De kolenwasserij en -zeverij werden vanaf 1923 en 1924 uitgebouwd als onderdelen van de steenkoolmijn van Beringen. De gebouwen zijn opgetrokken in metaalvakwerk en zodanig geconcipieerd dat de kolenwagons rechtstreeks geladen en gelost konden worden.
In de streek van Beringen hadden de eerste verkenningsboringen plaats vanaf 1902: deze bewezen dat de ondergrond voldoende kolen bevatte om er een mijnzetel te vestigen. Foraky-proefboringen, om de optimale vestigingsplaats te bepalen, vonden in 1904-1909 plaats, onder meer boring nummer 29, aan de weg Beringen-Paal in 1904; nummer 72, Langeneiken in 1907; nummer 62, Heppen-Statie in 1909; nummer 55, Bredonk in 1909; nummer 54, Kleine Heide in 1909.
In enkele gevallen bleef een betonnen blok als getuigenis hiervan over. De concessie 'Beringen-Koersel' bezat een oppervlakte van 4950 hectare (5271 hectare sedert 1954), en strekte zich uit over delen van de gemeenten Koersel, Heusden, Lummen, Beringen, Oostham, Paal, Tessenderlo en Beverlo. Zij werd op 26 november 1906 verleend aan drie maatschappijen (namelijk de Societé Campinoise de Recherches, de Societé des Propriétaires de Coursel-Heusden en de Societé de Recherches Minieres dans la Campine limbourgeoise), die de voorbereidende werkzaamheden verricht hadden.
De S.A. des Charbonnages de Beeringen werd als uitbatingsmaatschappij te Luik opgericht op 23 februari 1907. Van het beginkapitaal van 25.000.000 frank, verdeeld in 50.000 aandelen, gingen 6000 aandelen naar de drie hogergenoemde maatschappijen. De 44.000 resterende werden voornamelijk opgenomen door Franse nijverheidsgroepen: de S.A. des Hauts-Fourneaux et Fonderies de Pont-à-Mousson (1032 aandelen), La Cie des Aciéries de la Marine et d'Homécourt (7200 aandelen), de Societé des Forges du Nord et de l'Est (6338 aandelen) en Les Aciéries de Michéville (4227 aandelen). Daarnaast verwierven ook de Societé Generale de Belgique en de Societé Eelen-Asch participaties. Bij kapitaalsverhogingen van mei 1919, november 1920 en december 1923 verstevigden deze Franse belangengroepen hun positie nog, zodat in 1931 liefst veertien van de achttien leden van de raad van beheer de Franse nationaliteit bezaten. De voorbereidende werken voor de exploitatie vonden vanaf 1907 plaats. Vermoedelijk dacht men de zetel te vestigen aan proefboring 72 te Langeneiken: de maatschappij kocht er uitgestrekte terreinen aan en bouwde er de eerste arbeidershuizen van het type 'Anzin' (Albert I-laan, Koersel). Men boorde op deze plaats echter op een ondergronds meer, en diende naar een andere site uit te kijken. Na twee controleboringen tot 1200 en 1500 meter, werd in 1908-1909 besloten de mijnzetel te vestigen te Kleine-Heide, aan Rijksweg 21. In 1909 werd het terrein ontbost en rezen de eerste gebouwen en woningen er op.
De bevriezingsboringen voor schacht I werden in 1910 aangevat: de steriele dekterreinen (622 meter dikte) bestaan uit zand-, mergel-, krijt- en turfafzettingen, voor het merendeel waterdoorlatend. Onmiddellijk boven het carboonplatform bevond zich, van 608 tot 622 meter, daarenboven een laag Herviaans drijfzand, verzadigd met water onder druk van 63 atmosfeer.
De schachtboringen, aangevat in 1912 voor schacht I, en in 1913 voor schacht II, zouden met zware technische moeilijkheden af te rekenen krijgen: zo moest de bevriezingsmethode volgens een heel nieuwe techniek (ingenieur Louis Sauvestre) in de ondergrond hernomen worden, vanaf 585 meter diepte. Schacht I liep zowel in 1913 als in 1920 onder water, alhoewel de tweede afdieping minder tegenslagen kende. Ook de Eerste Wereldoorlog leverde vertraging op: vanaf 1916 kwam de vennootschap onder Duits dwangbeheer, en in 1917 wordt onder meer de zware 2000 kW-turbine: door de bezetter gedemonteerd en naar Duitsland gezonden. Op 20 oktober 1919 werd de kolenlaag bereikt, op 623 meter. De eerste exploitatiebasis werd aangelegd tussen 727 en 789 meter. Na de Tweede Wereldoorlog werden beide schachten tot op 849 meter afgediept.
De mijn werd gesloten in 1989. Onder de naam 'be-MINE' wordt de site sinds 2009 herbestemd als toeristisch-recreatief project met wooncomponent. Zo werden de indikkers herbestemd als duikcentrum.
De kolenwasserij en kolenzeverij werden uitgebouwd respectievelijk vanaf 1923 en 1924. Het gebouw is monolithisch opgetrokken in metaalvakwerk, met afwisselend twee traveeën in glaswerk en één travee in baksteenmetselwerk. In totaal omvat het gebouw tien bouwlagen, de technische verdiepingen werden op een open staketsel boven de sporen gebouwd voor het rechtstreeks laden en lossen van de kolenwagons. De kolenwasserij en –zeverij omvatte onder meer indikkers, schlammbekkens, decantatiebekkens, een steenbunker, kolenbunkers en transportbanden.
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)
Je kan deze tekst citeren als: S.N. 2014: Steenkoolmijn van Beringen: kolenwasserij en -zeverij versie 1 - 16.06.2014 [online], https://id.erfgoed.net/teksten/159706 (geraadpleegd op ).