De versterking Antwerpen

Tekst van Vesting Antwerpen (1850-1947) (https://id.erfgoed.net/themas/145)

Vanaf zijn onafhankelijkheid moest België uitzien naar een eigen verdedigingsstelsel, bij gebrek aan natuurlijke grenzen en hindernissen. Sinds 1848 moest er bovendien rekening worden gehouden met een mogelijk conflict met Frankrijk of Pruisen, waarbij België kon rekenen op de steun van Engeland.

In 1851 bestond de Belgische verdediging uit een twintig versterkte plaatsen en posten. Het beschikbare aantal eenheden kon dit grote aantal plaatsen onmogelijk verdedigen en zodoende moest het accent gelegd worden op één gebied. Antwerpen, Luik en Namen zouden uitgebouwd worden tot de ruggengraat van het defensieve systeem van ons land.

Omwille van zijn geografische ligging werd Antwerpen verkozen boven Brussel. De Schelde en de Rupel-Nete-lijn voorzien Antwerpen gedeeltelijk van een natuurlijke verdediging; de keuze van Antwerpen werd ook nog bepaald door zijn handelshaven met stapelplaatsen, nodig voor de bevoorrading van de bevolking en het leger; bovendien kon Antwerpen langs de Schelde het best Engelse hulptroepen ontvangen.

In deze optiek zou de versterking Antwerpen dan in oorlogstijd dienst doen als hoofdstad van België, toevluchtsoord voor de regering en de Koning, en concentratieplaats voor het leger en het materieel.

De Brialmontvesting

Door de wet van 8 september 1859 kon het defensiesysteem, uitgewerkt door kapitein Alexis Henri Brialmont (1812-1903), gerealiseerd worden. Antwerpen lag toen nog binnen de Spaanse Vesten van 1542 met de Zuidercitadel van 1567. De uitbreiding van 1852-54 bevatte een vooruitgeschoven verdediging in Berchem en Borgerhout, met zeven als veldversterkingen opgevatte, kleine forten. Een uitbreiding van de agglomeratie en de haven was dringend nodig, wat het verdwijnen van de gordel van 1542 veronderstelde. Vóór de uitbreiding van de Antwerpse verdediging lagen op de linkeroever drie gebastioneerde forten, met name Vlaams Hoofd (van 1576, gesloopt tijdens de aanleg van de Antwerpse linkeroever), Isabella (grondgebied Antwerpen, opgericht in 1605 en gesloopt in 1911) en Burcht. De bocht van Kallo op de Beneden-Schelde werd verdedigd door Fort Sint-Marie (gemeente Zwijndrecht, opgericht in 1584), en de forten Lillo (stad Antwerpen, 1759-82) en Liefkenshoek (tegenover Lillo-fort, provincie Oost-Vlaanderen, arrondissement Sint-Niklaas, gemeente Beveren; 1582-1584 en circa 1800) verdedigden de toegang tot Antwerpen.

De Brialmontvesting, gerealiseerd tussen 1860 en 1865, en integraal gebaseerd op de vernieuwende ideeën van markies de Montalembert, bestond uit een polygonale verdedigingsgordel en acht vooruitgeschoven forten op de rechteroever van de Schelde.

De POLYGONALE GORDEL, die op een 2 à 2,5 kilometer van de Spaanse vesten werd opgetrokken, had de vorm van een vierhoek en een omtrek van 11 kilometer. In het noorden vertrok de gordel vanaf de nieuwe Noordercitadel, gelegen bij de Schelde, en liep langs de randgemeenten Berchem en Borgerhout naar de Zuidercitadel van 1567. Het stadsgebied werd er zesmaal groter door.

Op 2,8 tot 4,5 kilometer van deze verdedigingsgordel werden nog op een afstand van circa 2 kilometer van elkaar, ACHT AFZONDERLIJKE FORTEN opgetrokken. De ruimte tussen de forten werd opgevuld door een drietal schansen. De forten, genummerd van 1 tot 8 en met elkaar verbonden door een militaire baan, werden op belangrijke punten geplaatst vanaf Wijnegem (fort 1) in het noorden tot Hoboken (fort 8) aan de Schelde. Fort 4 in Mortsel werd opgericht in de hoek gevormd door de weg naar Lier en de spoorwegen Antwerpen - Brussel en Antwerpen - Lier. Fort 8 in Hoboken stond in voor de verdediging van de Schelde en de forten 2 in Wommelgem, 3 in Borsbeek, 5 in Edegem, 6 en 7 in Wilrijk, zorgden voor de verbinding tussen de strategische forten.

In het noorden kwamen geen forten voor omdat dit gebied door inundatie beschermd werd.

Het arrondissement bezat oorspronkelijk vijf forten: fort 1 in Wijnegem (Turnhoutsebaan), fort 2 in Wommelgem (Fort II-straat), fort 3 in Borsbeek (Frans Beirenslaan 2A), fort 4 in Mortsel (Krijgsbaan) en fort 5 in Edegem (Jacob De Roorestraat). Daarvan blijven nog de forten 2, 4 en 5 goed bewaard, terwijl fort 1 gesloopt werd in 1859 en fort 3 nog slechts enkele gedeelten van het binnenfort, het hoofdfront, de halve caponnières en de ingang bezit.

Ook de versterking op LINKEROEVER werd aangepast. Daar opteerde men voor een concentratie van de verdediging in de bocht van Kallo met het hernieuwen van het fort Sint-Marie te Zwijndrecht in 1859.

De opbouw van de versterkte stelling werd door openbare aanbesteding op 30 november 1859 toegewezen aan de "Compagnie des Matériels de Chemin de Fer", die voor deze grootse werken steenbakkerijen aankocht of oprichtte in Kalmthout, Niel, Bazel en Edegem. Voor de nodige hardsteen zorgde de steengroeve van Feluy, en aangekochte bossen werden gerooid om te voldoen aan de vraag naar hout. Spoorlijnen en kaaien aan de Schelde en het Kempisch kanaal werden aangelegd voor de aanvoer van de bouwmaterialen. Om een idee te geven van de omvang van deze werken kan vermeld worden dat circa 13 miljoen kubieke meter grond werd uitgegraven en circa l miljoen kubieke meter bakstenen metselwerk werd opgebouwd door een 13.000 werklieden en militairen.

De polygonale FORTEN 1 tot 8 werden op enkele details na volgens eenzelfde plan opgebouwd; ze zijn nagenoeg trapeziumvormig en zijn omgeven door een brede ringgracht.

Het hoofdfront werd beschermd door de caponnière, een naar de vijand gericht eilandje bestaande uit twee bomvrije flanken en een driehoek waarin een centrale gang verbonden is met de batterijen, opslagplaatsen enzovoort. De caponnière is met het hoofdfront verbonden door een bakstenen brug.

In het hoofdfront, uitkomend op een open ruimte, bracht men verblijven onder voor de soldaten en onderofficieren. De diverse lokalen zijn met elkaar verbonden door een galerij, en een centrale gang leidt naar de caponnière.

Aan beide zijden van het hoofdfront, op de hoeken van het trapezium, liggen de halve caponnières, bestaande uit een gang en batterijen. Het meest indrukwekkende onderdeel van het fort is het binnenfort, gevormd door twee halve cirkels met een centrale binnenkeer. Op de gelijkvloerse en eerste verdieping waren onder meer opslagplaatsen en troepenkamers ondergebracht.

Rond het binnenfort loopt een droge gracht, beschermd door de contrescarp met bakstenen muur en muuropeningen aan de zijde van het binnenfort.

Vanuit de contrescarp leidt links en rechts een gang naar de lage batterijen. Aan de keerzijde is de toegang tot het binnenfort nog voorzien van een poort, voorafgegaan door een ophaalbrug en een vaste brug. Een andere toegang leidt naar het officierenpaviljoen.

De meeste gedeelten zijn bedekt met een laag aarde. Slechts de noodzakelijkste gedeelten zijn vanuit het fort zichtbaar, zoals de keelzijde van het hoofdfront, de halve caponnières, het officierenpaviljoen, de lage batterijen. Het binnenfort is aan beide zijden zichtbaar en de contrescarp enkel aan de zijde van het binnenfort. Tenslotte is de toegang tot het binnenfort ook volledig zichtbaar.

Forten zijn zware bakstenen constructies die overwegend louter functioneel werden gehouden. De gevels van het hoofdfront, de halve caponnières, het officierenpaviljoen en de toegang, zijn meer decoratief opgevat en uitgewerkt in een sobere eclectische stijl met lisenen en boogfriezen. Arduin werd aangewend voor de lijsten, omlijstingen van muuropeningen en schietgaten.

De bouw van de Brialmontvesting ging gepaard met de nodige erfdienstbaarheden, want volgens de wet van 4 februari 1815 mochten geen nieuwe constructies worden opgericht binnen een straal van 585 meter vanaf het buitenste glacis van de versterkingen. Kleine houten woningen konden worden gebouwd, en indien nodig afgebroken. Zo verschenen bijvoorbeeld in Mortsel volledige wijken met houten woningen, en vandaag nog zijn een aantal van deze woningen bewaard (Kapellen, Bernard de Vadderstraat nr. 23 en 25; Mortsel, Lindelei nr. 6-8; Mortsel, Mechelsesteenweg nr. 50-52; Mortsel, Statielei nr. 20; Broechem, Steenweg op 't Fort; Zwijndrecht, Krijgsbaan nr. 110; Zwijndrecht, Vendoorn nr. 4 en 6; Burcht, Kruibeeksesteenweg nr. 110 en 158).

Sommige gebouwen gelegen binnen de zone met erfdienstbaarheden, moesten zonder recht op vergoeding worden gesloopt. Dit leidde tot hevig verzet, niet alleen tegen de erfdienstbaarheden en hun gevolgen maar ook tegen het behoud van de citadellen, die een belemmering vormden voor de uitbreiding van de stad en de haven. Uit dit verzet ontstond de antimilitaristische Meetingpartij die de afbraak eiste van de militaire werken, de afschaffing van de erfdienstbaarheden binnen de stad en een vergoeding voor de erfdienstbaarheden buiten de stad. De partij kon bereiken dat bij wet van 28 maart 1870 de erfdienstbaarheden verminderd werden tot een zone van 250 meter vanaf het buitenste glacis van de versterkingen; de erfdienstbaarheden werden pas in 1949 opgeheven. De Meetingpartij kon tevens bekomen dat de regering in 1868 beloofde de citadellen te zullen slopen. Tenslotte kregen de getroffen eigenaars in 1873 toch een schadevergoeding.

Aanzet tot verruiming

De uitbreiding van de haven werd mogelijk gemaakt door de Sloping van de Zuidercitadel in 1870. Door verkoop van de terreinen konden een reeks nieuwe versterkingen gerealiseerd worden, namelijk forten 11 en 12 ter vervanging van de Zuidercitadel, en het fort van Merksem, waarvan de opbouw startte in 1870. Laatstgenoemde werd toen opgebouwd omdat dit gebied niet beschermd bleek bij inundatie en zodus moest worden verdedigd.

In hetzelfde jaar begon op de linkeroever de uitbouw van een verschanst kamp bestaande uit de forten van Kruibeke (Burcht, Kruibeeksesteenweg), Zwijndrecht (Krijgsbaan) en de verbindingsdijk met fort Sint-Marie in Zwijndrecht).

Door deze dijk zou de Borgerweertpolder van overstromingsgevaar bevrijd zijn en dienen als onderkomen voor de veestapel.

In 1859 dacht men de linkeroever voldoende te kunnen beveiligen door inundatie, doch de noodzaak tot beheersing van de beide Scheldeoevers leidde tot de uitbouw van dit verschanste kamp.

De verdediging van de Beneden-Schelde werd aangevuld met de forten Sint-Philippe (1869-1880) en De Perel (provincie Oost-Vlaanderen, arrondissement Sint-Niklaas, gemeente Beveren). Dit laatste werd echter niet voltooid of bewapend.

Door de opkomst van zwaardere artillerie in de Frans-Duitse oorlog van 1870 bleek de Antwerpse versterking niet meer aangepast, en moest de buitenste gordel van de versterking verder van de agglomeratie worden geplaatst.

Dit leidde, onder impuls van A. Brialmont, tot de uitbouw van het versterkt gebied Antwerpen in 1878, waarin elke versterkte plaats de andere zou aanvullen en flankeren. Niet alleen Antwerpen werd onder handen genomen, ook de Maasgordel met de stellingen Luik en Namen ging een belangrijke rol spelen, voornamelijk omdat na 1870 reeds gevreesd werd dat een conflict tussen Frankrijk en Duitsland zou beginnen met de schending van het Belgische grondgebied.

Antwerpen zou op ongeveer 16 kilometer van de stadsagglomeratie voorzien worden van een verdedigingsgordel ter hoogte van de waterbarrière Rupel - Nete, meer bepaald aan de overzijde van deze rivieren. Om economische redenen werden eerst de forten van Lier en Walem (arrondissement Mechelen) gebouwd tussen 1878 en 1889, gewijzigd in 1891-1900 en 1910. Het toen ook opgerichte fort van Wintham (arrondissement Mechelen) moet beschouwd worden als een veldfortificatie.

In 1882 wordt de uitbouw van het bruggenhoofd Bazel gesitueerd (provincie Oost-Vlaanderen, arrondissement Sint-Niklaas), vertrekkend vanaf de Schelde in het noorden naar een heuvel die de oevers van de Schelde en de Rupel overschouwde. Als enige permanente constructie werd op de heuvel het fort Steendorp (provincie Oost-Vlaanderen, arrondissement Sint-Niklaas, gemeente Temse) opgericht, ter bescherming van het fort van Wintham.

Ter vervollediging van het bruggenhoofd Walem en ter verdediging van de spoorweg Brussel - Antwerpen, ontstond tussen 1884 en 1888 het fortje van Duffel (arrondissement Mechelen, tussen Lier en Walem).

In dezelfde periode werd ook het fort van Schoten (Legerbaan; tussen de forten 1 en Merksem) opgericht, ter verdediging van de weg naar Turnhout.

De versterking van de Polderdijken op linkeroever geschiedde in 1886. De dijk van Wilmarsdonk was reeds versterkt door het fort Sint-Philippe; de Couwensteindijk werd toen versterkt door het fortje van Oorderen (stad Antwerpen) en de Zwanendijk door het fortje van Berendrecht (stad Antwerpen). Beide werken begonnen in 1888 en werden voltooid in 1893, doch verdwenen inmiddels bij de uitbreiding van de haven.

Om de spoorweg naar Nederland te kunnen bestrijken ontstond tussen 1888 en 1897 de schans van Kapellen (Fortsteenweg).

Omwille van de nodige havenuitbreiding doorbrak men in 1900 de gordel van 1859 op twee plaatsen, wat meteen de gelegenheid was om in 1902 twee forten in de buitengordel op te bouwen, namelijk deze van Stabroek (Abtsdreef) en van Sint-Katelijne-Waver (arrondissement Mechelen). Beide waren nog onvoltooid bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Reorganisatie van het versterkte gebied (wet van 1906)

Steeds bleef het stadsbestuur van Antwerpen ijveren voor de verdere uitbreiding van de haven en de stad, en de ontwikkeling van de artillerie noodzaakte een algemene reorganisatie van de versterking.

Dit leidde tot de wet van 30 maart 1906, die voorzag in de voltooiing van de versterking en de afbraak van de gordel van 1859. De verdere organisatie van de versterking werd geregeld bij wet van 18 augustus 1907.

Deze reorganisatie zou neerkomen op het verleggen van de VEILIGHEIDSGORDEL ter hoogte van de fortenlinie 1 tot 8 van 1859; vervolledigd door de aanleg van een dubbele natte gracht met caponnières, tussen de Schelde en de grens met de inundeerbare zone.

Het zuidelijk en zuidoostelijk gedeelte zou bestaan uit de aangepaste fortenlinie van 1859 met tussenliggende gebetonneerde redoutes en een ijzeren sperhek. Na de afwerking van deze veiligheidsgordel zou dan de Brialmontvesting van 1859 worden gesloopt ten behoeve van de stadsexpansie.

Ter vervollediging van de BENEDEN-SCHELDE-VERDEDIGING zouden in Doel (provincie Oost-Vlaanderen, arrondissement Sint-Niklaas) en Zandvliet (stad Antwerpen), forten en vijf kustbatterijen geplaatst worden.

Voor de HOOFDVERDEDIGINGSLINIE op LINKEROEVER voorzag men ter hoogte van het fort Steendorp twee forten en twee nieuwe schansen; bovendien waren op de Beneden-Schelde twee nieuwe forten, Doel en Oudendijk, onderzeese mijnen en kustbatterijen gepland.

Tenslotte moest ook de HOOFDVERDEDIGINGSLINIE op RECHTEROVER, op een 9 tot 16 kilometer van de stad, worden voltooid.

Voor deze realisatie moesten gepantserde forten opgetrokken worden; met name die van Ertbrand (Kapellen), Brasschaat, 's Gravenwezel, Oelegem, Broechem, Kessel (arrondissement Mechelen, gemeente Nijlen), Koningshooikt (arrondissement Mechelen, gemeente Lier), Breendonk (arrondissement Mechelen, gemeente Puurs), Liezele (arrondissement Mechelen, gemeente Puurs), Bornem (arrondissement Mechelen, gemeente Bornem), Haasdonk (provincie Oost-Vlaanderen, arrondissement Sint-Niklaas) alsook de tussenliggende schansen van smoutakker (Stabroek, Hoogeind), Driehoek (Brasschaat), Oudaan ('s Gravenwezel, Moerstraat), Schilde (Schanslaan), Massenhoven, Tallaart, Bosbeek, Dorpveld, Letterheide, Puurs, Landsmolen en Lauwershoek.

De hoofdverdedigingslinie van Antwerpen op de rechteroever zou dan bestaan uit vijftien forten — waarvan tien nieuwe —, negen nieuwe schansen en de twee tussenfortjes, Kapellen en Duffel. De mogelijkheid tot inundatie maakte werken onnodig tussen de forten van Lier en Kessel, tussen de forten van Kessel en Broechem en tussen de forten van Walem en Breendonk.

Antwerpen werd nog steeds aanzien als het laatste toevluchtsoord voor het leger en de regering, als bevoorradingsplaats voor het leger en als basis voor het landleger.

De buitenste verdedigingslinie heeft op de rechteroever FORTEN VAN EERSTE EN TWEEDE ORDE. Een fort van eerste orde, gelegen in een aanvalszone, had meer vuurmonden, en een fort van tweede orde had minder kanonnen, doch met een grotere draagwijdte. Er is tevens een verschil wat betreft de vorm en ligging van de caponnières of bomvrije batterijen voor het flankeervuur.

Zo kan men bij de tien nieuw opgerichte forten vijf types onderscheiden, terwijl de oudere forten elk tot een ander type behoren.

Naar gelang van het aantal en de plaatsing van de caponnières zijn de omgrachte forten driehoekig of trapeziumvormig bijvoorbeeld Fort van Stabroek. Ze omvatten twee complexen van gewapend beton: het achterfront of keelfront en het voorfront, dat gericht is naar de aanvaller. Tussen de beide fronten in ligt een grote binnenkoer. Het voorfront is voorzien van een aarden borstwering, en een met aarde bedekt glacis maskeert de caponnières.

Het keelfront bevat de bomvrije lokalen met opening naar de keelzijde (Fort van Oelegem). Het fort heeft slechts één toegang langs de keelpoterne.

De schansen zijn elliptisch en omgracht, doch hebben geen glacis. De keelkazerne is bomvrij en eveneens voorzien van vensters aan de keelzijde en een centrale toegang via de poterne.

Verdere evolutie en aftakeling

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog waren de bouwwerken van de forten op Beneden-Schelde nog niet aangevat, en van de andere forten en schansen van de hoofdverdedigingslinie was enkel de ruwbouw voltooid. De bewapening, elektrische installatie en machinerie ontbraken nog volledig of gedeeltelijk, en tevens mankeerde nog de organisatie van de tussenruimten.

De veiligheidsgordel op de rechteroever was ook ver van volledig; enkel de ruwbouw van de schansen tussen de forten en de aanpassing van de forten 2 tot 7 waren voltooid. De grachten en het sperhek ontbraken nog totaal en de gordel van 1859 was sinds 1910 deels gesloopt. In 1914 werden in allerijl aanvullingen aangebracht door middel van veldfortificatie; de onvoltooide forten probeerde men af te werken door cementzakken op te stapelen.

De betonconstructies konden niet voldoende weerstand bieden aan de Duitse mortiergranaten; de Duitse artillerie kon bovendien 12 en 13 kilometer bereiken, terwijl de forten slechts beschikten over kanonnen met een draagwijdte van maximum 8,4 kilometer. Zowel op technisch als op tactisch vlak bleek de vijand superieur, en bleef een overgave niet uit. Bij de overgave dynamiteerden de Belgische troepen een aantal schansen zoals deze van Smoutakker in Stabroek.

Bevreesd voor een aanval uit westenzuidwesten, en het noorden-noordoosten en alsook langs de Schelde, hebben de Duitsers nog tal van werken uitgevoerd.

In de noord en noordoostelijke sector plaatsten ze wel 588 kazematten, bunkers en batterijen! Aan het kanaal naar Turnhout werden vanaf het fort van Schoten tot Turnhout een reeks gebetonneerde bunkers gebouwd, alsook ten zuidwesten in het arrondissement Mechelen.

De Eerste Wereldoorlog betekende het einde van de geconcentreerde versterking; de rol van de verschanste stelling Antwerpen raakte uitgeschakeld en de bouwwerken werden verwaarloosd.

Wegens het dreigende oorlogsgevaar werden in de jaren 1930 drie anti-Duitse stellingen opgericht; Antwerpen werd het uiterst linkse steunpunt in dit defensiesysteem.

De drie stellingen werden vanaf 1936 voorzien van een belangrijk ANTI-TANKSYSTEEM bestaande uit een geprefabriceerd ijzeren hek met zogenaamde Cointet-elementen.

In de stelling Antwerpen verscheen ook een ANTI-TANKGRACHT van circa 40 kilometer tussen de Schelde en het Albertkanaal, namelijk een gracht met zaagtandtracé geflankeerd door betonnen bunkers. Oorspronkelijk zou dit een droge gracht geworden zijn, die in 1937 werd aangezet tussen de schans van Schilde en het fort van 's Gravenwezel. Doch deze liep vol water en noodgedwongen herschiep men haar in een natte gracht met twee vakken. Het eerste vak vertrekt vanaf het kanaal Antwerpen-Turnhout bij Schoten langs het fort van Brasschaat, het fort van Ertbrand, de schans Smoutakker, het fort van Stabroek, het fortje van Berendrecht tot aan de Scheldedijk.

Het tweede vak loopt eveneens vanaf het kanaal Antwerpen-Turnhout langs het fort van 's Gravenwezel, de schans van Schilde en het fort van Oelegem naar het Albertkanaal bij de schans van Massenhoven. Om het niveauverschil tussen het kanaal Antwerpen - Turnhout en het Albertkanaal op te vangen werden vijftien sluizen, voorzien van een kazemat met debietregeling, opgericht en die op ongeveer 50 meter nog beveiligd werden door een kleine kazemat.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog waren de werken niet voltooid en bestond de verdediging rond Antwerpen toen uit een zeventien forten, elf redoutes, 197 bunkers langsheen de anti-tankgracht en nog 630 schuilplaatsen, deze laatste in 1917 door de Duitsers gebouwd. Dit alles werd nog aangevuld met loopgrachten, verhakkingen, versperringen en artillerie-opstellingen.

Ook bereidde men de inundatie van de polders voor, en versperden Cointet-elementen de wegdoorgangen.

De oostelijke sector werd nog versterkt door het aanpassen van forten en het plaatsen van verschansingen in de streek van Mechelen. Doch het gebied Kalmthout - Essen, ten noorden van de tankvallinie, was slechts zeer miniem verdedigd.

Na 1945 verdween bij de havenuitbreidingen de anti-tankverdediging tussen de Schelde en de rijksweg Blauwhof - Berendrecht, en vermits de evolutie van de krijgskunde de militaire bouwwerken waardeloos had gemaakt, werden ze bij Regentsbesluit van 2 april 1947 opgeheven. Bij Ministerieel Besluit van 27 september 1949 werden een aantal kazernes en de vestinggordel van 1859 overgedragen aan het Ministerie van Financiën, waarna een groot aantal werken werden ontruimd, ontmanteld en gesloopt. In 1971 werden de forten 2, 3, 5, 6, 7 en 8 en de anti-tankgracht van Oelegem tot Stabroek, overgedragen aan het Ministerie van Financiën. Op 15 juni 1977 werden de forten van 1859, met uitzondering van het als monument beschermde fort 4, eigendom van de provincie Antwerpen die ze in november van dat jaar doorverkocht aan de gemeenten. Inmiddels werden ook een groot aantal forten uit de laatst opgebouwde gordel eigendom van particulieren.


Bron: PLOMTEUX G., STEYAERT R. & WYLLEMAN L. 1985: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Antwerpen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 10n1 (A-He), Brussel - Gent.
Auteurs:  Plomteux, Greet; Steyaert, Rita; Wylleman, Linda
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: PLOMTEUX G., STEYAERT R. & WYLLEMAN L. 1985: De versterking Antwerpen [online], https://id.erfgoed.net/teksten/444694 (geraadpleegd op ).