Inglenooks versus Dudokvoegen. De "Nieuw-Parkwijk" Den Brandt in Antwerpen.

woensdag 17 juni 2015

Villa in cottagestijl

Onder lommerrijke dreven, achter smeedijzeren hekken en opgeschoten hagen, gaat aan de zuidrand van Antwerpen een van de meest exclusieve woonoorden van de stad schuil. Deze statige wijk werd aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog aangelegd, op de grens van Antwerpen en Wilrijk. Bedoeld als 'parc habité' voor de beau monde, behoort het "Quartier du Nouveau Parc" of de Nieuw-Parkwijk "Den Brandt" tot de oudste en meest prestigieuze villaparken in België.

Inventarisatie bouwkundig erfgoed

In de loop van 2014 voerde het agentschap Onroerend Erfgoed een grondig architectuurhistorisch onderzoek uit in de wijk, als deelproject van de lopende herinventarisatie van Antwerpen. Op basis van veldwerk gevolgd door systematisch onderzoek van de bouwdossiers in het Stadsarchief van Antwerpen of van de mutatieschetsen in het kadaster werden in totaal 232 individuele of gegroepeerde panden met erfgoedwaarde geïdentificeerd en beschreven.

Slechts een kwart daarvan was bij vroegere inventarisatiecampagnes weerhouden, maar nauwelijks gedocumenteerd. Zo kon het oeuvre van een flink aantal Antwerpse architecten uit de belle époque, het interbellum en de naoorlogse decennia worden uitgebreid met gegevens over hun vaak minder gekende activiteiten in de landhuisbouw. Aanvullend onderzoek naar opdrachtgevers en bouwpromotoren bood een inkijk in de sociologische structuur van de wijk en de status van haar bewoners.

De Conventie della Faille

In 1910 verkochten de erfgenamen van René Jacques della Faille de Waerloos het kasteel "Den Brandt" aan de familie Kreglinger, en 48 ha van het domein als openbaar park aan de stad Antwerpen. Het overgrote deel van de gronden werd verkaveld door de maatschappij Extensions et Entreprises Anversoises, opgericht in de schoot van de familie, en later bekend onder de naam Extensa.

Elektriciteitscabine

De "Conventie della Faille", afgesloten tussen de maatschappij en de stad Antwerpen, legde de stedenbouwkundige voorschriften vast, met strikte richtlijnen over de grootte van de percelen, en de aard en omvang van de op te richten gebouwen. Bouwdossiers dienden ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de maatschappij, die zo de controle behield over de kwaliteit en het karakter van de architectuur in de wijk.

Daarvan was het kerngebied rond het restant van het park voorbehouden voor exclusieve landhuizen op grote percelen, met uitsluiting van elke vorm van handel, nijverheid of horeca, tehuizen, scholen of kloosters. In de randgebieden ten noord- en zuidwesten voorzag het verkavelingsplan verstedelijkte overgangszones met rijbebouwing van een meer democratisch kaliber.

Het aanlegplan van de Nieuw-Parkwijk "Den Brandt" werd ontworpen door Richard Lemeunier, hoofdingenieur-directeur van de dienst Wegenis. Hoofdas van de pittoreske parkaanleg met beboomde lanen is de Della Faillelaan, die in een wijde boog rond het Park Den Brandt loopt, met rotondes op de belangrijkste kruisingen.

In 1911 gingen de wegwerken en de aanplant van de bomen van start, waarna midden dat jaar al de eerste bouwvergunningen konden worden uitgereikt. De Compagnie Electrique Anversoise ontwikkelde speciaal voor het villapark een ondergronds type elektriciteitscabine, te herkennen aan het elegante gietijzeren toegangspaviljoen in - noblesse oblige - neo-Lodewijk XVI-stijl. De plechtige inhuldiging van de Nieuw-Parkwijk "Den Brandt" vond plaats op 7 september 1913, gepaard met concerten en vuurwerk.

Mondain publiek

In het meest riante gedeelte van de Nieuw-Parkwijk "Den Brandt" rond de Della Faillelaan vestigden zich vóór en na de Eerste Wereldoorlog vooral kooplui en fabrikanten, reders, scheepsbouwers en stouwers, financiers en juristen, vaak expats eerst van Duitse, later van Britse origine.

Jozef Nellens, die later naam zou maken in Knokke, zette hier met de maatschappij Voorspoed zijn eerste succesvolle stappen als bouwpromotor. Terwijl de dames en heren zich vermaakten in de tennisclub, of op mondaine party’s de kolommen van de society pages vulden, bekommerde een leger meiden, nanny’s en chauffeurs zich om het huishouden, de kinderen en de limousines.

Café Billard

De verstedelijkte randzone van de wijk was het domein van renteniers, speculanten, aannemers, kleine middenstanders en bedienden. Achter gutbürgerliche façades, deftig als de natuursteen waaruit ze waren opgetrokken, gingen echter veelal opbrengsthuizen schuil, of woningen waarvan de eerste etage als extra inkomen werd verhuurd. Op de vanuit commercieel oogpunt meest strategisch gelegen hoekpercelen, zorgden herbergiers en pensionhouders voor vertier, spijs en drank.

Petit Trianon

Waar de wijk vóór de Eerste Wereldoorlog slechts een beperkte bouwactiviteit kende, met uitzondering van de zone in het noordwesten, situeert de belangrijkste bebouwingsgolf zich tijdens de eerste helft van de jaren 1920, gevolgd door een tweede tijdens de jaren 1950 en 1960.

Afgelopen decennia stond de wijk opnieuw onder grote druk van de vastgoedmarkt, waarbij percelen zowel werden opgesplitst voor de bouw van bijkomende woningen, als samengevoegd voor nog grotere nieuwbouwvilla's. Al bij al ging daarbij slechts een beperkt aandeel van de oorspronkelijke bebouwing verloren, te vergelijken met de schade die bominslagen aan het einde van de Tweede Wereldoorlog hadden veroorzaakt.

Acaciahof

De eerste, kortstondige bebouwingsfase tussen 1911 en 1914 werd gedomineerd door de beaux-artsstijl, onder meer toegepast door Joseph Hertogs voor het verdwenen kasteel Lejeune, het oudste en grootste landhuis van de wijk. Vandaag brengen onder meer het statige "Acaciahof" door Fernand de Montigny en Louis Somers en de villa Fridt door Michel De Braey, de aanvankelijk voor de wijk beoogde allure in herinnering.

Tot de zeldzame voorbeelden van art nouveau behoort de villa Aeby door Jan Jacobs, daar waar de vroegste uiting van de later zo populaire cottage-architectuur, de villa Drory door Florent Vaes en Joan Coninck Westenberg, ei zo na een bouwvergunning werd geweigerd vanwege het gebruik van … houtbouw.

Cottages à l’anglaise

Bij de hervatting van de bouwbedrijvigheid na de Wapenstilstand, leek in de ogen van de modebewuste nouveaux riches enkel de cottage nog geschikt om hun ideaal van het landelijke wonen uit te dragen. De architectuur uit het Engeland van de Tudors leverde de inspiratie voor tientallen uit rode baksteen, witte natuursteen en houten vakwerk opgetrokken villa’s. Met hun typische erkers, luifels, dakkapellen en schoorstenen, gingen de cottages vanaf begin jaren 1920 het straatbeeld van Della Faillelaan, Acacialaan, Hagedoornlaan, Olmenlaan en Kastanjelaan bepalen.

Villa Coccinelle

Leopold De Coninck en Maurice Potié, met meer dan veertig bouwprojecten de onbetwiste smaakmakers van de Nieuw-Parkwijk "Den Brandt", maakten hun handelsmerk van dit soort architectuur. Andere belangrijke vertegenwoordigers als Florent Vaes en Alfred Portielje, hadden zich de finesses van de cottage fysiek eigen gemaakt, door hun jonge jaren in Engeland door te brengen. Niet bekend is de ontwerper van de villa La Croix-Galler, een imposant landhuis met Hollywood-allures. De Britse scheepsingenieur John Joseph Snowdon engageerde landgenoot Robert John Thompson, gemeente-architect van Wimbledon voor het ontwerp van zijn cottage… de enige echte in de wijk?

Twee generaties modernisten

Binnen dit pittoreske universum van inglenooks en timber framed gable tops, dat de wijk tot in de jaren 1970 in zijn greep zou houden, vormen de uitingen van modernisme haast een curiosum. De Nederlander Jos Ritzen, die zich in 1923 te Antwerpen gevestigd had, raakte betrokken bij een ambitieus vastgoedproject van de investeerder Tony Deckers, die op twee bebouwde percelen na een volledig bouwblok had weten te verwerven tussen Della Faillelaan en Sorbenlaan. Hiervoor liet hij Ritzen een country club (huidige tennisclub) omringd door een homogeen ensemble vroeg-modernistische villa’s in baksteenbouw ontwerpen, waarvan er uiteindelijk slechts vijf zouden worden opgetrokken.

Villa Neefs

Representatief voor het eigenzinnige, expressieve oeuvre van Jef Huygh is de villa Sauter aan de Berkenlaan. Paul Smekens, die zelf zijn eerste architectenwoning bouwde aan de Della Faillelaan, behaalde in 1929 de prestigieuze Prijs Van de Ven met de door Frank Lloyd Wright beïnvloede villa voor de likeurstoker Raymond Neefs even verderop.

De schoonzoon van Raymond Neefs, Georges Baines, breidde in de naoorlogse periode met een reeks van niet minder dan negen landhuizen een opmerkelijk vervolg op het schaarse modernisme in de Nieuw-Parkwijk "Den Brandt". Ontworpen tussen 1955 (woning Jack Baines) en 1971 (villa Klein), illustreren zij de evolutie die zijn oeuvre in deze periode onderging, van een Scandinavisch geïnspireerd modernisme naar een persoonlijke interpretatie van het brutalisme. Veertig jaar na Smekens bezorgde Baines de Della Faillelaan in 1968 overigens een tweede Prijs van de Ven, voor de woning van zijn schoonbroer Jean Reypens.

Villa Baines

Meer weten?

Alle gegevens verzameld tijdens de inventarisatie van het bouwkundig erfgoed in de Nieuw-Parkwijk "Den Brandt" kunt u consulteren op de inventariswebsite. U kunt ze straat per straat zoeken via een zoekformulier. Via deze link krijgt u meteen alle geselecteerde erfgoed op een rij.

Met vragen en opmerkingen kunt u bij ons terecht via het contactformulier of via inventaris@onroerenderfgoed.be

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.