Relict van de maand augustus: het paviljoen De Notelaer in Hingene

woensdag 31 augustus 2016

Landgevel na afwerking

Elke maand kiest een collega uit het agentschap Onroerend Erfgoed zijn of haar favoriete erfgoed uit onze inventarisdatabank. Deze maand selecteerde Willem Hulstaert, restauratie-architect in het team bouwkundig erfgoed, het paviljoen De Notelaer in Hingene. U leest een verhaal over berusting, de wet van Hulstaert en notenconfituur.

De eerste restauratiefase van het paviljoen is net achter de rug. Als architect had ik het voorrecht deze werken te begeleiden; een unieke kans om de theorie aan de praktijk te toetsen. Hierna volgt een terugblik na 51 werfvergaderingen…

Voorgeschiedenis en plan van aanpak

Aanleiding voor deze jarenlange restauratiecampagne was een hardnekkig vochtprobleem op één van de zolders van het paviljoen, gemeld in 2007. Al snel werd duidelijk dat een eenvoudige restauratie van het dak dit schitterende gebouw oneer zou aandoen. Daarom stelde het toenmalige Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE, nu agentschap Onroerend Erfgoed) voor om een grondig onderzoek uit te voeren. Dit leverde niet alleen een schat aan bouwkundige, (kunst)historische en landschappelijke gegevens op, maar gaf ook een inzicht in de historische, politieke en sociale achtergrond van het paviljoen en de bewoners*.

Het vooronderzoek toonde aan dat de architectuur van De Notelaer sinds de 18de eeuw sterk geëvolueerd is. Heel wat elementen van de oorspronkelijke architectuur waren verdwenen en andere elementen werden toegevoegd. Tijdens het hele restauratieproces zullen de authentieke onderdelen zoveel mogelijk behouden of zelfs versterkt worden. Zo wordt de bloeiperiode van het gebouw, de late 18de eeuw, opnieuw zichtbaar. Tegelijkertijd moeten nieuwe invullingen een uitgesproken 21ste-eeuws karakter krijgen.

plan restauratie noordgevel

In deze eerste fase zou de buitenschil van het gebouw aangepakt worden: dak, gevels en schrijnwerk. De dakwerken voorzagen de volledige vervanging van de kapconstructie van het hoofddak, inclusief leibedekking, slabben en loketten, inclusief herstel van de houten kroon- en sierlijsten. Gezien de geringe helling werd geopteerd voor een dakverhoging met toepassing van onderdak, om het probleem van de kilgoten op te lossen. Het gebinte van de koepel was nog in goede staat, enkel de leien waren aan vervanging toe. De dakvlakramen en de koepelbekroning zouden terug worden geplaatst. Van de koepelomgang zouden de gootbekleding vernieuwd worden, en de houten vlonders vervangen door verzinkte persroosters. Een bliksembeveiliging zou de dakrestauratie vervolledigen.

Materiaal-technisch onderzoek wees uit dat de buitengevel van het paviljoen oorspronkelijk grotendeels beschilderd was. De bakstenen gedeelten hadden eigenlijk een baksteenimitatieschildering: een rode verflaag met daarop wit geschilderde voegen. De hoekobelisken waren donkergrijs geschilderd. Ook de natuurstenen onderdelen waren geschilderd, respectievelijk in hardsteen- en witsteenkleur, om een strak en uniform uitzicht te bekomen, in contrast met het grillige metselwerk uit zandsteen. De oorspronkelijke 18de-eeuwse afwerking zou opnieuw worden aangebracht, na plaatselijk steenherstel met minerale mortel of gedeeltelijke vervanging.

Het schrijnwerk was aan een grondige onderhoudsbeurt toe. Het vervangen van de enkele door dubbele beglazing in de ramen van de tweede verdieping, vooral deze van het octogonale salon, was onoordeelkundig gebeurd. Door het overgewicht waren de raamvleugels verzakt, en de glasdikte was te breed om een optimale afwerking met mastiek te garanderen.

detail schade

detail schade

De uitvoering: Lex Murphyensis

In het restauratiegebeuren kunnen vier fasen onderscheiden worden: enthousiasme, ontnuchtering, paniek en berusting. In deze was het niet anders…

De door vochtschade aangetaste zoldervloeren werden gedemonteerd en de houten roostering nagezien en waar mogelijk versterkt. De onderliggende plafonds werden geconsolideerd in afwachting van de interieurrestauratie. Zoals te verwachten, kon van de kapconstructie van het hoofddak niets gerecupereerd worden. Gordingen, slapers, nokken en keperwerk, alles werd vernieuwd. Bij de demontage van de bovenzijde van de koepel diende de met lood beklede ringvorm volledig vervangen wegens doorgerot. De bovenzijde van de kapconstructie was ook aangetast, maar kon worden behouden door een combinatie van vervanging en herstel met epoxymortel.

Maar de grootste verrassing moest nog komen. Bij het verwijderen van het (herstelde) voegwerk tussen de witsteen- en de hardstenen massieven, bleek dat de oorspronkelijk in het metselwerk verborgen verbindingsankers door vochtindringing waren uitgezet. Daardoor waren de bovenliggende massieven opgelicht en deels gebarsten. Er werd besloten om één zijde van de balustrade deels te demonteren, om na te gaan in welke toestand de constructie zich bevond.

detail schade

Van ontnuchtering gesproken

Blijkbaar waren er in het verleden al stukken van de kroonlijst vervangen. Er was een stuk waarvan de breedte kleiner was dan oorspronkelijk. Dit betekent dat de opleg ontoereikend was, en het massief enkel op zijn plaats werd gehouden door het gewicht van het bovenliggend blok. Andere stukken van meer dan drie meter waren door de roestvorming van de verbindingsdoken (volume vermeerdering factor 8!) overlangs gebarsten. Het was een kwestie van tijd vooraleer de hele zaak naar beneden zou komen. De stelling werd zodanig uitgebreid dat de kroonlijst kon gestut worden.

De oorspronkelijke loden bekleding van de binnengoot was nog steeds aanwezig, en liep door onder het onderstel van de balustrade, en misschien ook over de kroonlijst (uiteindelijk bedekt door koper). Bij het plaatsen van de epdm-dichting in de binnengoot was indertijd niet voldoende aandacht besteed aan de vochtproblematiek van de balustrade en de kroonlijst, niettegenstaande de ingrepen in verband met bepaalde vervangingen en herstellingen toch aanwijzingen in die richting moeten hebben gegeven.

Uit veiligheidsoverwegingen werd besloten de gehele kroonlijst te demonteren, waarbij onze vrees bewaarheid werd: de meeste massieven vertoonden fatale barstvorming door de jarenlange insijpeling die de smeedijzeren doken had aangetast, waardoor de cohesie van het geheel niet meer gegarandeerd was. De koppen van de balken die de verbinding met de binnenmuur maakten, waren volledig rot of aangetast door de grote klopkever. Juist op deze balken steunde de gootbodem, en daarop de vlonders van waarop de bezoekers, niet wetende wat zich onder hun voeten bevond, de Schelde konden aanschouwen…

terugplaatsing koepel

Bij de demontagewerken werd vastgesteld dat de binnen- en buitengevel met elkaar verbonden waren door een ingewikkeld systeem van smeedijzeren trekkers. Diverse doken verzorgden de verankering van de kroonlijst aan de kapconstructie. De cruciale elementen bevonden zich helaas in het onderliggende metselwerk uit natuursteen; zo ging er per hoek een verticale stang tot in de bovenzijde van het kapiteel van de onderliggende kolom. Uiteindelijk zat er niets anders op dan ook het witstenen metselwerk te demonteren tot op de hardstenen gewelfbogen. Op deze wijze kon alle smeedwerk nagezien, gereinigd, hersteld en behandeld of vervangen worden, en zo de stabiliteit van de gehele onderconstructie van de koepel hersteld.

Deze werken betekenden uiteraard een totaal onvoorziene en belangrijke meerkost. Na enkele slapeloze nachten en uitgebreid cijferwerk, en met akkoord van de betrokken erfgoedconsulent, werd door het bouwteam besloten absolute prioriteit aan deze ingrepen te geven. Dit had helaas tot gevolg dat een aantal posten dienden geschrapt of tot een minimum beperkt. Zo werd beslist om het herstel en schilderen van het schrijnwerk te verschuiven naar een volgende fase, en van de gevelbeschildering enkel de baksteenimitatie uit te voeren. Het natuursteenherstel zou tot een minimum beperkt worden.

Bij deze werd de wet van Murphy uitgebreid met deze van Hulstaert: Murphy was een optimist…

Schilder met streepjes

De baksteenimitatie van de gevel is na veel geëxperimenteer tot een goed einde gebracht. Nadat de schilder had geconstateerd dat het zeer moeilijk was om elke steen afzonderlijk te kleuren zonder de witte voegen onder te kladden of omgekeerd, kwam hij met een geniale oplossing voor de dag. De gehele gevel kreeg een witte grondlaag. Daarna werden alle voegen afgekleefd met op maat gesneden tape (bemerk vooral de aangepaste kledij van de schilder). Er werd opnieuw een witte laag aangebracht. Verf die nu nog onder de tape op de voegen zou terecht komen, was sowieso wit. Uiteindelijk werden twee rode eindlagen aangebracht, waarna de tape werd verwijderd.

Notenconfituur

Epiloog: Varia culinaria

Het was me opgevallen dat één der metsers een bijzondere belangstelling vertoonde voor de notelaars op het domein. Telkens de dagtaak er op zat, verzamelde hij de afgevallen vruchten. Deze waren echter onrijp, en helemaal niet voor consumptie geschikt. Dacht ik dus.

Bleek dat het heerschap, Alfred genaamd, van Armenië afkomstig is, alwaar het een nationale sport is om noten te verwerken tot confituur. Hij beloofde om ons een potje te bezorgen op de laatste werfvergadering voor het bouwverlof. Mocht er iets mis gaan tijdens de proefsessie, het bouwteam had drie weken de tijd om te bekomen…

En aldus geschiedde. Zo fier als een կարող է (gieter in ’t Armeens) kwam hij na de werfvergadering op de proppen met een bokaaltje. In een soortement vloeistof waren diverse nootachtige objecten ondergedompeld, zeer donker van kleur, en op het eerste zicht helemaal niet geschikt om op een Vlaamse rogge-tarweboterham te smeren. De aannemer deelde lepeltjes uit, waarna alle aanwezigen, de één al wat geruster dan de ander, proefden van het vocht. Dit stroopachtig goedje smaakte vooral naar suikerwater, hetgeen het bewaarpotentieel van dit brouwsel waarschijnlijk ten goede kwam. Niemand maakte echter aanstalten om de nootachtige toestanden aan een culinair onderzoek te onderwerpen.

Aangezien de overheid het voorbeeld moet geven, stelde ondergeketende zich kandidaat, tot groot plezier van Alfred uiteraard. De noot smaakte nog zoeter dan de siroop, en inderdaad: naar noot. En helemaal niet hard. Deed enigszins denken aan de Turkse baklava-zoetigheden, maar met de Armeense genocide in het achterhoofd hield ik wijselijk mijn bakkes, dat trouwens druk doende was om wat eens een noot in de embryonale fase was naar binnen te werken.

Een noot

Mijn optreden oogstte alom bewondering. Met een enigszins plakkerige mond informeerde ik naar het recept. Dat had ik beter niet gedaan, achteraf gezien. Alfred vertelde vol enthousiasme dat je de noten moet plukken vooraleer ze rijp zijn. De groene buitenschil wordt verwijderd, en de witte noten-in-spe worden gedurende zeven dagen geweekt in water, dat dagelijks wordt ververst. Daarna wordt aan het water een geheim kruidenmengsel (aluin, kaneel, kruidnagel en kardemon) toegevoegd, alsmede een hoeveelheid kalk, om nog een tijdje te weken met een toevoeging van suiker. Na enkele spoelingen en rijpingen volgt ook nog het opkoken van de massa tot eindproduct.

"Kalk?", hoorde ik mezelf mompelen. "Jazeker", zei Alfred, "gewone kalk uit de bouw". Zoals de aandachtige lezer weet, wordt natuurlijke hydraulische kalk nogal veel aangewend bij restauratiewerken, vooral bij de bereiding van stel- en voegmortels. Ik heb maar niet geïnformeerd naar het type (NHL 2, 3,5 of 5), noch naar de aangewende hoeveelheid. Na de werfvergadering ben ik gelukkig zonder tussenstop terug in Brussel geraakt…

* Meer lezen:

Deze multidisciplinaire studie resulteerde in de Relicta monografie Een belvedère aan de Schelde. Paviljoen De Notelaer in Hingene. Het hele onderzoek werd ook samengevat in een Historische Publicatie van het kasteel d’Ursel Voor hertog en veerman. Het paviljoen De Notelaer in Hingene.

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.