Julius Goethals werd in 1883 door de gemeenteraad van Aalst verkozen als stadsbouwmeester. In deze rol, die hij vijfendertig jaar zou uitoefenen, was hij heel invloedrijk en was hij betrokken bij belangrijke architecturale en stedenbouwkundige ontwikkelingen in Aalst. Naast zijn werk voor de stad Aalst, bouwde hij een eigen praktijk uit, waarbij zijn diverse en omvangrijke oeuvre een voorliefde toont voor de neogotiek. Hij legde zich toe op het bouwen en verbouwen van kerken, maar hij ontwierp ook woningen, industriële panden, kloosters, scholen, pastorieën en verschillende publieke gebouwen.
Dankzij het onderzoek van Pieterjan De Coninck, gepubliceerd in 2025, werd het leven en werk van Goethals in kaart gebracht. Dit overzicht baseert zich op dat artikel. Architect Goethals mag niet verward worden met zijn naamgenoot Jules Goethals (1844-1902), die als landschapsschilder en etser actief was.
Julius of Jules Goethals werd geboren als zoon van politieagent Petrus Goethals en Mechtildis Verstappen. Zijn broer Remi Goethals werd later decoratieschilder, zijn andere broer Bernard bouwkundige en zijn zus Désirée modiste. Julius volgde tussen 1869 en 1873 lessen architectuur aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent en nadien aan Sint-Lucas in Gent binnen de afdeling bouwkunst. Daar kwam hij in contact met de neogotische beeldtaal. Hij studeerde er af in 1879. Goethals werd waarschijnlijk in datzelfde jaar geassocieerd lid van de Gilde van Sint-Thomas en Sint-Lucas, die zich sterk inzette op het promoten van de neogotiek. Deze elementen waren bepalend voor zijn ideologische en artistieke ontwikkeling, en maakten hem ook deel van een invloedrijk en uitgebreid netwerk.
Vanaf 1876 was Goethals werkzaam als eerste tekenaar bij architect Pieter Van Kerkhove, die ook deel uitmaakte van de Gilde en vanaf 1880 provinciaal architect van Oost-Vlaanderen was. Goethals werkte mee aan belangrijke projecten van deze architect, zoals het neogotische ontwerp voor het stadhuis van Sint-Niklaas, de Bank van Waes, een aantal scholen en woningen in de omgeving van Sint-Niklaas en de heropbouw van het Chateau du Faing in Jamoigne in neogotische stijl.
In 1883 solliciteerde Goethals voor de functie van stadsbouwmeester van Aalst. Van Kerkhove schreef een aanbevelingsbrief. Op 10 maart werd Goethals door het toenmalige katholieke stadsbestuur gekozen uit de negen kandidaten. Als stadsbouwmeester werd hij ook benoemd als professor en bestuurder van de sectie bouwkunde van de stedelijke academie van Aalst. Hij werd lid van de Besturende Commissie van de academie en van de Plaatselijke Geneeskundige Commissie en Comiteit van Openbare Gezondheid. In 1907 werd hij benoemd tot lid van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Oost-Vlaanderen. Hij zetelde in de beheerraad van het stadsmuseum van Aalst en als raadgevend lid in het bestuur van de Oudheidkundigen Kring van de stad en het voormalige Land van Aalst (opgericht in 1903).
Naast zijn openbare functie bouwde hij een succesvolle eigen praktijk uit. Soms verweet men hem belangenvermenging en oneerlijke concurrentie, aangezien hij dankzij zijn positie een uitgebreid klantenbestand opbouwde en een uitgebreid oeuvre realiseerde in en buiten Aalst voor diverse opdrachtgevers. Deze commentaar kwam vooral uit liberale en daensistische hoek en illustreert de laat-19de-eeuwse context en ideologische gevoeligheden.
Na zijn benoeming tot stadsbouwmeester verhuisde hij in 1883 van Gent naar Aalst. Op 16 februari 1886 trouwde hij met Maria Philomena Callebaut. Ze kregen samen vijf kinderen. In 1889 verhuisde het gezin van de Statiestraat naar een door Goethals ontworpen woning in de Dirk Martensstraat. Tussen 1900 woonde broer Bernard in bij het gezin. Bernard wilde vanuit zijn opleiding architectuur aan Sint-Lucas graag bijkomende praktijkervaring opdoen bij zijn broer. Hij assisteerde Julius bij enkele realisaties, zoals de bouw van de Meuleschettekapel (1894), en werd als toezichter aangesteld bij enkele openbare gebouwen.
Naast zijn beroepsactiviteiten was hij in zijn vrije tijd ook sterk actief in het socioculturele leven van Aalst. Hij ondersteunde verschillende verenigingen en initiatieven, waaruit zijn katholiek geloof, passie voor muziek en liefde voor de Nederlandse taal spraken. Hij was lid van de Derde Orde van Sint-Franciscus. Omstreeks 1886-1890 was hij secretaris van de Kerkfabriek en van het Bureel der Kerkmeesters van de Sint-Jozefkerk. In 1896 werd hij erelid en vanaf 1908 voorzitter van Koninklijke Rederijkerskamer De Catharinisten. Onder Goethals leverden De Catharinisten een belangrijke bijdrage aan twee Aalsterse Vlaamsgezinde initiatieven: de ondercommissie die streefde naar de vernederlandsing van de Gentse universiteit (1910-1911) en de viering van de Guldensporenslag (1912). Hij hechtte belang aan volksverheffing en had aandacht voor het welzijn van de arbeidersbevolking. Zijn liefde voor muziek en zang leidde tot enkele muzikale optredens en hij was ook bestuurslid van de Koninklijke Harmonie Al Groeiend Bloeiend.
Door de Eerste Wereldoorlog vielen verschillende bouwprojecten stil. Goethals werd nog betrokken bij het opmeten van oorlogsschade, maar zou overlijden na een slepende ziekte in de zomer van 1918. Als stadsbouwmeester werd hij opgevolgd door Triphon De Smet uit Temse. Julius' zoon Emile, die ingenieur-architect was, nam het privébureau van zijn vader over.
Dankzij zijn uitgebreide netwerk en rol als stadsbouwmeester in Aalst, verwierf hij veel aanzien bij heel diverse opdrachtgevers. Naast onder meer burgers, industriëlen en geestelijken had hij ook goede contacten met verschillende gemeentebesturen in de omgeving van Aalst, zoals Letterhoutem, Meldert, Lede, Hillegem, Ressegem en Denderwindeke. Zijn realisaties zijn dus ook typologisch divers. Naast kerken ontwierp hij woningen, pastorieën, industriële gebouwen, hospitalen, scholen, elektriciteitscabines, hekwerk, kerkmeubilair,... Behalve nieuwbouw legde hij zich ook toe op restauraties en verbouwingen van kerken en andere historische gebouwen. Hij ontwierp eveneens decoratieve elementen bij feestelijkheden.
De kerkelijke bouwkunst van Goethals sluit aan bij de late neogotiek (circa 1885-1914). Goethals bleef hierbij trouw aan de meer traditionele variant van de neogotiek. Naast kerken ontwierp hij ook pastorieën in een late neogotische stijl. In zijn burgerlijke bouwkunst beperkte hij zich niet tot neogotiek en putte hij een eclectisch gamma van neostijlen. Zijn grootschalige gezinswoning in de Dirk Martensstraat ontwierp hij in neo-Vlaamse-renaissancestijl (1888). Soms koos hij ook voor traditionalisme of neoclassicisme.
Kerken nemen het belangrijkste deel van zijn oeuvre in. Goethals bouwde, verbouwde en restaureerde tal van parochiekerken. Deze bevinden zich voornamelijk in Oost-Vlaanderen, maar hij was ook actief in West-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en Antwerpen. Opvallende neogotische nieuwbouwontwerpen zijn bijvoorbeeld de Sint-Andrieskerk in Strijpen (1897), de Onze-Lieve-Vrouw van Bijstandkerk en bijhorende pastorie in Aalst (1902), de Parochiekerk Sint-Gaugericus in Pamel (1903) met bijhorende pastorie, de parochiekerk Sint-Lambertus in Beerse en de neogotische Sint-Engelbertuskerk in Prosperdorp en pastorie (1910-1911). Hij ontwierp ook nieuwe pastorieën in Borsbeke, Mespelare, Sinaai en Lede. Bij de Sint-Pietersbandenkerk in Uitbergen integreerde Goethals de historische kruisingstoren en koor in het ontwerp van de nieuwe kerk (1904). Bij parochiekerken in Sint-Niklaas, Hillegem en Vlierzele was hij enkel betrokken bij de afwerking of het ontwerp van de kerktoren. Daarnaast realiseerde hij verbouwingen, uitbreidingen en restauraties van kerken, bijvoorbeeld in Denderhoutem, Iddergem, Pollare, Moerbeke (bij Geraardsbergen), Nieuwenhove, Meldert, Meerbeke, Michelbeke, Moorsel, Beveren-Waas, Zandbergen en Sint-Lievens-Houtem. Andere voorbeelden zijn de uitbreiding van de Sint-Martinuskerk in Kerksken (1892), de renovatie van de Sint-Corneliuskerk in Aalter (1901), de verbouwing en vergroting van de Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaartkerk in Oudegem (1908) en de restauratie van de Sint-Martinuskerk in Lovendegem (1908). Hij maakte verbouwplannen voor een zestal pastorieën. Goethals ontwierp daarnaast ook kloosters. In 1904 ontwierp hij een klooster met kloosterkerk voor de paters-Kapucijnen in Ciney. Hij ontwierp de verbouwingen aan het kapucijnenklooster in Meersel-Dreef (1905) en het nieuwe klooster met kerk voor de Aalsterse kapucijnen (1910). Net als andere neogotische architecten ontwierp hij eveneens kerkmeubilair.
Qua woningbouw was Goethals in Aalst betrokken bij de bouw van arbeiderswoningen en de urbanisatie in de wijken Schaarbeek en Mijlbeek. Hij ontwikkelde zelf gronden tot bouwpercelen, diende bouwaanvragen in voor ensembles van rijwoningen en ontwierp deze ook. Er is bijvoorbeeld een ontwerp van zijn hand gekend uit 1898 voor 25 woningen op de hoek van de Koolstraat en de huidige Vakschoolstraat. Hij ontwierp in 1906 een reeks arbeiderswoningen aan de Dendermondse Steenweg in opdracht van twijnderij Filature et Filteries Réunies, gebaseerd op 28 verschillende geveltypes, die ondanks hun verschillen toch vooral getuigen van een grote eenheid. Bij het ontwerp van deze woningen had hij ook aandacht voor comfort en hygiëne. Hij ontwierp opvallende burger- en herenhuizen. Een voorbeeld is het ontwerp van een neoclassicistisch herenhuis in de Dirk Martensstraat voor hophandelaars Prosper en Jan De Coninck (1912). In deze straat bevonden zich ook zijn eigen woning (1888) en een ander burgerhuis (1889) in neo-Vlaamserenaissance-stijl.
Het karakter van Aalst als industriestad vertaalde zich ook in andere ontwerpen van Goethals. Voor de firma Callebaut Frères ontwierp hij een fabrieksgebouw (1883). Voor de weduwe van Hyacinthe Leclercq ontwierp hij een glucosefabriek (1891), gelegen tussen de Hersthage en de Denderkaai. In 1896 ontwierp hij een hangar voor katoenfabriek Geerinckx – De Naeyer. Voor de gebroeders Prosper en Jan De Coninck realiseerde hij, grenzend aan de tuin van hun woning in de Dirk Martensstraat, een magazijn met hopast en conciërgewoning (1912). In 1913 ontwierp hij vijf
elektriciteiscabines in opdracht van de Société d’Electricité du Nord de la Belgique.
Gezondheidszorg was een belangrijk aandachtspunt in die late 19de eeuw. Goethals was als stadsbouwmeester de ontwerper van het nieuwe stedelijke hospitaal van Aalst in neogotische stijl (in 1899 in gebruik genomen), en was daarnaast betrokken bij uitbreidingen van de hospitalen van Essen en Ninove. Andere publieke ontwerpen omvatten bijvoorbeeld scholen, zoals de nieuwe gemeenteschool van Meldert, een nieuwe vak- en ambachtsschool op de Sint-Jozefparochie in Aalst en de Sint-Gudulaschool in Aalst (1909). Hij ontwierp ook de woonst van de zusters van de Heilige Vincentius a Paulo aan de Moorselbaan (1915) en realiseerde verbouwingen aan bestaande schoolgebouwen.
Tot de opvallende nieuwe stedelijke infrastructuur die hij als stadsbouwmeester ontwierp, behoren het stedelijk zwembad met woning voor de toezichter (1886) en de vismarkt (1892). Als stadsbouwmeester had hij echter een uitgebreid en gevarieerd takenpakket. Hij hield toezicht op publieke en private bouwwerken, op het naleven van de stedelijke bouwreglementen en gaf advies over bouwaanvragen. Bij de beoordeling van bouwaanvragen kon hij ook bijkomende voorwaarden opleggen. Hij was verantwoordelijk voor de plannen, bestekken en lastenboeken van werken aan stadsgebouwen en voor werken aan privégebouwen die door de stad gesubsidieerd werden. Hij was bijvoorbeeld betrokken bij de restauratiewerken aan de Heilige Geestkapel, de Sint-Martinuskerk, het schepenhuis, de Werfkapel en de Borse van Amsterdam. Als stadsbouwmeester werd hij ook betrokken bij ongevallen, crisissituaties en gevallen van openbare veiligheid. Daarnaast legde hij de inplanting en het tracé van nieuwe straten vast.
Auteurs: Verhelst, Julie
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: VERHELST J. 2026: Goethals, Julius [online], https://id.erfgoed.net/teksten/456281 (geraadpleegd op ).
Jules Goethals (Gent 1855 – Aalst 1918) kreeg zijn opleiding aan het Sint Lucas Instituut in Schaarbeek. Hij werd stadsarchitect van Aalst (1882) en later directeur van de academie. Tegelijk ontplooide hij een privépraktijk als architect en kerkbouwmeester met een grote voorliefde voor neogotiek. Hij behoorde tot de late neogotiek die bloeide van 1885 tot 1914.
Jules Goethals nam een belangrijke plaats in binnen het Oost-Vlaamse architectuurlandschap, en vooral in Aalst. Als stadsarchitect realiseerde hij er een typologisch divers oeuvre: van arbeiderswijken en openbare gebouwen tot winkels en burgerhuizen als privaat architect. Hij ontwierp meer dan 30 kerken. Daarnaast restaureerde en verbouwde hij tal van kerken. Ze ademen de strikte aanpak van de neogotiek van de Sint-Lucasscholen uit. Veel van zijn opdrachten betroffen herstellingswerken aan bestaande kerken en/of vergrotingen ervan, al dan niet gepaard met een nieuwe voorgevel. Die werken wist Goethals doorgaans in een tot één geheel aansluitende stijl, volgens een conventionele neogotische esthetiek, vorm te geven. Zijn oeuvre telt ook een aantal volledig nieuw gebouwde parochiekerken zowel in stedelijke centra als op het platteland. Daarnaast treffen we in zijn oeuvre ook andere bouwtypes aan zoals pastorieën, een kapel, klooster.
De talrijkste bouwopdrachten kreeg hij gespreid over Oost-Vlaanderen maar er zijn ook realisaties van religieuze bouwkunst van hem genoteerd in de provincies Antwerpen, Brabant en West-Vlaanderen. Als een academische beoefenaar van de neogotische vormentaal wordt hij in één adem vernoemd met tijd- en geestgenoten als architecten Pierre Langerock, Jules Coomans, Hendrik Geirnaert, Alfons De Pauw.
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: S.N. 2019: Goethals, Jules [online], https://id.erfgoed.net/teksten/304605 (geraadpleegd op ).