Persoon

Dupuis, Jacques

ID: 1992   URI: https://id.erfgoed.net/personen/1992

Beschrijving

Jacques Dupuis wordt geboren in Quaregnon op 24 december 1914. Hij studeert architectuur aan het Institut Supérieur des Arts Décoratifs ‘La Cambre’ in Brussel, waar hij in 1938 zijn diploma behaalt. Van 1945 tot 1950 is hij geassocieerd met Roger Bastin (1913-1983), met wie hij de basis legt voor één van de meest opmerkelijke oeuvres uit de jaren 1950 en 1960 in België. Hun realisaties geven enerzijds blijk van een verankering in de lokale bouwtraditie, gekenmerkt door witgeschilderde bakstenen muren en leien daken. Anderzijds doet zich de invloed gelden van de Scandinavische architectuur, die zij tijdens een reis naar Denemarken en Zweden bestuderen. Jacques Dupuis bouwt later zijn praktijk uit in samenwerking met Simone Guillissen-Hoa van 1953 tot 1955, en vervolgens vooral met Albert Bontridder vanaf 1956 tot midden jaren 1970. Zijn oeuvre is in hoofdzaak gewijd aan de vrijstaande woning, en wordt, onder invloed van Gunnar Asplund, gekenmerkt door een delicate verbondenheid met de site, een uitgebalanceerde vormelijke vrijheid, een doorgedreven lyrisme in de planopbouw die volkomen breekt met het orthogonale schema, een kunstzinnige detaillering, en aandacht voor de psychologische vereisten van het privé-leven.

Het oeuvre van Jacques Dupuis werd recent grondig bestudeerd door Maurizio Cohen en Jan Thomaes, een onderzoek dat in 2000 uitmondde in een overzichtstentoonstelling en een monografie. Van de onderzoeksresultaten werd gebruik gemaakt om dit beschermingsvoorstel inhoudelijk te onderbouwen en de selectie te verantwoorden. Deze selectie werd overigens in samenspraak met beide onderzoekers bepaald.

In de loopbaan van Jacques Dupuis zijn vijf perioden te onderscheiden. De eerste periode, van 1937 tot 1951, wordt vooral bepaald door het samenwerkingsverband met Roger Bastin. Sleutelwerken uit deze fase zijn de Sint-Alenakerk in Vorst, de kapellen van Bertrix, de tuinwijken en foyers voor de ESMA in Malmédy en Auvelais, het Maison du Port Autonome in Luik en de beschermde villa Le Parador in Sint-Pieters-Woluwe. De tweede periode, van 1952 tot 1956, waarin hij team vormt met Simonne Guillissen-Hoa, levert realisaties op als het Provinciaal Blindeninstituut in Ghlin, de kleuterscholen in Frameries en de inmiddels gesloopte vakantiewoning Jean Wittmann in Sint-Genesius-Rode. De derde, drukste periode, van 1957 tot 1961, bepaald door het samenwerkingsverband met Albert Bontridder, wordt ingezet met een reeks paviljoenen voor Expo 58. Het is echter vooral in een gesofistikeerde reeks privé-woningen dat Dupuis’ universum volmaakt tot uitdrukking komt. Hij lijkt de delicate formule ontdekt te hebben om het terrein optimaal te manipuleren. De schuin geplaatste muur en de knik overheersen in de woningen Bedoret, Mestdagh, Van der Vaeren, Wittmann, Michaux, Franeau, Camus, en De Landtsheere. De vierde periode, van 1962 tot 1968, vormt een periode van bevestiging, waarin Dupuis uitgroeit tot één van de leidende figuren van de Belgische architectuur. Bewijs hiervan zijn de themanummers die de toonaangevende architectuurtijdschriften aan zijn oeuvre wijden, en de lidmaatschappen van prestigieuze verenigingen als de Libre Académie de Belgique, de SBUAM en de SCAB. Ook in deze periode zijn het toch vooral de privé-woningen, ontstaan uit een nog geïntensifieerde samenwerking met Albert Bontridder, die het belangrijkste gedeelte van Dupuis’ realisaties uitmaken, hoewel door het vermeerderen van het aantal opdrachten zich een zeker maniërisme en een herhalen van vroegere oplossingen doet gevoelen. Tot de sleutelwerken behoren de woningen Van den Schrieck, Piscador, De Racker en Vliers. In de laatste periode van zijn loopbaan, van 1969 tot 1984, een periode van fysieke en geestelijke ondermijning waarin het aantal opdrachten en projecten dramatisch afneemt, bereikt Jacques Dupuis nog slechts een enkele keer het niveau van zijn meest vruchtbare perioden.

De productie van Jacques Dupuis in het Vlaamse Gewest betreft uitsluitend privé-woningen. In de loop van zijn carrière zijn in totaal een 50-tal woningen naar zijn ontwerp gerealiseerd, evenredig gespreid over het Vlaamse, het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Deze groep woningen behoort tot het meest oorspronkelijke wat er in de jaren 1950 en 1960 op het vlak van de privé-woning in België is geproduceerd. Ook elke woning afzonderlijk, groot of klein, getuigt van een doorgedreven individualiteit aangepast aan de gegeven omstandigheden of als onderdeel in een vormelijk ontwikkelingsproces. Op het grondgebied van het Vlaamse Gewest tellen we in totaal 15 gerealiseerde woningen, die aan een nader onderzoek werden onderworpen. Eén woning werd enkele jaren terug gesloopt, drie woningen werden uit het beschermingsvoorstel geëlimineerd op basis van het gebrek aan relevantie voor de totaliteit van het oeuvre. Drie woningen werden geëlimineerd op basis van een te ingrijpende, als onherstelbaar te beschouwen mate van verbouwing die de oorspronkelijke architectuur al te zeer en structureel aantast zonder enige intrinsieke kwaliteit toe te voegen. Eén woning werd om inhoudelijke redenen toegevoegd aan een beschermingsvoorstel voor een groep kustvilla’s in Knokke-Heist, momenteel in procedure. In het beschermingsvoorstel werden aldus zeven woningen weerhouden, waarvan er vijf ( Van der Vaeren, Van den Schrieck, Marcel Wittmann, ‘groot paviljoen’ Mestdagh, De Landtsheere) behoren tot de door Cohen en Thomaes gedefinieerde referentieprojecten uit de meest vruchtbare fasen van Dupuis’ loopbaan. De twee resterende werden bijkomend weerhouden omwille van hun intacte bewaringstoestand en hun intrinsieke kwaliteit (Wéry, Van der Schueren).

Het moment voor bescherming is meer dan opportuun. Drie van de zeven woningen zijn nog in het bezit van de oorspronkelijke eigenaars of hun familie en verkeren nog in oorspronkelijke staat (Van den Schrieck, Van der Shueren, De Landtsheere). De vier overige woningen werden in het recente verleden aan nieuwe eigenaars verkocht. In geen van de vier bracht dit geen noemenswaardige wijzigingen met zich mee, afgezien van het kleurgebruik in het interieur dat veelal aan de smaak van de nieuwe bewoners werd aangepast. De ervaring met evenveel andere Dupuis-woningen, die na verkoop onherkenbaar werden verbouwd of zelfs gesloopt, leert ons dat niet alle nieuwe eigenaars even bewust en zorgzaam met dit erfgoed omspringen. Het risico op zwaardere ingrepen, met een nefast verlies aan ruimtelijke en beeldkwaliteit voor deze uitgepuurde architectuur, waarvan de waarde mede bepaald wordt door de vaste interieurelementen, is in de nabije toekomst dus denkbeeldig.

Een wezenlijk kenmerk van de ontwerppraktijk van Jacques Dupuis bestaat erin dat zijn architectuur werd opgevat als een totaalconcept, dat tot in de kleinste details door de architect werd bepaald, inclusief wand- en vloerbekleding, interieurtextiel, keukeninrichting en sanitair. Hieruit volgt dat exterieur en interieur van deze woningen naadloos in elkaar over vloeien. Het interieur wordt in grote mate bepaald door de aanwezigheid van vaste en inbouwmeubels, met name gesloten en open wandkasten, tabletten, verlichtingsarmaturen enz., die intrinsiek deel uitmaken van het monument en tot de te beschermen delen moeten gerekend worden. Veelal strekte zijn invloed zich bovendien uit tot de algehele interieurinrichting, van losse meubels tot en met tafelgerei, die in een aantal gevallen nog in situ bewaard is, en minstens om registratie vraagt.

Jo Braeken, beschermingsdossier DB002224.


Erfgoedobjecten

Ontwerper van

Woning van der Vaeren

Acacialaan 52 (Herent)
Gebouwd in de periode 1959-1961, ontworpen door architect Dupuis in samenwerking met Albert Bontridder. De woning van der Vaeren strekt zich uit op een ruim perceel, met een onbeperkt uitzicht op de wijde omgeving van Leuven.


Woning van den Schrieck

Grote Molenweg 73 (Herent)
De villa werd gebouwd in de jaren 1962-1965 en ontworpen door Jacques Dupuis in samenwerking met Albert Bontridder. Lou Bertot assisteerde bij de inrichting.


Woning van der Schueren

Middenlaan 8 (Kraainem)
Villa voor het echtpaar Guy van der Schueren, behorend tot de laatste periode binnen het oeuvre van Dupuis.


Woning Marcel Wittman

Bruinborrelaan 27 (Meise)
Modernistische woning gebouwd in 1961 naar ontwerp van J. Dupuis, in samenwerking met Albert Bontridder en assistent P. Calame-Rosset.


Woning Robert Wéry

Sint-Annalaan 146 (Sint-Genesius-Rode)
Modernistische villa met toegangsas tussen twee groepen kamers, zo gelegen dat ze op een imaginair punt in de tuin convergeren, tussen 1963 en 1965 ontworpen door Jacques Dupuis in samenwerking met Albert Bontridder.


Dokterswoning De Landtsheere

Gaverlandstraat 69 (Gent)
Woning De Landtsheere 1961-1963: Dupuis in samenwerking met Albert Bontridder. De woning de Landtsheere strekt zich uit op een lang maar tamelijk smal perceel, oost-west georiënteerd tussen de Leie en de Drongensesteenweg.


Villa Zeeëgel

Magere Schorre 54 (Knokke-Heist)
Woning "Zeeëgel" van 1964-1965 naar ontwerp van architect Jacques Dupuis (Quaregnon, 1914-Mons, 1984) in samenwerking met P. Rousseau. Beschermd als monument bij ministerieel besluit van 16/01/2004.


Paviljoenen Mestdagh

Lequimelaan 4, 6 (Sint-Genesius-Rode)
Dubbelwoning uit 1956-1958, naar ontwerp van Jacques Dupuis in samenwerking met Emile Fays, verbouwd in 1996-1997.


Villa naar ontwerp van Guillissen-Hoa

Mechelsesteenweg 282 (Wezembeek-Oppem)
Achteringelegen modernistische villa daterend van 1954-1955, in 2010 gerenoveerd met achteraan toevoeging in de stijl van de woning.