Persoon

Isgour, Isia

ID: 2892   URI: https://id.erfgoed.net/personen/2892

Beschrijving

Isia Isgour werd op 18 augustus 1913 geboren in Minsk, Wit-Rusland. Omwille van hun Joodse afkomst, waren hij en zijn familie meerdere malen genoodzaakt te vluchten. Naar aanleiding van de Russische revolutie eerst van Minsk naar Charlottenburg in Duitsland waar Isgour lagere school liep. Met de opkomst van het nazisme en het antisemitisme, trok de familie verder en kwam zo in Brussel terecht.

Isia Isgour voltooide zijn middelbare studies aan het Koninklijk Atheneum in Sint-Gillis en schreef zich in 1931 in voor de architectuuropleiding aan de Académie Royale des Beaux-Arts in Brussel. Hij kreeg er een klassieke architecturale vorming en volgde onder meer colleges bij Emile Lambot, die hoofdzakelijk tekenen gaf, en bij ingenieur Louis Baes. Atelier volgde Isgour bij Henry Lacoste, die niet alleen in zijn architecturale oeuvre maar ook in zijn lessen heden en verleden met elkaar trachtte te verzoenen en zo een hang naar synthese uitdroeg. Zijn stage volbracht hij bij de architecten Armand Delalieux en Charles Van Nueten. Bij

Van Nueten, die lid was van de CIAM (Congrès international d’architecture moderne) en verschillende congressen bijwoonde, kwam Isgour in contact met de moderne architectuur.

Ondertussen was in 1934 Isgours vader overleden, waardoor hij voor een deel van het gezinsinkomen verantwoordelijk werd en onder meer tijdelijk als fotograaf werkte bij Photo Hall. Deze bijverdienste bleek belangrijk voor zijn carrière als architect: Jean Houtart, oprichter en zaakvoerder van Photo Hall, bezorgde Isgour met het ontwerp van een flatgebouw in Elsene (1938), nauwelijks drie jaar na Isgours afstuderen, zijn eerste opdracht als zelfstandig architect (Voorzittersstraat 43, 1050 Elsene).

De Tweede Wereldoorlog echter onderbrak zijn carrière en opnieuw sloeg hij met zijn familie op de vlucht, eerst naar Frankrijk, later naar het neutrale Zwitserland. Daar volgde hij in Genève een opleiding urbanisatie aan de hogeschool. De Tweede Wereldoorlog echter onderbrak zijn carrière en opnieuw sloeg hij met zijn familie op de vlucht, eerst naar Frankrijk, later naar het neutrale Zwitserland. Daar volgde hij in Genève een opleiding urbanisatie aan de hogeschool voor architectuur. Stedenbouw volgde hij ook aan het Eidgenössisches Polytechnikum in Zürich.

Na de oorlog keerde Isgour terug naar Brussel, beëindigde zijn opleiding urbanisme aan de ULB, bekwam hiervoor in 1946 zijn diploma en nam de draad van zijn carrière weer op.

In een poging zijn architectuurpraktijk weer op te nemen, nam Isgour in 1947 deel aan een open architectuurwedstrijd, geïnitieerd door minister Terfve, voor ontwerp en uitwerking van een nationale bouwplaats in opdracht van het ministerie voor Wederopbouw. Van de 455 inzendingen bekroonde de jury – waarin onder meer Bourgeois, Stynen, Van Goethem en Van Nueten zetelden – er 28. Tien projecten werden effectief gerealiseerd, waaronder dat van Isgour in Haine-Saint-Pierrre nabij La Louvière. Niet alleen dit winnende ontwerp maakte dat Isgours carrière een vlucht nam. Minstens even belangrijk waren de goede relaties die hij wist uit te bouwen met leidinggevende figuren van de Société Générale, hoofdaandeelhouder van de mijnzetel van Houthalen-Helchteren.

Isgour won het vertrouwen van ingenieur en steenkoolspecialist Eduard Leblanc die hem introduceerde bij de directie van de mijnzetel. Op die manier verwierf Isgour diverse opdrachten in de mijnstreek die hem toelieten een typologisch gedifferentieerd oeuvre uit te bouwen in Limburg. Hij verwezenlijkte culturele en educatieve infrastructuren voor de mijnzetels van Houthalen-Helchteren en Zwartberg, en bouwde ingenieurs- en bediendewoningen in Houthalen-Helchteren en Heusden-Zolder. Een jaar voor de sanering van de mijnindustrie in 1957, die een einde zou stellen aan Isgours projecten voor de mijnzetels, haalde hij nog de opdracht binnen voor een gemeenschappelijk sanatorium voor alle Limburgse mijnzetels, dat werd gebouwd in Lanaken. De belangrijke bijdrage die Isgour leverde aan het naoorlogse mijnpatrimonium – en daarmee ook de modernisering van Limburg – maakte dat hij in Limburg relatieve bekendheid genoot en een goede reputatie opbouwde.

Hij verwierf het vertrouwen van lokale politici. De stadsbesturen van Hasselt en Genk engageerden hem voor publieke bouwopdrachten voor sport (sportcentra) en cultuur (cultuurcentra). Isgour maakte onder meer indruk op Paul Meyers, oud-minister en burgemeester van Hasselt, die hem in 1956 de opdracht van het Cultuurcentrum Hasselt toevertrouwde.

Naast zijn uitgebreid oeuvre in Limburg, bouwde Isgour meerdere appartements- en bureelgebouwen, een rusthuis en een zwembad in Brussel, waar hij zijn bureau uitbouwde. De dynamiek die het bureau Isgour daarbij in de jaren 1950 en 1960 kenmerkte, maakte het noodzakelijk dat hij zich liet bijstaan door een groeiend aantal medewerkers. In 1952 kwam Constantin Brodzki zich bij het bureau aansluiten voor het project van het theater Casino in Houthalen. Na zijn vertrek in 1953 werden architect Francis Bogaert en technisch tekenaar André Van Acker vaste medewerkers van het bureau tot 1967. Hiernaast waren verschillende architecten en tekenaars voor kortere periodes werkzaam op het bureau, zoals de Oostenrijkse architect Peter Paul Mandl, die er werkte vanaf 1964 tot 1967. Volgens zowel Bogaert als Mandl volgde Isgour de projecten nauwgezet op. Hoewel hij niet alle ontwerpen zelf vanaf de aanvangfase tot de oplevering uitdacht, was hij tot in detail op de hoogte van het stadium waarin de projecten zich bevonden.

Op 6 juli 1967 stierf Isia Isgour in Brussel, waarop zijn bureau ophield te bestaan. Het betekende het einde van een mooie, maar te korte carrière. Isgour liet zijn vrouw, Liane Ranieri, en zijn éénjarige zoon Marc achter.

Isgour legde een zakelijk talent aan de dag, zowel bij het aantrekken van zijn medewerkers als bij het inschatten van zijn opdrachtgevers, waardoor de architectuur van het bureau de bedoelingen van de opdrachtgevers nagenoeg perfect reflecteerde. De beredeneerde appreciatie van wat / voor wie / hoe te bouwen en het binnen de krijtlijnen naleven van deze wensen getuigt van Isgours zakelijke doeltreffendheid en nuchtere beroepseer om “goed werk”, “zonder scheuren” af te leveren. Medewerkers, maar ook opdrachtgevers en collega-architecten beschreven Isgour als een perfectionist die zeer veel van zijn medewerkers verlangde en hierbij verhitte discussies niet uit de weg ging.

Binnen de Brusselse architectuurscène was hij lid van beroepsorganisaties zoals de Société des Architectes Diplômés de l’Académie Royale des Beaux-Arts (S.A.D. Br.). Deze vereniging legde regelmatig bezoeken af aan projecten van Isgour, waarvan nadien verslag werd gemaakt in het ledenblad. Als lid van de organisatie nam Isgour deel aan congressen, architectuurexcursies en feestgelegenheden. Hij werd tevens geselecteerd om tentoon te stellen op de expositie naar aanleiding van de 250ste verjaardag van S.A.D. Br. Isgour was ook actief lid van de Association des Urbanistes Diplômés de l’Université Libre de Bruxelles (A.U.Br.) en van 1950 tot 1954 was hij binnen de Société centrale d’Architecture de Belgique (S.C.A.B.) betrokken bij het Comité des Matériaux. Hiernaast verwierf hij – hoewel hij de Joodse godsdienst niet actief beleefde – eveneens opdrachten via zijn contacten met de Joodse gemeenschap. In de eerste naoorlogse projecten, bij voorbeeld de chantier national in Haine-Saint-Pierre, manifesteerde Isgour zich als een klassiek geschoold, veeleer traditionalistisch of regionalistisch ingesteld architect. Ook de ingenieurswoningen die hij in 1948-1951 ontwierp als uitbreiding van de cité Meulenberg werden opgetrokken in een traditionele bouwstijl. Isgour plooide zich hier zonder meer naar de verlangens van de bouwheer: de nieuwe woningen schikken zich rond en naar de bestaande woningen en zijn op vraag van de opdrachtgever opgetrokken uit dezelfde rode baksteen en pannendak. Om de monumentale en zware metselwerkvlakken enigszins te verlevendigen, maakte Isgour gebruik van decoratieve en gestileerde metselverbanden die getuigen van een expressieve maar ingetogen baksteenarchitectuur. Dit materiaalgebruik en deze decoratieve uitwerking hernam hij in het broederklooster (1950-1951) en de jongens- en meisjesschool (1948-1953) van de mijncité. Een symmetrische configuratie, schilddaken, alternerende metselwerkverbanden, muurdoorbrekingen en baksteenfriezen geven het geheel een regionale, klassiek geïnspireerde uitstraling. Geleidelijk distantieerde Isgour zich van de traditie en zocht hij aansluiting bij de moderne architectuur.

De koerswijziging ten opzichte van het vroegere werk komt tot uiting in de sobere en moderne vormgeving van het zusterklooster (1956-1958), dat oorspronkelijk in spiegelbeeldschema was ontworpen ten opzichte van het broederklooster, en in de heldere, sobere ingenieursvilla’s (vanaf 1953) die de visuele tegenpool uitmaken van de eerste klassieke en monumentale ingenieurswoningen. De dualiteit en overgang van traditioneel naar modern in het werk van Isgour kan als een weerspiegeling van zijn opleiding worden beschouwd. Het veelvuldige gebruik van baksteen en expressieve, gestileerde motieven in het vroege naoorlogse werk doen een invloed vermoeden van Henry Lacoste, Isgours docent aan de Académie Royale des Beaux-Arts. Lacoste toonde onder meer in de ontwerpen van de monumentale mijnkathedralen in Zwartberg en Beringen een tomeloze fantasie in vormentaal en stilistische verwijzingen. De klassieke opleiding bij Lacoste en Lambot, met een sterke nadruk op decoratieve vormgeving en historische verwijzingen in de traditie van de beaux-arts-stijl, staat tegenover de invoering van de moderne vormentaal tijdens Isgours stage bij Van Nueten, die aan La Cambre doceerde.

Het verschil in mentaliteit tussen beide scholen kon wellicht niet groter zijn. La Cambre, de”citadel van het modernisme”, had sinds de oprichting van de instelling door Henry van de Velde in 1927 de eigentijdse, moderne architectuur in de opleiding vervat. Het merendeel van de redactie van Architecture – “de vertegenwoordigers van de nieuwe generatie van modernisten – was bovendien opgeleid of docent aan La Cambre.

De weerslag van deze ‘moderne aanvulling’ op zijn klassieke opleiding wordt – het eerste appartement in Brussel buiten beschouwing gelaten – pas merkbaar in het werk dat Isgour ontwierp in de jaren 1950. Als men terugblikt, lijkt 1952 een keerpunt te zijn: dat jaar trad Constantin Brodzki in dienst bij Isgour en introduceerde er vermoedelijk de opvattingen van het toenmalige Amerikaans functionalisme. Het theater Casino in de cité Meulenberg (Houthalen-Helchteren, 1951-1953), waar Brodzki aan meewerkte, vormt een voorafbeelding van het latere werk van het bureau. De structurele rationaliteit van het betonskelet, de gedifferentieerde ruimteschakeling, de variatie in materiaal en tektoniek en de functionele planindeling, die hier voor het eerst tot uiting kwamen, zouden een vast gegeven worden. De “bekering tot de moderne architectuur” is echter niet alleen aan de samenwerking met Brodzki te danken. In het kielzog van het Marshallplan werd met de veramerikanisering ook de internationale stijl geïntroduceerd in België. In de nieuwe, breed aangehangen architectuurtaal werden vormelijke referenties aan het verleden geweerd. Deze kentering, onderschreven door Architecture, weerspiegelde zich ook in het werk van Isgour, dat vanaf het einde van de jaren 1950 meer en meer door het blad werd ingezet als illustratie van de moderne architectuurtaal.

De keuze voor het modernisme is echter meer een verschuiving dan een breekpunt: de beslotenheid van de traditie werd geleidelijk doorbroken en het lijkt erop dat Isgour eerder op een vanzelfsprekende wijze aansluiting zocht bij architecturale structuren of culturen. Eén van de ontwerptools die Isgour gebruikte, althans in de projecten voor collectieve architectuur, was de autonome behandeling van diverse ruimtelijke, typologische of functionele onderdelen van het programma. Deze analytische en tegelijk functionalistische werkwijze had hij al toegepast in het ontwerp voor de kleuterschool in de cité Meulenberg (1948-1954) te Houthalen. De aaneenschakeling van autonome klaslokalen langs een samenvattende luifel zou hij herhalen en verder uitwerken in de kleuterschool in Genk (1954). In de falanstère in de cité Meulenberg (1956) en het Medisch Instituut Sint-Barbara in Lanaken (1956-1958) werden gebogen schaalconstructies of volledig beglaasde passages aangewend om de verschillende vleugels op elkaar te betrekken. In de mijnwerkersschool Kempisch Leercentrum voor Jonge Medewerkers (K.L.M.J.), het latere Technisch Instituut van het Kempisch Bekken (T.I.K.B.) (1956-1958), het Cultuurcentrum Hasselt (1956-1972) en het sportcentrum Poseidon (1959-1964) werden de samenstellende bestanddelen coherent en rechtstreeks aaneengeschakeld door een weldoordachte interne ruimteverdeling en een functionele planopvatting. Het accentueren van de toegang en het doorbreken van het gevelvlak met luifels is een ander terugkerend element.

Niet alleen in de vormentaal maar ook in het materiaalgebruik nam het oeuvre in de tweede helft van de jaren 1950 een duidelijk moderne verschijningsvorm aan. Isgour ruilde het traditionele materialenpalet in voor de moderne materiaal- en bouwtechnische verworvenheden. Het betonskelet met een dragende centrale kern werd één van de vaste elementen in de flat- en kantoorgebouwen. Grote overspanningen werden – het solitaire schaaldak van beton bij het Sportcentrum in Genk buiten beschouwing gelaten – gerealiseerd met balken in gewapend of voorgespannen beton of met gemengde staal-beton liggers. Modulatie en prefabricatie werden waar mogelijk aangewend, en hierbij deden ook architectonisch beton en schokbeton hun intrede. Taats- en tuimelramen in aluminium, al dan niet opgenomen in een Wallspan gordijngevel, ingevuld met Thermopane en Glasal, werken de structuur af. Securit-glas, golfplaten in asbestcement, lichtkoepels in gewapend polyester of ongewapend perspex, Heraklith-platen, heldere gladde bakstenen, béton translucide en andere eigentijdse materialen vulden het gamma verder aan.

Deze staalkaart aan materialen, die de bouwkunst van de fifties en sixties kenmerken, werd probleemloos aangevuld met meer traditionele, edele en opgewaardeerde materialen zoals kalksteen Comblanchien, travertijn en Labradormarmer. Vooral pierre blanche d’Euville, een witgele kalksteen, paste Isgour herhaaldelijk toe voor bekledingen van steunmuren, muurpenanten, randbalken en gevelpuien, en dit zowel in kantoorgebouwen, flatgebouwen als collectieve gebouwen. Isgour had er geen moeite mee om ‘edele’ en industriële materialen te combineren. Het terugkerende gebruik van gordijngevels, skeletstructuren, verspringende raamkaders en geprononceerde vloer- of dakbalken die het karakter en de ritmiek van de gevels bepalen, zorgden voor een architectonische continuïteit, die evenwel geen routine werd. De strakke lijnen, de combinatie glas, staal en beton en de structurele uitwerking brengen Mies van der Rohe in herinnering.

Naast de internationale stijl zijn in het oeuvre van Isgour subtiele verwijzingen aan te treffen naar een tweede stroming die opgang maakte in de jaren 1950: de moderne Scandinavische architectuur met Alvar Aalto als voornaamste exponent. Tegenover de functionalistische en technocratische architectuur werd een vernaculaire bouwkunst gesteld, gekenmerkt door het logisch en economisch aanwenden van regionale materialen, de integratie met de natuur en een meer organische vormentaal. In het oeuvre van Isgour doen in de eerste plaats de woning Heleven in Houthalen (1957) en de ingenieursvilla’s in Heusden (1957-1958) deze tweede invloedssfeer vermoeden. De sobere en strakke architectuurtaal maakte hier plaats voor textuur, kleur en extraversie: een vooruitspringend gevelvlak in ruwe steen getuigt van een vrijere vormgeving die regionalisme en modernisme verzoent. Ook het sporadische gebruik van lessenaarsdaken houdt een verwijzing naar Scandinavische voorbeelden in. De ontwerphouding van Isgour maakt het lastig om – naast een algemene verwijzing naar bredere tendensen – in zijn architectuur een eigen handschrift te ontwaren. Zijn oeuvre neemt het economische principe – in de zin van ‘goed bouwen’ en vakmanschap – als uitgangspunt. Conventie krijgt hierdoor een grotere rol toegekend dan originaliteit of stoutmoedigheid: design en techniek zijn een middel maar geen doel. De klare, onopgesmukte constructieve taal sluit hierbij aan.

Bij Isgours plotse dood in 1967 viel het atelier uit elkaar. De naam en faam die het genoot, vervaagde met de tijd.

  • Beschermingsdossier DL002580, Sportcentrum Genk, Emiel van Dorenlaan 144, Genk.


Erfgoedobjecten

Ontwerper van

Broederklooster ontworpen door I. Isgour

Saviostraat 39 (Houthalen-Helchteren)
Broederklooster, thans Vrij C(entrum) L(eerlingen) B(egeleiding) Midden-Limburg, daterend van 1950 en naar ontwerp van architect I. Isgour.


Casino

Varenstraat 22A (Houthalen-Helchteren)
Het Casino, thans Cultureel Centrum, werd in 1951-53 opgetrokken naar ontwerp van architect Isia Isgour uit Brussel, met als architect-medewerker Constantin Brodzki.


Directeurswoning ontworpen door I. Isgour

Wildrozenstraat 17 (Houthalen-Helchteren)
Villa, gelegen in een ruime tuin met vooraan aangelegde parking, van circa 1940.


Hôtel des Charbonnages

Grote Baan 47 (Houthalen-Helchteren)
Hotel, tot in 1996 bestemd voor opvang van ingenieurs die tijdelijk voor de mijn werkten en van bezoekers.


Ingenieurswoningen

Beukenstraat 3-14, Koolmijnlaan 116-134 (Houthalen-Helchteren)
Woningen voor technische ingenieurs van 1957 en 1955 en naar ontwerp van architect Isia Isgour (Brussel), in samenwerking met Francis Bogaert, sluiten aan bij de andere ingenieurswoningen in de mijncité, doch zijn spiegelbeeldig gekoppeld.


Ingenieurswoningen ontworpen door I. Isgour

Brelaarstraat 38-48, Platanenstraat 1-3 (Houthalen-Helchteren)
Alleenstaande, onderling licht verschillende hoofdingenieurswoningen van 1948, en iets kleinere ingenieurswoningen van 1951 en 1949, allen naar ontwerp van architect I. Isgour.


Kleuterschool van de mijncité Meulenberg

Elzenstraat 9 (Houthalen-Helchteren)
Gesubsidieerde Vrije Kleuterschool, naar ontwerp van architect I. Isgour. Vermoedelijk strekten de ontwerpfase en de bouwactiviteit zich uit over de periode 1948-54.


Medisch Instituut Sint-Barbara

Bessemerstraat 478 (Lanaken)
Voormalig sanatorium gebouwd door architect Isia Isgour in de late jaren 1950 en ingeplant in de bossen van Lanaken.


Mijnwerkersschool

Pastorijstraat 40 (Houthalen-Helchteren)
Vooruitstrevende mijnwerkersschool, zogenaamd Technisch Instituut Kempisch Bekken, van 1957-58, naar ontwerp van architect I. Isgour, met als architect-medewerker F. Bogaert.


Parochiekerk Sint-Lambertus

Bremstraat 39A (Houthalen-Helchteren)
De noodkerk die in 1942 was opgetrokken in afwachting van de niet-gerealiseerde grote kerk waarvan de plannen opgesteld waren door I. Isgour, fungeert vandaag de dag nog steeds als bedehuis van de wijk.


Savioschool

Saviostraat 37 (Houthalen-Helchteren)
Savioschool ontworpen werd door architect Isia Isgour. De planningsfase en de bouwactiviteit strekten zich uit van 1948 tot 1953, daar de lokalen in 1953 in gebruik werden genomen.


Sportcentrum

Emiel Van Dorenlaan 144 (Genk)
Het eerste ontwerp van het Sportcentrum van Genk dateert van 1963. Opdrachtgever was het stadsbestuur van Genk. Ingeplant in de bossen langs de Emiel Vandorenlaan, zou het oorspronkelijk deel uitmaken van een volledig ‘sportdorp’.


Steenkoolmijn van Helchteren-Zolder: Tuinwijk Berkenbos, Cité Kleuterberg, ingenieurs- en directeurswoningen

Edward Staintonstraat 77-129, Gasthuisstraat 1-11, Helzoldlaan 9-11, Koolmijnlaan 211-289, 298-316, 340, 348-354, 164-220 en 294-296, Minderbroedersstraat 2-10, 18-30, Naaldert 90-92, Pastoor Paquaylaan 46-104, Pater Amideuslaan 1-8, 10-12, Polenstraat 1-27, Poststraat 1-22, 23-27, Rode Kruisstraat 1, Rond Punt 1-35, Sint-Barbaraplein 1-10, 12-18, Ursulinenstraat 1-21, Zeven Septemberlaan 2-28 (Heusden-Zolder)
In de nabijheid van de steenkoolmijn van Heusden-Zolder werd vlak voor de Eerste Wereldoorlog gestart met de uitbouw van een mijncité rondom het Rond Punt in Heusden in het gehucht Berkenbos.


Steenkoolmijn van Zwartberg: Zuiderwijk

Arbeidsstraat 2-54, 64-70, Franklin Rooseveltstraat 1-14, Frans Allardstraat 1-58, 60-62, Gouverneur Alex. Galopinstraat 18-60, Haardstraat 2-8, Halenstraat 1-62, 64-84, Heidestraat 1-6, 8-14, Hoevenzavellaan 113-119, Jeneverbesstraat 1-3, Jules Carlierstraat 1-16, 17-35, Koning Albertstraat 1-46, 47-63, Louis Chainayestraat 1-30, Slopstraat 1-21, Vredestraat 1-50, 51-87, Waterscheistraat 1-57, Zaveldriesstraat 36-52, 53-66, 67, Zonnebloemstraat 1-56, 57, Zuidplaats 1-8, zonder nummer (Genk)
De Zuiderwijk werd opgericht als een tweede mijncité bij de steenkoolmijn van Zwartberg vanaf het interbellum. Het merendeel van de wijk werd echter gebouwd vlak na de Tweede Wereldoorlog binnen de context van de kolenslag.


Synagoge Romi Goldmuntz

Oostenstraat 2-4 (Antwerpen)
L-vormig gebouw, met gecementeerde en beige geschilderde voorgevel, van twee bouwlagen onder platte daken, uit de tweede en derde kwart van de 20e eeuw, waarin grote en kleine synagoge, feestzalen en conciërgewoning.


Vier ingenieurswoningen ontworpen door I. Isgour

Brelaarstraat 30-36 (Houthalen-Helchteren)
Alleenstaande ingenieurswoningen van 1953, naar ontwerp van architect I. Isgour, met als architect-medewerker F. Bogaert.


Vrijgezellenwoonst ontworpen door I. Isgour

Bergstraat 36 (Houthalen-Helchteren)
Falanstère of vrijgezellenwoonst voor alleenstaande mijnwerkers, opgevat als een sober vooruitstrevend gebouwencomplex werd in 1956 opgericht naar ontwerp van architect I. Isgour.


Woning Heleven

Herebaan-West 89 (Houthalen-Helchteren)
Alleenstaande, modernistische woning, gebouwd naar ontwerp van architect I. Isgour, in opdracht van F. Heleven, een werknemer van de koolmijn van Houthalen.


Zusterklooster ontworpen door I. Isgour

Elzenstraat 14 (Houthalen-Helchteren)
Zusterklooster, sober gebouw bestaande uit drie haakse vleugels van twee bouwlagen, daterend van 1956 en naar ontwerp van architect I. Isgour.