Alfred Ronse werd geboren in 1876 als zoon van Alfred-Pierre-Jean Ronse (1835) en Joséphine Liebaert. Zijn vader was politiek actief als gemeenteraadslid van Brugge en schepen van openbare werken, en lag zo aan de basis van de zorg om het behoud en de restauratie van het erfgoed in de stad Brugge. Zo lag hij aan de basis van het verlenen van een stedelijke toelage vanaf 1877 voor het herstel van waardevol erfgoed. Behalve in Brugge, verbleef de jonge Alfred Ronse ook vaak op het familiedomein Ter Waere in Gistel. Na zijn huwelijk met Urbaine Moerman vestigde hij zich in 1900 definitief in het landhuis in Gistel.
Ronse ontwikkelde als autodidact een grote passie voor molens en streekgeschiedenis. Met Theo Raison onderzocht hij de hoevebouw en landelijke typologieën in de West-Vlaanderen. Ze werkten tentoonstellingen uit en publiceerden in 1918 'Fermes-types et constructions rurales en West-Flandre'. In deze publicatie beschreven ze de verschillende bouwstijlen binnen de landbouwsector en deden ze voorstellen tot nieuwe landbouwconcepten binnen de traditionele bouwstijl. Ze gaven ook suggesties voor wederopbouw. Andere publicaties van hun hand zijn 'Landelijke bouwingen. Algemeene raadgevingen. Ontwerp tot het opbouwen van eene kleine hofstede' (1918), 'Ontwerp eener hofstede van middelbare grootte (drieentwintig hectare) voor de polderstreke' (1918) en 'Onwerp eener kleine hofstede (acht hectare) voor de zandstreek' (1918). Rond hetzelfde moment werd hij aangesteld als toegevoegd Hoog Koninklijk Commissaris voor de heropbouw van de verwoeste gewesten in de streek Diksmuide-Gistel. In Gistel stichtte hij met Raison de werkhuizen die voor heel wat tewerkstelling zorgden. Met Gustaaf Boudolf richtte hij een vakschool 'les ateliers de Ghistelles' op, die deze vaklui ook kan aanleveren. Hij was als dijkgraaf verantwoordelijk voor de drooglegging van enkele duizenden hectaren land.
Zijn interesse voor windmolens werd gevoed vanuit een voorkeur voor techniek en natuur. Ronse bouwde een uitgebreid netwerk uit van molenaars, molenmakers en reisde regelmatig naar Nederland, waar hij onder andere contact had met molenmaker Adriaan J. Dekker. Al in 1907 kocht hij de Gistelse Oostmolen. In 1933 rustte hij deze molen als allereerste West-Vlaamse windmolen uit met het wiekenverbeteringssysteem Dekker in functie van een verhoging van het rendement. Ook plaatste hij een rollager waarop de hals van de molenas draaide. In 1930-1931 liet hij op het domein Ter Waere de korenmolen 't Merelaantje bouwen door Charles Peel. Het molentje stond in 1933 model voor de grotere molen Merelaan, die hij achter zijn kasteel liet bouwen en uitgevoerd werd door Camiel Lombary en Charles Peel in de Gistelse Werkhuizen. De molen was door Ronse in de eerste plaats geconcipieerd met de bedoeling om door middel van windkracht elektriciteit op te wekken. Met deze nieuwe functie toonde hij als bekend molinoloog een vernieuwende aanpak om de toekomst van de windmolens te verzekeren. In 1934 publiceerde hij 'De Windmolens'. In 1939 bouwde hij een typische Nederlandse achtkante bovenkruier voor zijn neef en petekind Christiaan van de Walle de Ghelcke. Lobary stelde het molentje in Gistel samen, waarna het bij de woning van Christiaan in de Daverlostraat in Assebroek werd opgebouwd. Het molentje werd in 1987 preventief afgebroken en opgeslagen in het provinciaal molenmuseum in Wachtebeke. Ronse speelde een belangrijke rol bij het behoud van windmolens, niet alleen door het bewaren en nieuw bouwen van molens in Gistel, maar ook vanuit zijn advies en steun bij verschillende molenrestauraties en rol in molenverenigingen. Hij was lid van de Commissie voor Monumenten en Landschappen.
Net als zijn vader was Ronse ook politiek actief. In Gistel was hij raadslid, vanaf 1919 schepen en vanaf 1933 burgemeester. Van 1932 tot zijn overlijden was Alfred Ronse voorzitter van de West-Vlaamse provincieraad.
Auteurs: Verhelst, Julie
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: Verhelst J. 2025: Ronse, Alfred [online], https://id.erfgoed.net/teksten/452210 (geraadpleegd op ).
Alfred Ronse was bestendig afgevaardigde en vanaf 1919 toegevoegd Hoog Koninklijk Commissaris voor de streek Diksmuide-Gistel. Hij was werkzaam binnen de West-Vlaamse afdeling van de Commissie ter Verfraaiing van het Landelijk Leven.
Architect Theo Raison was zijn rechterhand. Samen publiceerden ze 'Fermes-types et constructions rurales en West-Flandre (1918), 'Landelijke bouwingen. Algemeene raadgevingen. Ontwerp tot het opbouwen van eene kleine hofstede' (1918), 'Ontwerp eener hofstede van middelbare grootte (drieentwintig hectare) voor de polderstreke' (1918) en 'Onwerp eener kleine hofstede (acht hectare) voor de zandstreek' (1918).
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: S.N. 2019: Ronse, Alfred [online], https://id.erfgoed.net/teksten/307084 (geraadpleegd op ).