Restanten van oude vestingen

Tekst van Restanten van oude vestingen (https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/55974)

De stad Menen is ontstaan rond een doorwaadbare plaats aan de Leie. Menen ligt tevens aan het kruispunt van twee belangrijke verkeerswegen. Enerzijds de noord-zuid as die Torhout en Brugge met Rijsel verbond en anderzijds aan de verbinding van Wervik en Ieper met Kortrijk.

Menen wordt voor het eerst vermeld in 1087, maar het is pas na het toekennen van de stadsrechten door Lodewijk van Male in 1351 dat de economische bloei van de stad aanvang nam, voornamelijk dank zij de lakenindustrie, en vanaf de 16de eeuw hoofdzakelijk dank zij het weven van lijnwaad en het bierbrouwen. Ondanks het economisch belang van de stad, kwam een eerste omwalling er pas in 1578 toen Menen zich aansloot bij de opstand van de Nederlanden tegen Spanje, en de Gentse calvinistische leiders van deze opstand het initiatief namen de stad van een omwalling te voorzien.

Deze eerste versterking, bestaande uit aarden wallen met grachten en palissaden omringde de stad die op de linkeroever van de Leie was gelegen. De Leie-oever zelf werd niet versterkt, maar werd geacht voldoende bescherming tegen een aanval te bieden. Bovendien konden de weiden op de rechteroever onder water gezet worden om de opmars van een vijandelijk leger te stuiten. Aan de stadsversterkingen zelf werden voortdurend verbeteringen aangebracht, tot deze uit een aantal grote rechte fronten met kleine bastions bestond. Het geheel was omgeven met een brede gracht gevuld met water afkomstig uit de Leie. De Gheluwebeek kwam in het noorden, waarschijnlijk via een waterpoort onder de omwalling, de stad binnen. De omwalling was van drie poorten voorzien: de Ieperse, de Brugse en de Kortrijkse poort. Een vierde, de Rijselse poort, lag aan de niet-versterkte Leieoever. Tijdens de godsdienstoorlogen werd Menen menigmaal door wisselende partijen ingenomen, en toen de stad na 1621 een grensstad werd tussen de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk, bleven de belegeringen en plunderingen onverminderd voortduren. Teneinde verdere vernielingen te vermijden, werden in 1664 de wallen gesloopt. Bij de Vrede van Nijmegen (1678) werd Menen aan Frankrijk toegewezen, en weldra liet Lodewijk XIV deze belangrijke grensstad uitbouwen tot een modelvesting.

Deze aanleg, gestart in 1679, was het werk van de grote Franse vestigingsbouwer Sebastiaan Le Pestre, markies van Vauban, die de noordelijke grens van het Franse rijk versterkte met een dubbele verdedigingslinie: van Grevelingen naar Mézières, en van Duinkerke naar Givet. In totaal 27 versterkingen, waarvan zes volledig nieuw gebouwd werden: op andere plaatsen zoals te Menen, bouwde hij bestaande versterkingen om. De vesting Menen die doorgaat voor een van de meest volmaakte werken van Vauban, strekte zich op beide Leie-oevers uit. Op de linkeroever werd het oude tracé grotendeels gevolgd, maar met grotere bastions, aangevuld met ravelijnen, lunettes en een tenaille voor het oude gedeelte. Het gebied ten noorden van de stad kon onder water gezet worden door de Gheluwebeek die zoals vroeger via een waterpoort onder de versterkingen de stad binnenkwam. Deze waterpoort werd gedekt door een vooruitgeschoven bastion. Op de voorheen niet-versterkte Leieoever legde Vauban 2 grote bastions aan, terwijl de Rijsselsepoort door nog eens 2 bastions werd beschermd.

Ten zuiden van de stad lagen twee gote overstromingsgebieden, gescheiden door een dijk waarover de Rijsselse weg liep, en gedekt door een groot hoornwerk.

Menen kwam in 1706 in Oostenrijks bezit, werd door het Barrièretractaat van 1715 een Hollandse garnizoenstad, die in 1744 door Lodewijk XV werd heroverd. Hij deed de vestingen evenals het hoornwerk slopen; de grondvesten bleven evenwel bewaard. In 1748 werd Menen opnieuw een barrièrevesting, nu onder Habsburgs gezag. Het barrièrestatuut werd in 1782 door Jozef II opgeheven en de vestigingswerken werden verder geslecht.

Na de overwinning op Napoleon in Waterloo, besloten de bondgenoten langs de Franse grens een vestigingsgordel aan te legggen, waarbij ook Menen werd ingeschakeld. De nieuwe versterkingen die vanaf 1817 werden opgericht, steunen grotendeels op de grondvesten van de Vaubanvesting. Het tracé van de omwalling bleef nagenoeg dezelfde. De voor de Vauban-aanleg typische orillons van de bastions werden vervangen door rechte flanken, en de meeste buitenwerken werden achterwege gelaten. Wel werd naast het overstromingsgebied van de Gheluwebeek een nieuw lunet aangelegd, door middel van een versterkte dam verbonden met de vesting.

In 1830 waren de vestingen nog niet voltooid, en in 1852, toen beslist werd de verdediging van België te concentreren rond de kringstelling Antwerpen, verloor de vesting Menen alle betekenis. De terreinen werden voor een deel verkocht, waarbij de nieuwe eigenaars zelf voor sloping en demping moesten zorgen, zonder dat daartoe blijkbaar een verplichting bestond. Nog in deze eeuw kon men op de wallen rond de stad wandelen, en tot op heden zijn enkele belangrijke fragmenten bewaard gebleven.

Het tracé van de Vaubanvesting, zoals dat in de 19de-eeuwse reconstructie bewaard bleef, kan nog voor een groot deel gevolgd worden in het stratenpatroon en de perceelsindeling op de kadasterplans.

Deze - kwetsbare - weerspiegeling van het verleden van de stad wordt echter ondersteund door de eerder toevallig bewaard gebleven fysieke resten van enkele gedeelten van vestingsmuren en kazematten. Kazematten zijn (ondergrondse) bomvrije, gewelfde ruimtes die deel uitmaakten van de stadsversterkingen. Zij werden gebruikt voor militaire doeleinden als bewaarplaats voor munitie en levensmiddelen of als schuilplaats voor soldaten en geschut. De gewelfde ruimtes staan met elkaar in verbinding via manshoge doorgangen. Aan de binnenzijde had men toegang. Aan de buitenzijde (tegen de watergracht) bouwde men een stevige, loodrechte bakstenen muur. Per bomvrije ruimte zijn er aan de buitenzijde vier schietgaten. Dit is typisch voor de Hollandse vestingbouw. Voor de bouw van vestingswerken bestelden de Hollanders gele baksteen, afkomstig uit Veurne en rode baksteen van Waasten.

- Restanten van bastion nummer 4, gelegen aan de Benediktinessenstraat. Het betreft gedeelten van de rechterflank van bastion nr. 4. Het grootste gedeelte van de rechterflank, de rechterface en de courtine werden reeds beschermd als monument in 1991. De vestigingsmuur - opgetrokken uit rode baksteen, af en toen afgewisseld met gele - is goed zichtbaar van het Park Ten Walle. In de muur zitten boven elkaar liggende kazematten.

- Restanten van bastion nummer 2, gelegen in de zone van het Leopoldsplein en de Vaubanstraat. Het betreft de rechter flank en de face van bastion nr. 2 en een deel van de courtine tussen bastion nummer 1 en nummer 2 De vestigingsmuur - opgetrokken uit voornamelijk rode baksteen en ongeveer twee meter breed - vormt de scheiding tussen de lager en eertijds buiten de vestingen gelegen weides en de hoger gelegen percelen, thans onder meer gebruikt als volkstuinen.

De zichtbare resten behoren tot de vesting van de Hollanders (1817-30). Volgens cartografische bronnen plantte Vauban op diezelfde plaats een bastion in.

In de zone tussen Waalvest en Noordkaai zijn er nog heel wat gave resten van de hoofdwal en het retranchement bewaard. Een plots niveauverschil geeft de situering van de waterwerken aan maar van de hoofdgracht is niks bewaard.

- Restanten van bastion nummer 11 behorend tot de vesting van de Hollanders (1817-1830), gelegen tussen Waalvest en Noordkaai. Het betreft de linkerface en de rechterface en- flank met daarin vier kazematten deeluitmakend van bastion 11. De vestigingsmuur, opgetrokken uit voornamelijk rode baksteen en ongeveer twee meter breed - vormt een scheiding tussen de ongeveer twee meter lager gelegen percelen uitgevend aan de Noordkaai en de hoger gelegen percelen aan de Waalvest. De vier aaneengesloten kazematten, - bomvrije ruimten met rechthoekige plattegrond bevinden zich met hun langsrichting parallel met de Waalkaai. Het betreft eenbeukige kelders opgetrokken van rode baksteen onder dito tongewelf, met elkaar verbonden via twee doorgangen. Behouden bakstenen vloer in één ervan.

- Restant van de courtine tussen bastion nummer 10 en nummer 11, ter hoogte van de Rijselsepoort, gelegen achter de woningen Rijselstraat nummer 102 en nummer 104.

Kazemat, ingebouwd in bakstenen vestigingsmuur (courtine) van ongeveer twee meter hoogte. De muur is zichtbaar vanaf de lager gelegen percelen ten zuiden, Bomvrije kelder met rechthoekige plattegrond onder bakstenen tongewelf, gelegen haaks op de Rijselstraat.

- Restant van Vaubanvesting (?), evenwijdig gelegen aan vorige courtine in de tuin van woning Rijselstraat nummer 108. Brede bakstenen muur van ongeveer twee meter hoogte.

Tussen de Oude Leielaan en de Sluizenkaai is de hoofdwal vrij goed bewaard. Het betreft hier een groot gedeelte van de uitbreiding van de vesting door Vauban, ten zuiden van de Leie. De vestingen werden weliswaar gereconstrueerd door de Hollanders. Op twee plaatsen werden muren en kazematten gedynamiteerd voor de inplanting van het overdekte zwembad en de uitbreiding van het Sint-Lucasinstituut. Grote delen van bastion nr. 10, de courtine tussen nummer 9 en 8 en gedeelte van bastion 8 werden reeds beschermd als monument. Thans worden de overige restanten voorgesteld als monument.

- Kazemat deel uitmakend van bastion nummer 10, gelegen achter de woning Rijselstraat, nr. 93. Eenbeukige bomvrije kelder onder bakstenen tongewelf met rechthoekige plattegrond, gelegen haaks op de Rijselstraat. Bakstenen vloer.

- Restanten van bastion nummer 9, gelegen achter de woonhuizen in de Blekerijvesting. Bestaande uit de linkerface met daarin negen aaneengesloten kazematten, de rechterface en -flank. Negen bovengrondse bomvrije schuilplaatsen met rechthoekige plattegrond van gemetste baksteen onder dito tongewelf. Thans gebruikt als garages en aan voorzijde voorzien van houten poorten. Tegen de vestingsmuur werden de ateliers van het Sint-Lucasinstituut aangebouwd. Rechts en haaks op de kazematten aansluitende muur van ongeveer één à anderhalve meter hoog, thans aanleunend tegen recent gebouw van het Sint-Lucasinstituut. Bakstenen metselwerk, restanten van natuurstenen blokken in sokkel. Twee aanzetten van vermoedelijk steunberen (ongeveer één meter breed). Tegen (deel van) steunbeer links, schuinlopend muurtje met muurvlechtingen. Links aansluitend bij de kazematten restant rechtface van bastion in vorm van 1,5 à 2 meter dikke bakstenen muur, welke een scheiding vormt met de percelen gelegen aan de Blekerijvesting en de ongeveer twee meter lager gelegen percelen uitgevend op de Sluizenkaai. Hier en daar komen rondboognissen voor in de muur.

- Restanten van bastion nummer 8, gelegen haaks op de Oude Leielaan. Het betreft de rechterface van bastion met ingebouwd een reeks van 22 (?) boven elkaar gelegen kazematten, waarvan de elf bovenste dateren uit de Hollandse periode (1817-1830), eronder zijn vermoedelijk nog 11 kazematten bewaard uit de tijd van Vauban, twee ervan werden thans vrijgemaakt. Bomvrije schuilplaatsen met rechthoekige plattegrond van gemetste baksteen onder dito tongewelf. De bovenste kazematten zijn voorzien van rechthoekige schietgaten. De kazematen werden gerestaureerd door de VZW "Wonen en Werken" in de periode van 1996-1999.


Bron: Onroerend Erfgoed West-Vlaanderen, Beschermingsdossier DW000549, Geografisch pakket Menen.
Auteurs:  Agentschap Onroerend Erfgoed
Datum: 1991


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed: Restanten van oude vestingen [online], https://id.erfgoed.net/teksten/125235 (geraadpleegd op 07-05-2021)