Sint-Victorsinstituut

Tekst van Sint-Victorsinstituut (https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/200092)

Een jongenspensionaat dat in 1861 door de broeders van Barmhartigheid werd opgericht. Overwegend eind 19de-eeuws conglomeraat, twee à drie bouwlagen rond een ruime speelplaats gegroepeerde vleugels.

Na de opening van middag- en zondagsscholen en een kosteloze dagschool volgde in 1844 de oprichting van het jongenspensionaat. Tussen 1863 en 1898 werd de school uitgebreid tot een ruim complex. De eerste uitbreiding (1863-1867) omvatte de bouw van enkele klassen. In 1867 verrees de hoge, drielaagse vleugel met zes klassen, een grote feestzaal, slaapzaal en een kapel op de bovenste verdieping. Hierop aansluitend werden in 1886 de vleugel met de refters opgetrokken met dwars erop en parallel met de latere kapel nog eens drie klassen en een keuken. Door de bouw in 1892 van de refter en keuken van de broeders langsheen de Brusselsesteenweg werd de straatwand verder gedicht en een driehoekige binnenkoer gecreëerd. De straatzijde werd in noordwestelijke richting verder afgesloten met de inmiddels eveneens gesloopte economaat- en knechtenvleugel. In 1895 werd de kapel verbouwd tot slaap- en waszaal en werden in de tuin een teken- en pianoklas gebouwd. De 19de-eeuwse bouwcampagne werd circa 1897 afgesloten met het optrekken van een neogotische kapel en een langgerekte vleugel. Eind 1921 werd het onderwijsaanbod uitgebreid met een normaalschool. In 1932 werd een nieuwe, monumentale art-decovleugel in gebruik genomen. De volgende bouwfase dateert van 1945-1964. In 1979 sloopte men de aalmoezenierswoning, het economaat en de oude varkensstallen langsheen de Brusselsesteenweg. De meest recente ingreep omvatte de sloop van de voormalige refter en keuken en de bouw van een nieuw ingangsportiek. De neogotische kapel wordt momenteel heringericht tot turnzaal.

De drie bouwlagen hoge en 10 traveeën lange vleugel parallel met de straat dateert uit 1867. De langsgevels worden geritmeerd door symmetrisch geplaatste lichtgetoogde vensters. Het bakstenen parement wordt verlevendigd met speklagen die onder- en bovendorpels verbinden en door een rondboognis bekroond met een driehoekig baldakijn. Opmerkelijk is de vensterindeling van de tuimelramen die in hoge mate het uitzicht van de gevels bepaalde: een glasroedeverdeling met ijzeren profielen, ter hoogte van het bovenlicht lancetvormig uitgewerkt met centraal cirkelmotief. De aangrenzende, 14 traveeën en twee bouwlagen tellende vleugel uit 1887 herneemt dezelfde gevelopbouw met lichtgetoogde venster- en deuropeningen. Beide vleugels werden inwendig sterk verbouwd.

In 1897-1898 opgetrokken neogotische kapel, naar ontwerp van de Ieperse architect Jules Coomans. Een éénlaags volume met spitsboogopeningen en gekanteelde bekroning zorgde voor de verbinding met de aangrenzende vleugels. De niet georiënteerde kapel is opgetrokken in bak- en hardsteen en omvat een acht traveeën diepe beuk, en een smaller en lager, driezijdig gesloten koor, aan de zuidoostzijde geflankeerd door een rechthoekige sacristie. De toegang bevindt zich ter hoogte van een binnentuin, in de decoratief benadrukte noordoostelijke puntgevel met gebouchardeerde, hardstenen plint. De drieledige opstand wordt bepaald door het ingangsportiek waarboven een drielichtvenster en een beeldnis. Bovenaan in de geveltop, beeld van Sint-Victor (1904) van de Gentse beeldhouwer Aloïs De Beule. Naast het koor bevindt zich de aanvankelijk grotendeels ingebouwde sacristie.

De circa 1892 te dateren neogotische vleugel aan de Pastoor Bolsstraat vormt een imposant, drie bouwlagen tellend, bak- en hardstenen complex afgedekt met natuurleien zadeldaken. De toegang langs de Pastoor Bolsstraat wordt geaccentueerd door een ruime voortuin, aan de straatzijde afgesloten met een fraai smeedijzeren hekwerk met hardstenen plint en bakstenen pijlers voorzien van een hardstenen bekroning. Het "voorhuis", geconcipieerd als hoofdingang, heeft de vorm van een drie traveeën breed en drie bouwlagen hoog dubbelhuis, afgedekt met een tussen zijtrapgevels gevat natuurleien zadeldak. Typerend voor het materiaalgebruik is het karakteristieke kleurcontrast tussen het zachtrode baksteenmetselwerk en de rijkelijk aangewende blauwe hardsteen voor zowel plint en speklagen als vensterkruisen en -dorpels. Aan de linkerzijde wordt de ingang geflankeerd door een polygonaal, naar boven toe rechthoekig verklimmend torentje, opgevangen door een getrapt uitgewerkte, fraai geprofileerde sokkel en een driekwartzuiltje, het geheel bekroond met een steil, taps toelopend schilddak met smeedijzeren nokversiering en windvaan. Het torenvormig volume met lessenaarsdak en getrapte afwerking tegen de achtergevel voorziet in sanitaire ruimte en berging. De achtergevel gaat gedeeltelijk schuil achter de geknikte, langgerekte vleugel waarin twee bouwonderdelen zijn te onderscheiden. Het direct op het dubbelhuis aansluitende gedeelte is zes traveeën lang en wordt geritmeerd door respectievelijk gekoppelde kloosterkozijnen met afgeronde tussenpenant en dubbel ontlastingssysteem en rechthoekige deuren met tweedelig bovenlicht. Zoals in het dubbelhuis wordt het gevelvlak verlevendigd met speklagen en een elegante kroonlijst met muizentand- en boogfries. Een één travee breed, trapeziumvormig hoekvolume met getrapte bekroning accentueert het geknikt verloop en vormt tevens de overgang naar het soberder uitgewerkt, drie traveeën tellend gedeelte waar speklagen en boogfries ontbreken.

Uit dezelfde periode dateren eveneens de gietijzeren hekken met pijnappelmotief die de speelplaats opdeelden in een zone voor oudere en jongere leerlingen. Een ander opmerkelijk gebouw binnen de schoolsite is de volgens de gevelopschriften in 1930-1931 opgerichte normaalschool, vermoedelijk naar ontwerp van broeder Valentijn. De voormalige normaalschool is een langgerekt rechthoekig volume. In 1945-1946 door een oud-leerling, architect Beniest uitgebreid met een verdieping. Deze vleugel is opgevat als een betonskeletbouw met vullingen in metselwerk. De strak lineaire gevelstructuur wordt bepaald door sterk verticaliserende lisenen met vertande versiering en door horizontale registers van de hoge, gekoppelde klasramen met doorlopende lateien. Een driehoekige bekroning werd ook aangewend voor de afwerking van de overigens uitermate sober gehouden zijgevels. Een grote soberheid karakteriseert eveneens de achtergevel.


Bron: Beschermingdossier DB002122
Auteurs:  Agentschap Onroerend Erfgoed
Datum: 2001


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed: Sint-Victorsinstituut [online], https://id.erfgoed.net/teksten/125676 (geraadpleegd op 07-05-2021)