Herinventarisatie in Gent: een nieuw licht op de Gentse architectuur van de vroege 20ste eeuw

woensdag 24 december 2014

Iets meer dan dertig jaar geleden verscheen boekdeel 4nc van de reeks Bouwen door de eeuwen heen. Hierin werd de stadsuitbreiding van Gent tijdens de 19de en 20ste eeuw behandeld.

Wanneer de herinventarisatie van Gent als opdracht werd vooropgesteld in de vorige beleidsnota (2009-2014), werd in overleg met de dienst Monumentenzorg en Architectuur van de Stad Gent besloten om de herinventarisatie vanaf 2012 te starten met stadswijken die in de vroege 20ste eeuw werden uitgebouwd.

Als eerste werd de zogenaamde Rijsenbergwijk aangepakt, in samenwerking met studenten van de opleiding Monumenten- en Landschapszorg van de Universiteit Antwerpen (toenmalige Artesis Hogeschool). Deze woonwijk, een deel van de vroegere Sint-Pieters-Aaigemwijk in de omgeving van het Gentse Sint-Pietersstation, staat immers onder toenemende druk. Momenteel wordt er door de stad een Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP) opgesteld, waarbij ook oog is voor de panden met erfgoedwaarde. Vanaf 2013 werd daarnaast gestart met de wijk rondom het Muinkpark in samenwerking met Tamara Rogiest van de stadsdienst.

Wijken in evolutie rond de eeuwwisseling

De stadsontwikkeling van de stad Gent kwam rond 1900 in het gebied tussen de twee stations, meer bepaald het toenmalige Zuidstation en het geplande Sint-Pietersstation, in een stroomversnelling.

De vroegere Sint-Pieters-Aaigemwijk vormde een moerassig gebied met een ruraal karakter, dat gevat was tussen het geplande Sint-Pietersstation en de Leie, thans begrensd door de Gordunakaai, Koning Albertlaan, en de spoorlijn naar Oostende met aangrenzend de Koningin Fabiolalaan. Enkele oudere buurtwegen met een beperkte bebouwing, zoals de Patijntjestraat, Aaigemstraat en Rijsenbergstraat, werden vanaf de vroege 20ste eeuw opgenomen in een plan voor de hele wijk.

Dit urbanisatieplan werd gestimuleerd door de bouwplannen voor het Sint-Pieterstation vanaf 1905 en vervolgens de organisatie van de Wereldtentoonstelling in 1913. Als één van de vroegste straten werd de aflijning van de Koning Albertlaan goedgekeurd in een Koninklijk Besluit van 1902.

Langs deze belangrijke verkeersas werd de verkaveling en bebouwing met burgerhuizen aangevat vanaf 1911. De stelselmatige urbanisatie van de gehele wijk vatte pas aan tijdens het interbellum, nadat tijdens de Eerste Wereldoorlog de Leie was recht getrokken tussen het Patijntje en de kort voordien aangelegde Koning Albertbrug.

De aflijning van een aantal nieuwe straten in de wijk, die de bestaande wegen doorkruisten en verbonden, werd vastgelegd tijdens de jaren 1920 en 1930, meer bepaald de Sportstraat, Handbalstraat, Tennisbaanstraat, Distelstraat en Duifhuisstraat. Rond 1930 – in volle crisisjaren! – kende de wijk een grote uitbouw met de realisatie van stadswoningen en burgerhuizen, die in het hart van de wijk hoofdzakelijk zijn geconcipieerd als een kleinschalige rijbebouwing en een staalkaart vormen van de toenmalige architectuurontwikkelingen en maatschappelijke context.

De erfgoedwaarde is hierbij sterk gekoppeld aan de mate van gaafheid van bewaring van onder meer het specifieke materiaalgebruik, de detaillering in decoratie en schrijnwerk, en het kleinschalige, vaak gesloten karakter van de architectuur. Het straatbeeld wordt gediversifieerd met de aanwezigheid van onder meer losstaande villa’s, meergezinswoningen, appartementsgebouwen en scholen.

Gent

Een tweede kern van stadsontwikkeling tijdens de vroege 20ste eeuw, is gesitueerd in de buurt van het verdwenen Zuidstation, meer bepaald in de vroegere wijk Muinkmeersen. Hier kwam vanaf 1905-1906 een verkavelingsproject tot stand na de sluiting van de vroegere dierentuin (1851-1904). De vrijgekomen gronden van de dierentuin waren gelegen tussen de Muinkschelde, Dierentuinlaan en de Sint-Lievenslaan. Stadsingenieur Victor Compijn nam het initiatief tot de aanleg van een stervormig stratenpatroon rondom een cirkelvormig plein, waarbij de statige Tentoonstellingslaan kruiste met de Leeuwstraat, Tijgerstraat en Zebrastraat.

Het zogenaamde Muinkpark is een restant van de dierentuin en vormt het groene hart van deze wijk, aangevuld met het groene karakter van enkele lanen zoals de Tentoonstellingslaan en de Muinklaan. Eerstgenoemde vormde een centrale verkeersas binnen de verkeerscirculatie tussen de twee stations. De grote aantrekkingskracht van de wijk bereikte voornamelijk welgestelde burgers, waardoor het straatbeeld overwegend gekenmerkt wordt door herenhuizen en burgerhuizen in rijbebouwing, gerealiseerd vlak voor de Eerste Wereldoorlog en tijdens het interbellum, en vormgegeven in de gangbare architectuur uit de eerste helft van de 20ste eeuw.

De wijk benoemen als een 'burgerwijk', dekt de lading echter niet. Een deel van de verkavelde gronden van de dierentuin werd immers verworven door een maatschappij die er vanaf 1906 onder leiding van Louis Gildemyn arbeidershuisvesting realiseerde voor het personeel van de fabriek van Eugène de Hemptinne aan Ter Platen, meer bepaald de Cité de Hemptinne. In de Zebrastraat bevindt zich het sociale huisvestingscomplex ‘De Cirk’ van 1908, ontworpen door Charles Van Rysselberghe.

Karakteristieke interbellumarchitectuur rondom het station

Gent

De zogenaamde Rijsenbergwijk wordt getypeerd door ontwerpen van belangrijke lokale en regionale architecten, die werkzaam waren tijdens het interbellum. Eén van de voornaamste is Geo Henderick. Twee in de wijk gelegen ensembles en één woning naar zijn ontwerp werden officieel beschermd en vormen interessante voorbeelden uit zijn architecturaal oeuvre, gekenmerkt door een expressionistische baksteenarchitectuur in navolging van de Amsterdamse School.

Het hoekcomplex van de Patijntjestraat en de Aaigemstraat, en de aanpalende woningen in de Patijntjestraat (10-12 en 14-16) en Aaigemstraat (18-20, 24-26) werden vanaf de tweede helft van de jaren 1920 ontworpen door architect Henderick in opdracht van dezelfde bouwheer, namelijk Alexander Van Heuverswijn. Dit ensemble valt op door onder meer de decoratieve afwerking van het metselwerk, een ritmering door middel van erkers, het gebruik van speelse accenten en details zoals een gnoom en een vogel, en de zorgvuldigheid in de uitwerking van schrijnwerk, deurroosters en glas.

Daarnaast bezit de wijk nog enkele andere pareltjes, die pas tijdens de huidige inventarisatiecampagne echt naar waarde konden worden geschat. De zakelijke, rationeel en functioneel opgevatte ontwerpen van Gaston Eysselinck bezitten een hoge erfgoedwaarde en illustreren zijn vernieuwende ideeën rond planindeling.

Het voornaamste voorbeeld bevindt zich in de Sportstraat, namelijk de gaaf bewaarde Woning De Voldere van 1938. Deze aan de straat vrij gesloten gevel vertaalt de rationele opvatting van de plattegrond, waarbij de keuken gesitueerd is aan de straat en de living zich bevindt aan de opengewerkte achtergevel. Enkele ontwerpen die aan dit uitgepuurde woonhuis voorafgaan, situeren zich in de Patijntjestraat: Woning Debaive en Woning Haerens, waarvan laatstgenoemde de Prijs Van de Ven ontving in 1937. Eysselinck speelde ook een rol in het ontwerp voor het naoorlogse appartementsgebouw Residentie Olympia in de Verpleegstersstraat.

Enkele van zijn leerlingen ontwierpen woningen in zijn geest: waaronder het appartementsgebouw op de hoek van de Aaigemstraat en Rijsenbergstraat in 1939 van Walter Cantré en een naoorlogs burgerhuis in de Patijntjestraat van A.J. Defoor.

Een eerder onbekende, maar interessante Gentse modernistische architect is André Claessens. Hij realiseerde naast woonhuizen aan de Sportstraat en Distelstraat, een opvallende rijwoning (nummer 97) aan de Koning Albertlaan, voorzien van een parement afgewerkt met roze faïencetegels.

Andere Gentse architecten die diverse, hoofdzakelijk modernistische woningen ontwierpen voor deze wijk, waren Emile De Nil en Jules Lippens. Architect De Nil was productief met ontwerpen die aanleunen bij het Romantisch Kubisme. Hij ontwierp aan de Rijsenbergstraat onder meer een kenmerkende villa uit de jaren dertig en een appartementsgebouw met invloeden van de bootstijl.

Jules Lippens realiseerde meerdere eengezinswoningen en appartementsgebouwen in een kenmerkende, sobere modernistische baksteenarchitectuur, bijvoorbeeld aan de Rijsenbergstraat, Verpleegstersstraat, Sportstraat en Koning Albertlaan. Ook architecten als Robert Buysse, Theofiel Desmet, Frans Flameng, Jean Marie Joris, Alexander Meuleman en Ernest Snoeck waren heel actief in de wijk.

Gent

Toch volgden niet alle architecten de moderne architectuurontwikkelingen. Dit is zichtbaar in het diverse straatbeeld van de Koning Albertlaan, waarbij een deel van de woonhuizen refereert naar historische stijlen. De Gentse architect Charles Hoge ontwierp stilistisch erg diverse woningen in de wijk, waaronder sterk decoratief uitgewerkte rijhuizen aan de Koning Albertlaan, bijvoorbeeld nummer 75 van 1919 in neorococo. Referenties naar de cottagestijl zijn niet alleen aanwezig in het oeuvre van Hoge, maar bijvoorbeeld ook in de tweegezinswoning ontworpen door Valentin Vaerwyck aan de Patijntjestraat treedt dit op. Een andere opmerkelijk voorbeeld, gesitueerd aan de Rijsenbergstraat is de Villa Mauresque ontworpen in 1932 door architect Marcel Colpaert in een neomoorse stijl.

De evolutie en diversiteit in stijlkeuze is ook merkbaar in de schoolgebouwen die in de wijk aanwezig zijn. Het vooroorlogse Sint-Pietersinstituut aan de Koning Albertlaan is opgetrokken in een neogotische stijl. De schoolgebouwen van het Sint-Paulusinstituut in de Patijntjestraat en Marathonstraat uit het interbellum en van na de Tweede Wereldoorlog, werden daarentegen gebouwd in een modernistisch, zakelijk idioom, in opdracht van de broeders van Liefde.

Een nieuwe 'burgerwijk' rondom het Muinkpark

De andere wijk die tijdens deze herinventarisatie werd onderzocht, is gelegen rondom het Muinkpark. Tijdens deze fase werden de Tentoonstellingslaan, Muinklaan en Hertstraat opnieuw geïnventariseerd. De bebouwing kwam ook hier grotendeels tot stand tijdens de jaren 1920 en vroege jaren 1930, met een voorloper vlak voor de Eerste Wereldoorlog.

De wijk is een woonwijk, overwegend bestaand uit traditionele enkelhuizen, die de verschillende stijlrichtingen uit de vroege 20ste eeuw vertegenwoordigen en geritmeerd worden door het gebruik van erkers en balkons. Een deel van de gevels leunt aan bij het neoclassicisme in het gebruik van ornamentiek. Anderzijds volgt een deel van de woningen de moderne stijlontwikkelingen, met reminiscenties aan art nouveau, art deco en modernisme.

Het groene karakter van de wijk wordt versterkt door het gebruik van voortuintjes bij de woningen aan de Muinklaan. Een deel van de uitgewerkte tuinhekken zijn bewaard en sluiten aan bij de geest van de gevelontwerpen, zoals een ijzeren art-nouveauhek met vlindermotief bij nummers 7, 9 en 11, en de geometrische hekken die deels aanwezig zijn bij de modernistisch getinte woonhuizen nummers 17 tot en met 45.

Gent

Enkele fraai gedecoreerde ensembles kwamen in de wijk tot stand. Zo ontwierp architect François Langeraert in 1913 aan de Muinklaan drie, met zorg uitgewerkte rijhuizen (nummers 8, 10 en 12), en aan de Tentoonstelling een geheel van vier burgerhuizen (nummers 99, 101, 103 en 105). Ze vormen kenmerkende voorbeelden uit zijn oeuvre, waarbij de gevels een dynamische uitwerking hebben met een erker en deuren en vensters een ingewikkelde indeling krijgen. Daarnaast valt vooral het zorgvuldige materiaalgebruik en de decoratie op, bijvoorbeeld in de toepassing van zuilen en reliëffriezen.

Een andere architect die uiterst actief was in de wijk is de Gentse architect Prosper Buyck. Hij ontwierp het, als stadsgezicht beschermde, geheel op de hoek van de Tentoonstellingslaan (nummer 102-104) met de Willem Wenemaerstraat (nummer 45) in 1909. Dit geheel met woonhuis, apotheek en winkel wordt verlevendigd door de afwerking met figuratieve tegeltableaus, die invloeden vertonen van de art nouveau.

Deze decoratieve afwerking is eveneens aanwezig bij diverse andere woningen in de wijk, bijvoorbeeld ontwerpen van architect Buyck aan de Muinklaan met tegels van Gilliot & Compagnie (Hemiksem) (nummer 20) en panelen van de Manufacture de Céramiques Décoratives (Hasselt) (nummer 22). Ook andere firma’s leverden tegeltableaus, bijvoorbeeld de firma Helman (Sint-Agatha-Berchem) voor een ontwerp van Guillaume Monnier aan de Tentoonstellingslaan (nummer 86) en een van Urbain Crommen (nummer 95).

Een andere decoratietechniek die stilistisch aansluit bij de art nouveau, namelijk sgraffito, is bewaard bij enkele andere woningen. Het ensemble op de hoek van de Muinklaan (nummer 14) en de Hertstraat (nummers 32 en 34), gebouwd onder leiding van de Gentse aannemer Gustave Diegerick in 1908 valt niet alleen op door het polychrome baksteenparement en het zorgvuldig uitgewerkte schrijnwerk en glas, maar voornamelijk door het sgraffitopaneel in art-nouveaustijl.

Andere gevels verfraaid met sgraffito zijn een burgerhuis van 1906 naar ontwerp van Lucien Poelemans in de Hertstraat, met panelen van de Brusselse kunstenaar Paul Cauchie, en de eerste woning die langs de Tentoonstellingslaan werd gebouwd in 1908 naar ontwerp van Adolphe Van de Kerkhove.

Gent

Naast de decoratief uitgewerkte gevels kozen andere opdrachtgevers en architecten voor ontwerpen in moderne stijlen. In de Muinklaan bevindt zich hiervan een voorloper, namelijk nummer 6 gebouwd naar ontwerp van het architectenvennootschap F. Bodson & A. Pompe van 1914. Dit vooruitstrevend ontwerp valt op door de vernieuwing in vormgeving, materiaalgebruik (zoals staal) en ruimte-indeling, evenals door de vroege toepassing van een plat dak.

Daarnaast vormen relatief kleinschalige rijhuizen uit het interbellum een andere belangrijk facet van de wijk. Enkele woonhuizen vertonen invloeden van de art deco, bijvoorbeeld Hertstraat 27-29 ontworpen door Emiel Hoebeke in 1929 en twee hoekcomplexen met de Tentoonstellingslaan (nummers 42-52 en 163-165). Modernistische ontwerpen die in het oog springen zijn onder meer gesitueerd in een rijbebouwing aan de Muinklaan (nummers 19 van Camille Van Daele, 27 van Albert De Wilde en 45 van Geo Bontinck) en de Tentoonstellingslaan (nummers 90 tot en met 96).

De Gentse inventaris verder aangevuld

Gent

Eind 2014 zijn voor de stad Gent na de herinventarisatie van deze twee wijken ongeveer 310 nieuwe inventarisrelicten toegevoegd. Daarnaast werden reeds bestaande fiches inhoudelijk aangevuld op basis van nieuw onderzoek.

Enkele thematische projecten zorgden voor verdere aanvullingen. Het project ‘Tegels in Gevels’ zorgde in 2013 voor een aanvulling van twaalf nieuwe en een dertigtal bestaande inventarisrelicten, gebaseerd op een fiets- en wandelgids uitgegeven door de Dienst Monumentenzorg en Architectuur van de stad Gent in 2012, waarbij aandacht was voor de Gentse architectuur verfraaid met decoratieve tegels en tegeltableaus. In 2014 volgde een project waarbij vijf 20ste-eeuwse, voornamelijk naoorlogse parochiekerken aan de inventaris werden toegevoegd. In het kader van ad-hoc-aanvragen werden tussen 2010 en eind 2014 ongeveer dertig Gentse relicten en gehelen aan de inventaris toegevoegd.

Aanvulling van de inventaris werd breed geïnterpreteerd en omvatte eveneens de controle en de eventuele aanpassing van adressen en statussen (bewaard/verbouwd/gesloopt) van de geïnventariseerde gebouwen. Ook werd ingezet op het aanvullen van de fotodatabank. Dit omvatte zowel het scannen van archieffoto’s, die dateren uit de eerste inventarisatiecampagne (1975-1983), als het toevoegen van recente foto’s die de huidige toestand in beeld brengen.

De toekomst

De afwerking van de herinventarisatie van de vroegere Sint-Pieters-Aaigemwijk gaat gepaard met het afscheid van een zeer gewaardeerde collega, Kathleen Lanclus, die samen met haar vroegere collega’s Chris Bogaert en Mieke Verbeeck vanaf 1975 de eerste inventariscampagne van Gent heeft ondernomen.

Na veertig jaar intensief inventariseren en beschermen, ging ze in december 2014 op welverdiend pensioen. 2015 wordt zo niet alleen het beginpunt van nieuwe ontwikkelingen, zoals het Onroerenderfgoeddecreet dat in werking treedt, het wordt ook het moment om dankbaar terug te blikken op een rijke carrière waarin de kennis over het erfgoed in Oost-Vlaanderen en het behoud ervan werd gestimuleerd door het werk van Kathleen en haar toenmalige collega’s. De herinventarisatie van deze Gentse wijken bracht haar terug naar waar het allemaal begon…

Het is nu aan de overblijvende collega’s om het Gentse herinventarisatieproject met een klemtoon op 20ste-eeuwse architectuur verder te zetten.

Meer informatie

Alle relicten van de herinventarisatiecampagne in de Gentse Rijsenbergwijk, kunnen in deze lijst gevonden worden. Het reeds onderzochte deel van de wijk rond het Muinkpark kan hier gevonden worden. De thematische projecten, namelijk rond de ‘tegels in gevels’ en de Gentse parochiekerken, kunnen ook afzonderlijk worden doorgenomen. Grotere gehelen, zoals straatbeschrijvingen, vindt u door het zoekformulier gehelen te gebruiken.

Heeft u vragen of aanvullingen omtrent deze gegevens? Deze zijn altijd welkom via het contactformulier.

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.