Wonen op stand in Antwerpen - de Jan Van Rijswijcklaan

dinsdag 6 maart 2012

Detail orgel Doomkerke

Voor talloze bezoekers aan het beurscomplex Antwerp Expo, de locatie van de jaarlijkse Boekenbeurs, is de Jan Van Rijswijcklaan een bekend adres in Antwerpen. De brede gebogen laan vormt een van de belangrijkste invalswegen tot het stadscentrum vanuit de richting Brussel. Weinig gebruikers van deze vlotte verkeersader beseffen allicht dat de Jan Van Rijswijcklaan en het aangrenzende Leikwartier ook tot de interessantste woonwijken van de stad behoort. De grote concentratie aan erfgoed uit de belle-epoque en het interbellum, maakt van de wijk een waardige tegenhanger van het bekendere Zurenborg. Voor wie hier binnenkort in de file staat of er met de tram passeert: om(hoog)kijken mag.

In 1904 besloot de Antwerpse familie Belpaire haar gronden in de zuidrand van de stad te gelde te maken. Bij deze vastgoedoperatie ontstonden de Arthur Goemaerelei, de Bosmanslei en de Van Putlei. Kort daarna, in 1909, werd ook het eerste gedeelte van de Jan Van Rijswijcklaan aangelegd, van de Lange Lozanastraat tot de Desguinlei. In dit statige kwartier verrezen de burger- en herenhuizen waar de Antwerpse beau-monde in de periode vóór de Eerste Wereldoorlog rendez-vous gaf. De Jan Van Rijswijcklaan werd in de jaren 1920 in twee fasen doorgetrokken, eerst in zuidelijke richting tot de Boomsesteenweg, en vervolgens in noordelijke richting tot het Koning Albertpark. Deze aanleg maakte deel uit van de infrastructuurwerken ter voorbereiding van de Wereldtentoonstelling van 1930, en gaf in de jaren 1920 opnieuw aanleiding tot drukke bouwactiviteiten. Waar ‘vliegende bommen’ in 1944 al de nodige schade aanrichtten, zou de naoorlogse slopershamer een nog grotere dreiging blijken. Tientallen huizen vielen ten prooi aan de speculatiedrift van de bouwpromotoren; veel meer bleven gelukkig gespaard.

In de loop van 2011 werd dit waardevolle maar minder bekende erfgoed opnieuw geïnventariseerd. Deze operatie leverde zowat 250 gebouwen of gehelen op, een derde meer dan tijdens de vorige inventarisatiecampagne in de jaren 1980. Nieuw aan dit onderzoek was dat nu ook systematisch alle relevante bouwdossiers in het Stadsarchief werden onderzocht, vele honderden in totaal. De focus lag daarbij niet alleen op de ontwerpers van de gebouwen, maar evenzeer op hun opdrachtgevers. Deze aanpak leverde in de eerste plaats een schat aan bijkomende gegevens op over de tientallen architecten die hier in de eerste helft van de 20ste eeuw actief waren. Daarnaast krijgen we een boeiende inkijk in de sociologische structuur van de wijk en de status van haar bewoners, die zich weerspiegelt in de plattegrond van de huizen. De maatschappelijke opdeling in upstairs en downstairs was hier dagelijkse realiteit, het materiële onderscheid tussen de keuken in het souterrain en het salon op de bel-etage een wereld van verschil.

Het wekt nauwelijks verwondering dat in de periode vóór de Eerste Wereldoorlog de bevoorrechte architecten van de Antwerpse mercantiele burgerij ruim vertegenwoordigd zijn. Tot de gevestigde waarden van de oudere generatie behoren onder meer Joseph Hertogs, Ernest Stordiau, Frans Van Dijk, Emile Thielens, Michel De Braey, Eduard Van Opstal, Emile Vereecken en Ernest Pelgrims. Maar ook beginnende architecten als Florent Vaes en Joan Coninck Westenberg, Daniël Rosseels, Walter Van Kuyck, Gustave Fierens en Eduard Van Not drukten hun stempel op de wijk. Het beeld wordt gedomineerd door het statige hotel in beaux-artsstijl naar Frans model, dat zij aan zij staat met de cottagevilla in ‘Old English’-stijl. Slechte een enkeling waagde zich voorzichtig aan de art nouveau, tenzij het een ‘rode dokter’, een geëngageerd ‘Tachtiger’ of een liberaal journalist betrof. Intrigerend is het verhaal van Emile Zeller en Walter Villinger, twee Württembergse vennoten, die voor hun aanpalende privé-villa’s beroep deden op de Duitse society-architect Paul Schultze-Naumburg.

Het interbellum zag vooral de opkomst van het appartementsgebouw van hoge standing, dat meteen de art deco en het modernisme in de wijk introduceerde. Sommige architecten maakten hun handelsmerk van dit nieuwe woonfenomeen, zoals François Dens, Alfred Portielje en Jan De Braey, anderen zoals François Amelinckx grepen het aan om hun eerste stappen te zetten als bouwpromotor. Ook het herenhuis bleef niet blind voor de nieuwe stijlevolutie, zoals het somptueuze hotel Jussiant en de dubbelwoning Verswijver bewijzen. Een letterlijk baken van de nieuwe, gemotoriseerde tijd was het service-station Permeke, op de kruising van de Jan Van Rijswijcklaan en de Boomsesteenweg. Léon Stynen, die hier in de jaren 1920 debuteerde met de woning Derboven, zou in de jaren 1960 de wijk een nieuw ijkpunt bezorgen met de BP-building, een absoluut hoogtepunt van de Belgische naoorlogse architectuur. Als een lichtend voorbeeld van technische en vormelijke innovatie torent het gebouw uit boven een zee van banale flatgebouwen uit dezelfde periode. Het geprefabriceerde Nationaal Bouwcentrum van Renaat Braem, opgericht om de vernieuwing in de architectuur te promoten, wist de tijd helaas niet te doorstaan.

Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.