Commanderij Teutoonse Orde: kasteel, hoevegebouwen en omgeving_versie 1_20140520

Tekst van Commanderij Teutoonse Orde: kasteel, hoevegebouwen en omgeving (https://id.erfgoed.net/aanduidingsobjecten/3717)

In het derde kwart van de 16de eeuw werd het bestaande kasteel door de commanderij van de Teutoonse Orde uitgebouwd tot een monumentale waterburcht in Maaslandse renaissancestijI bestaande uit een burcht in de vorm van een vierkant met ronde hoektorens en een voorburcht met voorhof (hoeve).

Historiek

Ontstaan in 1190 te Acco als hospitaalbroederschap, die vooral instond voor de huisvesting en verzorging van de kruisvaarders, werd de Duitse Orde in 1198 omgevormd tot een geestelijke ridderorde. Al spoedig werd zij overstelpt met giften en groeide zo uit tot een heuse politieke en militaire macht in Europa. Ook in onze gewesten stonden de Duitse ridders in hoog aanzien: reeds in 1220 schonk graaf Arnulf III van Loon aan de orde een bedevaartskapel met aanhorigheden te Biesen (in de buurt van Bilzen). Vanuit deze bezittingen groeide de landcommanderij Alden Biesen uit tot een belangrijk centrum waarrond een twaalftal commanderijen gegroepeerd waren. Eén van de voornaamste onderhorige commanderijen was de heerlijkheid Gruitrode.

In 1417 verkocht Jan, heer van Gulik, Heinsberg en Leeuwenberg, afstammeling van de graven van Loon, de heerlijke rechten en het kasteel van Gruitrode met alle toebehoren aan Ivan van Cortenbach, landcommandeur van de Duitse Orde in Alden Biesen. Het was een late commanderijstichting, in een periode dat de Duitse Orde reeds over haar grote bloei heen was, en overal elders commanderijen gesloten werden. De commende van Vucht bij 's Hertogenbosch, gesticht in 1260, werd naar hier overgebracht en het huis van Vucht was sindsdien een afhankelijkheid van Gruitrode. De Orde verkreeg in 1432 dat de heerlijkheid, een leen van de aartsbisschop van Keulen, een allodiaal goed werd door verkoop van drie Duitse dorpen aan de aartsbisschop; op die wijze werd de Orde van haar leenplicht ontslagen. De landcommandeur van Alden Biesen was tot het einde van het ancien régime heer van Gruitrode; de landcommandeurs maakten aanspraak op de soevereiniteitsrechten over Gruitrode en sloegen er in de 15de eeuw munt.

De commanderij bezat een grote sociale, religieuze, culturele en politieke uitstraling in het Maas-Rijngebied en in het prinsbisdom Luik. Getuige hiervan zijn de vele internationale contacten die de commandeur onderhield. Gelegen langs de belangrijke verbindingsweg Maastricht-Den Bosch was het kasteel van Gruitrode immers vaak een ontmoetingsplaats van hoge gasten. Een direct engagement van de Duitse ridderorde met de strijd tegen de Turken droeg er trouwens toe bij dat de commanderij Gruitrode steeds meer betrokken werd met de ontwikkeling van Europa.

Volgens de overlevering lag het oorspronkelijke kasteel van de graven van Loon iets ten zuidoosten van het huidige kasteel. Dit wordt tegengesproken door het feit dat een gedeelte van dit kasteel bewaard schijnt in de huidige commanderijhoeve. De Duitse Orde bouwde een nieuw kasteel, een waterburcht, waarvan de grachten gevoed werden door de Itterbeek. Dit gebeurde niet onmiddellijk na de aankoop van de heerlijkheid, waarschijnlijk omwille van de slechte financiële toestand van de Orde op dat ogenblik. Met de bouw van de burcht werd begonnen door de landcommandeurs Winand van Breyel (1536-54) en Johan van Ghoer (1554-1572). Waarschijnlijk werd het kasteel in 1568 en de hoeve in 1573 voltooid. De grootste bloei kende de commanderij in de periode van commandeur Hendrik van Ruyschenberg en zijn opvolger Edmond Huyn, die in 1610 zelfs voor een groot deel de aankoop van de commanderij van Ordingen (onder Sint-Truiden) financierde. De commanderij van Gruitrode was een belangrijke vestiging; veel hier dienst doende commandeurs werden later landcommandeur van de balie Alden Biesen. In 1652 werd de commanderij ingenomen door muitende troepen van Karel van Lotharingen, en waarschijnlijk geplunderd; pas twee jaar later kon ze door Duitse hulptroepen ontzet worden. Waarschijnlijk was er schade aangericht, want commandeur Johan Adriaan van Bijlandt (1653-67) voerde verbouwings- en restauratiewerken uit. De 18de eeuw was voor de commanderij een periode van verval. De commandeurs verbleven vrijwel nooit meer in het kasteel, het bestuur van commanderij en goederen gebeurde vanuit Duitsland of Oostenrijk. Het kasteel takelde geleidelijk af.

De huidige Weg naar Opoeteren volgt het tracé van de eikendreef die de burcht oorspronkelijk met het dorpscentrum verbond. De eigenlijke toegang tot het kasteel werd echter gevormd door een parallel lopende eikendreef ten zuidoosten van het kasteel. Het geheel was omgracht, en ook het neerhof en het eigenlijke kasteel waren door een gracht gescheiden. Zoals blijkt uit de beschrijving van Saumery (1738-1744), uit de tekening en gravure van Remacle Le Loup (circa 1738), en uit de ets van R. de Hooghe (1700) bevond de ingang van het kasteel zich aan de zuidoostdreef; hier stond een barok poortgebouw, gebouwd in 1662 door commandeur Jan Adriaan van Bijlandt. Via een brug over de gracht bereikte men de zuidoostvleugel van het neerhof; de ingang was een hoge rondboogpoort in een rechthoekige, geblokte omlijsting. Het neerhof was een U-vormig complex, met open zijde van het erf naar het zuidwesten, de kasteelzijde. De bakstenen gebouwen hebben mergelstenen speklagen onder zadeldaken, de zijgevels zijn afgewerkt met trapgevels; de onderbouw is van hardsteen; op de noordhoek bevond zich een ronde toren. In de noordwestvleugel was de brouwerij. Langs de zuidwestzijde van het erf, via een brug over de gracht tussen neerhof en kasteel, bereikte men het eigenlijke kasteel. Het was een vierkant geheel in laatgotische stijl uit de tweede helft van de 16de eeuw, de vleugels gegroepeerd rondom een binnenplaats; een ophaalbrug en een hoge rondboogpoort in een rechthoekige, geblokte omlijsting gaven er toegang toe. Het noordoostelijk gedeelte van de eigenlijke burcht was monumentaler van afwerking dan het zuidwestelijk deel; de drie vleugels tellen hier twee bouwagen.; de krulgevels met barokke afwerking dateren waarschijnlijk van de restauratiewerken van Johan Adriaan van Bijlandt. De vensters zijn kruis- en kloosterkozijnen met laatgotisch accolademotief op de latei. Het zuidwestelijk gedeelte, twee traveeën van de zuidoost- en de noordwestvleugel, en de volledige zuidwestvleugel tellen maar één bouwlaag. De noordwest- en zuidwestvleugel waren aan de zijde van de binnenplaats voorzien van galerijen; in de noordwestvleugel bevonden zich de woonvertrekken. Op elke hoek bevond zich een ronde toren; de oostelijke toren fungeerde als donjon, hij was één bouwlaag hoger dan de twee zuidwesttorens. Naast de ingangspoort bevond zich de zogenaamde klokkentoren, een polygonaal torentje, volgens Saumery daterend van 1651. De noordelijke toren is een lage, polygonale toren onder koepeldak, volgens Saumery gebouwd in 1665; hij bevatte een kapel, waar, nog steeds volgens deze auteur, zich een chronogram bevond met de naam van commandeur Wassenaer en de datering 1683.

Tijdens de Franse periode werd de Duitse Orde ontbonden en haar goederen aangeslagen. De commanderij werd in 1801 verkocht aan R.F. de Sélys-Fanson, eigenaar van het Schanshof in Opoeteren; hij kocht ook de hoeve. In de veilingsbrief wordt vermeld dat de torens gedeeltelijk vernield zijn, behalve de klokkentoren; ook de leien daken waren toen in slechte staat. Te oordelen naar de situatie in de Atlas van de Buurtwegen (1845) heeft het verval van het kasteel zich in de eerste helft van de 19de eeuw duidelijk doorgezet: de volledige noordwestvleugel van het kasteel is verdwenen. Het kasteel was ondertussen verkocht aan A. Pullinks, brouwer te Maastricht; nog later komt het in het bezit van de familie Naveau. Het kasteel wordt in 1886 door J. Habets beschreven als een ruïne; hij vermeldt de gedeeltelijke afbraak van de noordwestelijke woonvleugel, het verdwijnen van twee van de vier torens, en de slechte staat van de twee andere. Uit de beschrijving van het gebouw door J. Coenen in 1943 blijkt dat de gaanderij van de zuidwestvleugel verdwenen is, de torens alle tot op een paar meter verlaagd, en op de plaats van de noordtoren en de kapel bevindt zich een recent gebouw; het poortgebouw bestond nog.

Beschrijving

De site van de voormalige commanderij is van de straat afgesloten door middel van een ijzeren hek tussen twee hekpijlers. Het kasteel is nog gedeeltelijk omgracht.

Van het eigenlijke kasteel rest slechts de noordoostvleugel met de onderbouw van de oosttoren, en aan de zuidzijde de onderbouw van de zuid- en westtorens. Deze torenresten werden verbouwd en voorzien van kantelen. Op sommige plaatsen bleven de oorspronkelijke, vierkante vensters bewaard in een geprofileerde kalkstenen omlijsting met negblokken en accolademotief op de latei. De resterende kasteelvleugel telt vier ten opzichte van elkaar verspringende volumes: het noordelijk gedeelte, aansluitend bij de noordelijke toren is het resterend gedeelte van de thans verdwenen zuidoostvleugel; het centrale, uitspringende gedeelte is het voormalige poortgebouw, geflankeerd door de polygonale klokken- en traptoren, deze telt drie bouwlagen onder een naaldspits en is afgewerkt met mergelstenen hoekbanden; het aansluitende gedeelte is eveneens origineel, maar de laatste travee is een recente wijziging aangezien zich hier de polygonale noordelijke toren met kapel bevond. Al deze gebouwen zijn van baksteen onder zadeldaken. Geen enkele van de krulgevels bleef behouden. De vierkante venstertjes en kruis- en kloosterkozijnen hebben een geprofileerde, kalkstenen omlijsting met negblokken en accolademotief op de latei. Dit laatgotische motief plaatst het gebouw in de periode van de bouw van het kasteel door Johan van Ghoer in de tweede helft van de 16de eeuw. Op een gevelsteen aan de zuidwestzijde staan de wapens van baljuw Jan van Reuschenberg en de landcommandeur Johan van Ghoer met het opschrift “Allein Godt Die Eer unde niemants mehr. Anno 1568”.

De hoeve bleef vrijwel volledig bewaard maar is in ruïneuze staat. Het poortgebouw, waarvan in de jaren 1980 de onderbouw nog zichtbaar was, is ondertussen volledig verdwenen. De brug over de gracht werd door een nieuwe brug vervangen. De oorspronkelijke, later gedichte ingangspoort bevindt zich in de zuidoostvleugel.

De hoeve had oorspronkelijk slechts drie vleugels, de zijde van het erf die naar het kasteel was gericht was open; deze zijde is later ook dichtgebouwd. De hoeve schijnt het oudste gedeelte van de commanderij te bevatten, waarschijnlijk de resten van de burcht van de familie van Heinsberg, in de noordoost- en noordwestvleugel, die voorheen de stallen en een dwarsschuur bevatten. In tegenstelling tot de overige delen van de hoeve, die opgetrokken zijn uit baksteen met mergelstenen speklagen, zijn de erfzijdegevels van deze twee vleugels volledig van mergelsteen, een bouwwijze die opklimt tot de 14de eeuw. Vrijwel alle muuropeningen werden gewijzigd, behalve twee lage, geprofileerde hardstenen rondboogpoorten, die eveneens een hoge ouderdom schijnen te hebben. De dwarsschuur werd gedeeltelijk herbouwd na vernieling tijden de Tweede Wereldoorlog, waarbij ook de originele poort verloren ging. Boven de poort bevond zich vroeger een gevelsteen met chronogram met de naam van Johan Adriaan van Bylandt dat het jaartal 1662 vormt. Op de noordelijke hoek van de schuur bevond zich de noordtoren van de hoeve, een ronde toren die mogelijk eveneens tijdens de Tweede Wereldoorlog verdween, aangezien de buitenmuur hier nu een recente bakstenen muur is.

De zuidoostvleugel bevat de inrijpoort met aansluitend de pachterwoning en een iets ten opzichte hiervan uitspringende langschuur. De erfzijdegevel van de pachterwoning werd midden 19de eeuw verbouwd en voorzien van getoogde vensters. De geprofileerde, mergelstenen kroonlijst bleef behouden. Nog later werd de hoge rondboogvormige inrijpoort gedicht en werd dit gedeelte opgenomen bij de woning. De gevel aan de buitenzijde behield zijn mergelstenen speklagen. De getoogde inrijpoort aan de buitenzijde is een verbouwing van het origineel; erboven bleef de gevelsteen bewaard met het wapen van commandeur Johan van Reuschenberg, het devies “Godt alleen die eer” en de datering “1573”. Naast het poortgebouw werd recent een verdwenen gedeelte gereconstrueerd. De bij de pachterwoning aansluitende langschuur is voorzien van trapgevels als zijgevels, met recente schuurpoort. In de noordwestvleugel, aansluitend bij het hoger vermelde, mergelstenen gedeelte, en iets inspringend, bevindt zich de voormalige brouwerij. Dit is een klein gebouw van drie traveeën, baksteen met mergelstenen speklagen, voorzien van een rechthoekige deur met afgeronde hoeken in een kalkstenen omlijsting met negblokken en afgeschuinde neg; erboven bevind zich een polygonaal, mergelstenen bovenlicht in een mergelstenen omkadering met druiplijst, waarboven een mergelstenen gevelsteen met het wapenschild van commandeur van Wassenaer en dat van de Duitse Orde, en het jaartal 1693.

Het thans gebetonneerde erf was vroeger geplaveid met grafstenen, onder meer die van jonker Jan van Eijnatten tot Opsinnich, commandeur van Gruitrode van 1607 tot 1627.

De omgeving van de commanderij is een open landschap bestaande uit weilanden met hier en daar een opgaande boom.

Bibliografie

  • Archief Onroerend Erfgoed Limburg, DL000393, Commanderie Teutoonse Orde, beschermingsdossier (J. Gyselinck, 1994).

Auteurs:  Schlusmans, Frieda; Gijselinck, Jozef
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: Schlusmans F. & Gijselinck J. 2014: Commanderij Teutoonse Orde: kasteel, hoevegebouwen en omgeving_versie 1_20140520 [online], https://id.erfgoed.net/teksten/158604 (geraadpleegd op ).