot een architecturale plasticiteit die afweek van traditionele gevelcomposities. Ook in ontwerpen van Louis Hagen, zoals zijn architectenwoning, is dit aanwezig en leidt dit tot een hoge sculpturale kwaliteit.

De architectuur van Hagen en BARO wilde bovendien vertrekken vanuit het leven zelf en de bewoners. BARO verduidelijkte het in 1971 als volgt: "(…) we bouwen altijd voor een familie. In het huis moeten alle gezinsleden zich op hun eigen wijze kunnen ontplooien. We streven daarom naar een kontinue, polivalente woning, samengesteld uit verschillende ruimten, die elk een eigen sfeer hebben. Men moet er referentie mee hebben, het kunnen beschrijven, zich er in kunnen verliezen en terug vinden. Het mag tot niets verplichten en moet alles mogelijk maken."

Dit gaf in die periode vaak aanleiding tot een verhoging van de ruimtelijke complexiteit en bewoonbare oppervlakte binnen een beperkte grondoppervlakte. Dit is ook zichtbaar in het werk van het Gentse architectenbureau van Johan Raman (1940-2016) en Fritz Schaffrath (1944), die goede vrienden waren van Hagen. Parallellen met Hagens realisaties zijn aanwezig in onder meer de aandacht voor het verdelen van het wonen over talrijke niveaus, een spel met open- en geslotenheid, lichtinval, trappen, wisselende niveauhoogtes en de sculpturale, monumentale plaats van de haard.

De ontwerpen van Raman en Schaffrath en van BARO en Louis Hagen, lieten een aangename beleving toe van de ruimte, in de lijn van Le Corbusiers promenade architecturale. Bij Hagens architectenwoning is dit opvallend aanwezig, en voelt de circulatie binnen de woning aan als een labyrint tot boven, waarbij de architecturale wandeling uitmondt in licht en een zicht op de natuur. Hagen speelde net als zijn collega’s met een spel tussen spanning en ontspanning, en met contrasten tussen vernauwing, afscherming en intimitiet, ten opzichte van openheid en doorzichten.

Diverse van deze elementen zijn ook beïnvloed door internationale tendensen. Zo zijn er op het vlak van de vormelijke en conceptuele keuzes nauwe gelijkenissen met het Nederlandse structuralisme van Aldo Van Eyck en Herman Hertzberger, en de ontwerpprincipes van Louis Kahn. Illustratief hiervoor zijn de aandacht voor de menselijke schaal en de persoonlijke inbreng van gebruikers en bewoners, gestimuleerd door de specifieke indeling en zichtbare materialen. De ontwerpen worden beschouwd als een metafoor van een kleine stad, met aandacht voor binnenstraten, ruimtes voor ontmoeting, voor persoonlijke ontwikkeling en voor beschutting. De complexe, fragmentarische ruimtelijkheid van de ontwerpen visualiseert de contrasten die de architect wil verzoenen. De opvallende ruimtelijk structurerende constructie breekt met traditionele conventies en legt de focus op het wonen zelf. Deze structuur laat bovendien flexibiliteit toe op het vlak van gebruik en invulling.

Het modelontwerp van deze periode in Hagens oeuvre is zijn eigen woning in Sint-Amandsberg bij Gent (Nijverheidskaai 43, 1974). De manier waarop hij in dit ontwerp speelt met contrasten, ruimtelijkheid, sferen en gradaties op het vlak van beleving, functie en privacy, is uiterst representatief. Dit kenmerkte niet enkel het interieurontwerp, maar was evenzeer aanwezig in de tuinaanleg ontworpen door Christian Vermander. Het leven werd geïntegreerd in de buitenomgeving door weloverwogen zichten en terrassen, en ook de architectuur zelf ging op in de natuur.

Een ontwerp dat qua planopbouw hiervan een voorloper vormt, is de Woning Van Rompaey aan de Botestraat (heden nummer 103) in Wondelgem bij Gent (1972). Ook hier creëerde Hagen een architecturale wandeling doorgeen het huis, die aanleiding gaf tot splitlevels en verspringende niveaus. Het gezinsleven kreeg een prominente plaats bij de haard. Hagen werkte ook mee aan de omvorming van de Dokter Verdurmenschool in Sint-Niklaas tot Woning Wymeersch, uitgevoerd door BARO en in 1974 bekroond met de speciale prijs Project using Eternit products binnen de prijskamp van Eternit. De integratie van het restant van het bestaande gebouw binnen de bosrijke omgeving was bepalend voor de keuzes op het vlak van privacy, intimiteit, materiaalgebruik en contact met de buitenruimte. Het gebruik van industriële, goedkope en lichte materialen zou zich in het latere oeuvre van Hagen verder doorzetten. De grote ruimtelijkheid van het ontwerp is eveneens een constante binnen Hagens realisaties. Wonen werd voorzien binnen een grote ruimte met een hoge mobiliteit, voorzien van een paar vaste kernen met functionele interrelaties.

Hagen bevestigde in een eigen, ongedateerde tekst dat hoewel ontwerpen beschouwd kan worden als een continu evoluerend proces, er belangrijke constanten in aanwezig zijn. Dit tonen de hierboven vermelde ontwerpen ook aan. In zijn ontwerptheorie wordt duidelijk belang gehecht aan de gebouwde of landschappelijke context van een ontwerp, die bepalend is voor het zoeken naar integratie of contrast, de materialen, kleuren, schaal, en de verhouding tussen afscherming, filtering en opening tot de omgeving. Ook bepalen is de relatie tussen de ruimtelijke indeling en architecturale wandeling enerzijds, en het specifieke sfeerbereik en de aanwezige contrasten anderzijds. Gebruikers moeten ruimte krijgen binnen een organische structuur om zich zelf te ontplooien en zich het ontwerp eigen te maken. Het ontwerp moet gewenste evoluties van groei en krimp ook kunnen dragen. Daarnaast waren niet alleen de inplanting en oriëntatie, en de inwendige zonering van de functies en compartimentering weloverwogen. Hagen verleende aan alle componenten evenveel zorg, zodat ook de materialen, structuur en vormgeving tegemoet kwam aan de gestelde randvoorwaarden.

Latere samenwerking met Pierre Huyghebaert en Atelier 4 (vanaf 1984)

Na zijn periode bij BARO, werkte Hagen een tijdlang zelfstandig. In het architectuurparcours Architectuur als Buur. Panorama van Gent en omstreken 1968-1988 waren ook twee ontwerpen uit die periode opgenomen, namelijk woningen in De Pinte (1978) en in Destelbergen (1982).

Vooral in de jaren 1980 evolueerde Hagen samen met Pierre Hughebaert en hun collega’s bij Atelier 4, onder invloed van de toenmalige ontwikkelingen en context, tot nieuwe concepten, vormen en materialen. Zo besefte hij dat een huis vaak slechts voldoet voor één generatie, wegens gebreken op technologisch vlak die sowieso optreden na verloop van tijd. Woning Van Hoorebeke in De Pinte ontstond vanuit die optiek en resulteerde in een constructie die makkelijk op te bouwen was. De lichte huid en materialen zorgden er bovendien voor dat het pand terug ‘onopgemerkt kon verdwijnen’ en vervangen worden door nieuwbouw, wederom aangepast aan de toenmalige context. Dit bewustzijn ging gepaard met het streven naar een snel, goedkoop en droog bouwprocedé.

Woning Schutte in Wetteren (1986-87) vertoont gelijkaardige karakteristieken. Het pand werd opgericht op de kelderstructuur van een vervallen woning die op deze plaats aanwezig was. Het was mogelijk om hierboven een woning te realiseren in een lichte houten draagstructuur, een aantal wanden ingevuld met cellenbeton en een dak met houten shingles. Net als in de architectenwoning in Sint-Amandsberg koos Hagen er hier – samen met Pierre Huyghebaert en Stefaan Ardui – voor om de woning heel sterk te oriënteren op de omliggende zichten en de tuin. Het overkragend schilddak werd ontdubbeld, zodat de omlopende vensterpartijen een uitzicht boden op de Schelde en de omgeving. Vormelijk incorporeerde het ontwerp invloeden uit Amerika en Japan. De opdrachtgevers verkozen sfeer, licht en ruimte, wat aanleiding gaf tot een aangepaste, open planindeling.

In Woning De Ridder te Schoten zette Hagen dit experiment verder en creëerde hij zelfs een fictieve historiek. Aangezien in deze parkomgeving – in tegenstelling tot in Wetteren – geen restant was van een vroeger gebouw, realiseerde hij zelf een ruïne. Hierop sloot het nieuwe ontwerp aan en zo kon hij het bestaan van het nieuwe gebouw wettigen. Ook hier zocht Hagen naar een gepaste architectuur ten opzichte van het natuurlijke, organische kader van het park. Dit gaf aanleiding tot een lichte, opgewekte constructie, die doet denken aan koloniale architectuur, en een zuiver, bijna cerebraal karakter heeft. De lichte bouw liet een efficiënte constructie toe, waarbij eerst het dak op poten tot stand kwam en vervolgens de rest eronder kon worden gebouwd in het droge. Hij schuwde de moderne, industriële materialen niet.

Eén van belangrijkste realisaties uit het latere oeuvre van Hagen is zijn tweede architectenwoning, die hij realiseerde in Lovendegem (Waalken nummer 5) circa 1995. Dit ontwerp kan beschouwd worden als een belangrijk moment van synthese van de latere fase van zijn oeuvre. De randvoorwaarden van het perceel, namelijk een grootschalig lot gelegen in een kasteeltuin, leunen aan bij sommige van de voorgaande ontwerpen. Net als bij Woningen Schutte en De Ridder koos Hagen voor een woning die ondergeschikt is aan de natuur en die dankzij de lichte constructie makkelijk afgebroken kan worden. De ligging van de woning in de groene omgeving stond garant voor een maximale privacy en liet toe de woning rondom volledig met glas uit te werken. Hagen integreerde ook bestaande elementen van de site in het ontwerp, zoals een bestaande tuinmuur en een rivier.

Dit ontwerp paste zich in binnen een toenemende aandacht voor ecologie en het streven naar een minimale voetafdruk in het gebruik van hoog thermisch glas en elektrische vloerverwarming. In deze latere fase van zijn oeuvre slaagde Hagen erin om het vormelijke gebaar van zijn vroege oeuvre te overstijgen. Dit leidde tot een gelaagd ontwerp, representatief voor de toenmalige technologische ontwikkelingen op het vlak van structuren en materialen. Deze lieten hem toe om ten volle tot de essentie te gaan.

Bij deze ontwerpen valt het op dat Hagen vaak moest omgaan met een contrast tussen het ontwerp en het uitgestrekte, natuurlijke karakter van de omliggende omgeving. Toch lukte het Hagen ook om een stedelijke context naar zijn hand te zetten en het ontwerp hier specifiek op af te stemmen. Dit was het geval in een recenter project, namelijk een hoekhuis in Antwerpen (Berchem, circa 2004). Hagen toonde in dit ontwerp aan dat het leven in de stad niet moest onderdoen voor het wonen in de rand. Hij situeerde het leefgedeelte op de eerste verdieping, met aansluitend een terras, afgeschermd van de straat, en creëerde een sterk ruimtegevoel in het interieur. Deze elementen vertonen – ondanks het verschil qua vorm en context – ook opvallende gelijkenissen met de architectenwoning in Sint-Amandsberg. Hagen streefde ernaar de toekomstige bewoonbaarheid van de woning te optimaliseren en flexibiliteit mogen te maken.

Behalve woningbouw realiseerde Hagen in de periode vanaf 1984 ook verschillende industriële gebouwen. Samen met Huyghebaert ontwierp hij de Beschermde Werkplaats Ryhove in Gent (1985-1986), die ook deel uitmaakte van het architectuurparcours Architectuur als Buur. Een ander voorbeeld is het Incubatie- en Innovatiecentrum in Gent (1989-90), in opdracht van de Universiteit voor Technologie. Hierin combineerde hij vormelijke verwijzingen naar het technische aspect van een machine, met referenties naar de zuilen van de Aula in de Voldersstraat in Gent. In de periode 1984-1991 realiseerde Atelier 4 in samenwerking met Groep Planning de Administratieve Hoofdzetel Samko Buro in Zele. Met het gebouw wilden ze eveneens het progressieve karakter van het bedrijf veruitwendigen in de architectuur. Ze ontwierpen ook het Bedrijvencentrum Regio Gent vanaf 1988-1989.

Atelier 4 nam daarnaast deel aan grote wedstrijden en projecten. Eén daarvan was het ontwerp voor serviceflats in Bassevelde. Het ontwerp getuigt in sommige keuzes van overeenkomsten met zijn eerste architectenwoning. Zo werd er gekozen voor een interessante, dynamische ruimtewerking met interne straten en brede gangen, zichten tussen hoog en laag, vides, veel daglicht en goedkope, zichtbare materialen. Hij wilde vrolijkheid en openheid creëren, om gevoelens van eenzaamheid en afgeslotenheid tegen te gaan.

In 1984 werd het project WISH gelanceerd met als doel een herwaardering van sociale huisvesting, die zich op dat moment in een malaise bevond. Het ‘sociale’ aspect werd immers te vaak gereduceerd tot goedkoop, terwijl Hagen en Huyghebaert net de interactie en het gemeenschapsleven terug wilden stimuleren. Ze wonnen de wedstrijd die in dit kader werd georganiseerd in Kuurne en realiseerden daar de Woongroep Ter Groenen Boomgaard (1984-1989, SM Eigen Gift – Eigen Hulp). Het concept omvatte een aantal straatwanden met woningen, collectieve voorzieningen en een buurthuis. Er werd een bevolkingsmix geambieerd, die interactie en behulpzaamheid moest stimuleren en zo effectief een gemeenschapskarakter tot gevolg zou hebben. Dit karakter werd versterkt door de aanwezige terrassen, straten en groenvoorzieningen, die contact stimuleerden. Ook autoverkeer werd zoveel mogelijk uit de wijk geweerd.

Het Bureau voor Architectuur en Scenografie (BAS), waar Hagen werkzaam was tijdens de laatste fase van zijn carrière, was gevestigd in het wooncomplex Chamonix in Sint-Amandsberg bij Gent, eveneens een ontwerp van Hagen binnen Atelier 4 (1995). Ook dit ontwerp getuigde van Hagens aandacht voor context, namelijk door het wonen via terrassen en daktuinen te oriënteren naar het groene binnengebied, de straatzijde een functionele invulling te geven en als geluidsbuffer te laten fungeren en de vormgeving te inspireren op de nabij gelegen haven en op maritieme architectuur.

  • Privéarchief Louis Hagen, ontwerpplannen, conceptnota en fotomateriaal eigen woning; ongepubliceerde tekst over zijn ontwerpprincipes; informatiebrochure van Atelier 4; overzicht met beeldmateriaal van de meest kenmerkende realisaties van Atelier 4 1987-1991.
  • Stadsarchief Gent, Bouwaanvragen particuliere woningen, G12, 1972 WO 43, 1974 SA 052, 94/40091en 2007/60118.
  • BEKAERT G. A. en STRAUVEN F. 1971: Bouwen in België 1945-1970, Brussel, 258-259.
  • BOSSCHEM J. en VIAENE P. (red.) 2001: 1751-2001, 250 jaar architecten van de Academie Gent, Gent, 166-167.
  • DE KEYZER L. 1993: Johan Baele. Architectuur in een sociaal raster, Demarche, A+ 120, 66-72.
  • DE KOONING M. (red.) 1988: Architectuur als Buur. Panorama van Gent en omstreken 1968-1988, Gent.
  • DE VLETTER M. 2004: De kritiese jaren zeventig; The Critical Seventies. Architectuur en stedenbouw in Nederland 1968-1982; Architecture and Urban Planning in the Netherlands 1968-1982, Rotterdam.
  • DUBOIS M. 1985: Van stad tot regio, van rijwoning tot villa, in: POULAIN N., DESEYN G., DUBOIS M., FREDERICQ-LILAR M., LALEMAN M.C., VAN CLEVEN J. en VAN TYGHEM F. (red.), Gent & architectuur, trots, schande en herwaardering in een overzicht, Brugge, 109-126.
  • KDK A. 1971: Woningen in het Gentse, Baksteen 3, 1-5.
  • KRIES M., EISENBRAND J. en VON MOOS S. (red.) 2012: Louis Kahn – the power of architecture, Weil am Rhein.
  • POULAIN N. 2003: BARO, in: VAN LOO A. e.a., Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden, Antwerpen, 139.
  • S.N. 1974: Dossier Internationale prijs voor architectuur 1974 Eternit, A+ 8, 17-43.
  • VAN DEN HEUVEL W.J. 1992: Structuralisme in de Nederlandse architectuur, Rotterdam.
  • VERLINDEN A. en LAGAE J. (red.) 1993: Architectuur in de provincie. Realisaties in Oost-Vlaanderen 1963-1993, Gent, 122, 158.
  • Mondelinge informatie verkregen van architect Louis Hagen (5 oktober 2018).


Erfgoedobjecten

Ontwerper van

Architectenwoning Louis Hagen

Nijverheidskaai 43 (Gent)
De architectenwoning van Louis Hagen is gebouwd volgens een bouwaanvraag van 1974. Het ensemble wordt bijkomend versterkt door het weloverwogen tuinontwerp van Christian Vermander (Buro voor Vrije Ruimten en Groenvoorziening, later Buro voor Vrije Ruimte).


Woning Mariën

Koekoeklaan 54 (Gent)
Woning, gebouwd in opdracht van de heer en mevrouw Mariën naar een ontwerp van BARO. De plannen dateren van juli 1973, werden getekend door Louis Hagen, maar nagezien en ondertekend door Eric Balliu. Het ontwerp sluit aan bij de brutalistische baksteenarchitectuur van BARO en valt voornamelijk op door de dynamische vormgeving en dito planindeling.


Woning Van Rompaey

Botestraat 103 (Gent)
Woning naar een ontwerp uit 1972 van Louis Hagen, die werkzaam was binnen het Gentse architectenvennootschap BARO (Buro voor architektuur en ruimtelijke ordening). Woning Van Rompaey getuigt van een grote eenheid tussen interieur en exterieur, en van een dialoog met de tuin en de oriëntatie.

Opdrachtgever van

Architectenwoning Louis Hagen

Nijverheidskaai 43 (Gent)
De architectenwoning van Louis Hagen is gebouwd volgens een bouwaanvraag van 1974. Het ensemble wordt bijkomend versterkt door het weloverwogen tuinontwerp van Christian Vermander (Buro voor Vrije Ruimten en Groenvoorziening, later Buro voor Vrije Ruimte).