Geografisch thema

Kortrijk

ID: 13283   URI: https://id.erfgoed.net/themas/13283

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

De deelgemeenten van Kortrijk, zijnde Aalbeke, Bellegem, Bissegem, Heule, Kooigem, Marke en Rollegem, vormen sinds 1977 samen met de stad Kortrijk de fusiegemeente Kortrijk. Kortrijk beslaat een oppervlakte van 8003 ha en heeft 74.986 inwoners (2004). De gemeente is gelegen in de provincie West-Vlaanderen, arrondissement Kortrijk.
De fusiegemeente grenst in het noorden aan Lendelede, Sint-Eloois-Winkel (Ledegem) en Kuurne, in het oosten aan Harelbeke en Zwevegem en in het westen aan Gullegem (Wevelgem), Wevelgem en Lauwe (Menen). In het zuiden vormen Spiere-Helkijn en Sint-Denijs (Zwevegem) de grens. In het zuidwesten grenst Kortrijk met Moeskroen en Luigne aan Henegouwen (Wallonië). Het grondgebied wordt doorsneden door de rijksweg N50. De aanleg van de autosnelwegen A17 en E17 en later de ring rond Kortrijk hebben het uitzicht van de fusiegemeente sterk gewijzigd en het landelijke karakter van de deelgemeenten sterk aangetast. Ook de spoorweg is een belangrijke verkeersader op het Kortrijkse grondgebied.
De Leie, in de 19de eeuw ook wel de "Golden River" genoemd, die de fusiegemeente van oost naar west doorsnijdt, is van groot economisch belang voor Kortrijk en verschillende van haar deelgemeenten.

Kortrijk en haar deelgemeenten vormen een typische vlasgemeente. Reeds vanaf de 16de eeuw wordt vlas gekweekt en voornamelijk verwerkt in de verschillende deelgemeenten. In de gemeenten Bissegem, Heule en Marke zijn nog sporen van deze in de 19de en 20ste eeuw belangrijke industrietak te vinden. De relicten bestaan hoofdzakelijk uit monumentale schuren en enkele vlasroterijen.

Verschillende deelgemeenten van Kortrijk worden gekenmerkt door een verspreide landelijke bebouwing die geconcentreerd is in de dorpskernen en gehuchten. Vanaf de Tweede Wereldoorlog is er een explosieve toename van woonwijken. De meeste gemeentes zijn de laatste decennia geëvolueerd naar typische woongemeenten voor forenzen.
Het landelijke gebied van de verschillende gemeentes wordt gekenmerkt door verspreide hoevebouw en boerenarbeidershuizen. Tot de 19de eeuw was landbouw de belangrijkste beroepsactiviteit in de deelgemeenten van Kortrijk. Onder invloed van de industrialisering in de tweede helft van de 19de eeuw neemt het hoevebestand af.
De zuidelijk gelegen deelgemeentes (Bellegem, Kooigem en Rollegem) hebben hun landelijke karakter beter bewaard. Dit in tegenstelling tot de deelgemeentes die zich rond Kortrijk situeren en die vanaf de 19de eeuw ontsloten worden door de aanleg van de spoorweg. Zo sluit Bissegem aan bij het stedelijk weefsel van Kortrijk en is daardoor de deelgemeente met het meest stedelijke karakter.

HISTORISCHE INLEIDING

Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat de regio Zuid-West-Vlaanderen reeds vroeg mensen heeft aangetrokken. De aanwezigheid van de Leie en een vruchtbare zandleembodem staan hier ongetwijfeld mee in verband. De heuvelgebieden langs de Scheldevallei herbergen talrijke sites. Tijdens archeologisch onderzoek te Kooigem werden prehistorische vondsten aangetroffen waaruit blijkt dat het Kooigembos een uitgesproken vestigingsplaats was van de mens. De oudste sporen gaan vermoedelijk terug tot het Epipaleolithicum (10.000 v.ch.-8.000 v ch.). Ook werden de overblijfselen van een typisch Keltisch oppidum, een versterkte vesting, teruggevonden. Tijdens de Gallo-Romeinse periode is de heuvel in Kooigem waarschijnlijk een Romeins marskamp. Kooigembos was zowel militair- als economisch een strategische plaats tussen de samenvloeiing van de Leie- en de Scheldevallei.

Tijdens de Gallo-Romeinse periode, - na de verovering van Gallië door Julius Caesar vanaf 57 vóór Christus-, behoort het gebied territoriaal tot de Civitas Menapiorum met als hoofdplaats Kassel (Cassel) (Frankrijk). Het gebied wordt bewoond door de gelijknamige volksstam die de streek tussen de Schelde en de Noordzee betrekt, ten noorden ongeveer tot aan de monding van de grote rivieren en ten zuiden tot aan de alluviale vlakten van Aa, Leie, Deûle en Scarpe. Vanaf de stemming van de "lex provinciae" in 22 vóór Christus wordt het Romeinse wegennet geleidelijk uitgebouwd. West-Vlaanderen wordt doorkruist door de heirwegen Boulogne-Kassel-Kortrijk-Tienen-Keulen en Reims-Bavai-Oudenburg. Daarnaast wordt de provincie ook doorsneden door het diverticulum Doornik-Kortrijk-Wijnendale-Oudenburg.
Vermoedelijk is het gebied rond Kortrijk afhankelijk van de zich daar ontwikkelde prestedelijke kern.

Tijdens de Merovingische periode (5de tot 8ste eeuw) zijn onze gewesten een relatief onontgonnen gebied. De Romeinse wegen worden niet onderhouden en de nederzettingen liggen alleen nog aan rivieren.
In de 9de eeuw ontstaat het graafschap Vlaanderen, ten gevolge van het machtsvacuüm gecreëerd door de invallen van de noormannen.

De periode van 1100 tot 1350 wordt gekenmerkt door de groei van de steden, een grootschalige uitbreiding van de cultuurgronden door ontginning, een bloeiende landbouw door de stedelijke afzetmarkten, toename van de geldcirculatie en het ontstaan van pachtsystemen. In deze expansieperiode neemt de bevolking sterk toe. Na de uitbreiding van het landbouwareaal wordt het drieslagstelsel algemeen toegepast.
De bevolkingsexplosie van de 12de eeuw valt samen met de eerste vermelding van de huidige parochienamen: Marke (1066), Rollegem (1103 of 1164), Bellegem (1111), Heule (1111), Aalbeke (1136), Bissegem (1136) en Kooigem (1138).

De deelgemeenten van Kortrijk maken deel uit van de Kasselrij Kortrijk en meer bepaald de roede van de Dertien Parochies. De belangrijkste heerlijkheden in het besproken gebied zijn: de dorpsheerlijkheid van Kooigem, de heerlijkheid te Walle, de heerlijkheid Heule in Aalbeke, de heerlijkheid Nieuwenhove, de dorpsheerlijheid van Bissegem, de dorpsheerlijkheid Heule, de heerlijkheid Bachterelst, de heerlijkheid Tollenaers, de dorpsheerlijkheid Marke, de dorpsheerlijkheid Bellegem, de heerlijkheid van Brasseye, de heerlijkheid van Mortagne en de dorpsheerlijkheid Rollegem.
Het foncier van de heerlijkheid was meestal een belangrijke hoeve of uitzonderlijk een kasteel, bijvoorbeeld te Kooigem het bij Sanderus (1641) afgebeelde kasteel dat in 1930 werd afgebroken en waarvan de mote en wal nog zichtbaar zijn in het landschap.
Het foncier bestond meestal uit een opperhof en neerhof. Op het neerhof bevond zich meestal de hoeve en op het opperhof de woning of het buitenverblijf van de heer of baljuw. Bij de heerlijkheid van Heule (Heule), verdween het kasteel reeds in de 16de eeuw maar de hoeve bleef behouden. Bij twee belangrijke hoeves te Heule bleef naast de hoeve-uitbating ook het 18de-eeuwse buitenverblijf behouden, het z.g. "hof van Plaisance".

Op kerkelijk vlak behoort de fusiegemeente gedurende de middeleeuwen tot het bisdom Doornik. De bisschoppen schenken het patronaatsrecht van de kerken in de 11de en 12de eeuw aan verschillende Franse abdijen.
In 1559 ontstaat het bisdom Brugge en worden de verschillende gemeenten bij dit bisdom ondergebracht. Het concordaat van 1801 baseert zich op de bestuurlijke indelingen: de Leie- en Scheldedepartementen worden verenigd in het bisdom Gent. Vanaf zijn heroprichting in 1834 valt het bisdom Brugge samen met de provinciegrenzen.

Op het einde van de 13de eeuw breekt in Vlaanderen een politieke en sociale strijd uit, die in 1302 zijn hoogtepunt bereikt met de Gulden Sporenslag, waarmee Kortrijk op het toneel van de algemene geschiedenis verschijnt.

Tijdens de Honderdjarige Oorlog (1339-1453) moet het graafschap Vlaanderen kiezen tussen feodale trouw aan Frankrijk en de economische banden met Engeland. Dit genereert een aantal conflicten tussen de graaf van Vlaanderen en het opstandige Gent. In 1382 lijdt Vlaanderen een zware nederlaag tegen Frankrijk. Als gevolg hiervan worden de goederen van de heren die aan de kant van Filips van Artevelde hebben gestreden verbeurd verklaard.

Als gevolg van de Honderdjarige oorlog verschuift de vlasteelt van (Noord-)Frankrijk naar de Zuidelijke Nederlanden. In de 15de eeuw ontwikkelt de nog nauwelijks gereglementeerde linnennijverheid zich in kleine entiteiten, dit in tegenstelling tot de lakennijverheid die via privileges voorbehouden is aan de oorden met stadsrecht, zoals Kortrijk. Vele kleine boeren vonden een bijverdienste in het zaaien en bewerken van vlas. In de 15de en 16de eeuw wordt het vlas reeds geroot in de Leie. Toch gebeurde dit slechts in beperkte mate omdat de Leie door haar grote visrijkdom een belangrijke rol speelt in de bevoorrading van de bevolking. Er geldt eeuwenlang een streng verbod op het roten in de rivier omwille van de nadelige gevolgen van roten voor het visbestand. Het roten gebeurde dan in afgelegen poelen of in putten. De chemische eigenschappen die het Leiewater uit de krijtgronden van zijn brongebied, Artois, met zich meebrengt, worden pas in de loop van de 18de eeuw bekend.

De tweede helft van de 16de eeuw wordt getekend door godsdiensttroebelen, belegeringen en plunderingen van geuzenbenden (1566-1578). De streek wordt ontvolkt en slechts 1/5 van de akkers wordt bewerkt.
In de eerste fase van de Tachtigjarige oorlog (1568-1648) wordt het graafschap Vlaanderen -neutraal met uitzondering van de calvinistische republieken te Brugge (1578-1584), Ieper (1578) en Gent (1578-1584)- in de tang genomen tussen de protestantsgezinde unie van Utrecht ten noorden en de Spaansgezinde (Katholieke) unie van Atrecht ten zuiden. Plunderende (soldaten)benden brengen zware schade toe aan de meeste kerken (1566), dorpen en kastelen. Ook na de overwinning van de Malcontenten (Katholieken) op de Calvinisten in Kortijk (1580) worden boerderijen door plunderende soldaten vernield. Ten tijde van de aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1621) heerst de Contrareformatie wat zich onder meer uit in het herstellen van de kerkelijke instellingen.

De Franse veroveringstochten onder Lodewijk XIV, teisteren vooral in de tweede helft van de 17de eeuw de streek. De Fransen proberen herhaaldelijk de Kortrijkse vesting in te nemen. De kasselrij Kortrijk leidt zwaar onder de negenjarige oorlog (1688-1697) en wordt omgevormd tot een waar slagveld. Door de ligging tussen de Franse linies worden verschillende deelgemeenten zwaar getroffen door de aanwezigheid van vreemde troepen. Er ontstaat een economische crisis die zal aanslepen tot de 18de eeuw. In de periode van 1692-1693 is er een grote hongersnood.
In het begin van de 18de eeuw woedt de Spaanse succesieoorlog (1701-1713). In 1713 wordt met het verdrag van Utrecht de vrede herwonnen en vangt het Oostenrijkse bewind aan (1713-1792/94). Tijdens hun bewind kent het platteland een periode van herstel en bevolkingsgroei. Dit is onder meer te danken aan de verbeterde landbouwtechnieken en de geleidelijke opgang van de aardappelteelt. De inkomsten van de landbouw worden aangevuld met de opbrengst van de huisnijverheid, voornamelijk van het spinnen en weven van lijnwaad.
De relatieve rust, welvaart en bloeiende landbouweconomie gedurende de 18de eeuw vindt thans nog zijn weerspiegeling in de hoevebouw. Talrijke boerenhuizen in de deelgemeenten van Kortrijk klimmen immers nog op tot deze periode, waarin zich een grote bouwactiviteit moet hebben voorgedaan. Veel van deze hoeves worden als dusdanig afgebeeld op de Ferrariskaart (1770-1778).
Tijdens het Oostenrijkse bewind wordt ook het wegennet verbeterd. De nieuwe "Theresiaanse" steenweg van Kortrijk naar Brugge vormt naast de Leie een belangrijke handels- en verkeersader.

Aan de feodale structuren, de traditionele bestuurlijke en gerechtelijke instellingen, komt met de Franse overheersing (1792/94-1814) definitief een einde. Er wordt plaats gemaakt voor een modern staatsbestel, de basis van de huidige administratieve en gerechtelijke organisatie van het gebied.
De verruiming van de afzetmarkt tijdens de Franse bezetting drijft de linnenproductie de hoogte in. Dit stimuleert ook de vlasnijverheid.

De eerste jaren van de Belgische onafhankelijkheid worden voornamelijk gekenmerkt door een zware plattelandscrisis door de mislukte graan- en aardappeloogsten.
Deze crisis wordt nog versterkt door de invoer van goedkoop vlas en de in de jaren 1840 toegenomen concurrentie van de reeds gemechaniseerde Engelse textielnijverheid met als gevolg een recessie van de op huisspinnen en -weven gerichte linnennijverheid. In 1845-1847 kent de crisis haar hoogtepunt met de hoge sterftecijfers en het uitwijken van de plattelandsbevolking naar de stedelijke centra in Noord-Frankrijk en Wallonië.
In kader van de armoedebestrijding worden scholen en congregaties opgericht door de geestelijkheid. In de 19de eeuw worden in verschillende gemeentes scholen met bijhorend klooster opgericht. Daarnaast worden ook weesscholen en kantscholen opgericht. De mechanisatie, die in de tweede helft van de 19de eeuw wordt ingezet, leidt tot de heropbloei van de linnennijverheid.

Op het eind van de 18de eeuw valt het rootverbod geleidelijk in onbruik en in de 19de eeuw kent de Leie als rootwater een bijzonder groot succes. Zelfs de buitenlandse vlasnijverheid maakt gebruik van het water. Door de chemisch samenstelling van het water verkrijgt men een veel witter linnen dat men bijgevolg duurder kan verkopen.
Rond 1850 is de Leiestreek een internationaal centrum van vlasindustrie. Van de fusiegemeente Kortrijk kende Bissegem de grootste vlasbedrijvigheid gevolgd door Heule en Marke. De arbeidsintensieve vlasbewerking wordt geleidelijk aan gemechaniseerd. Voor 1850 wordt het zwingelen gemechaniseerd. In 1856 wordt in Kortrijk het hekelen van vlas machinaal en met behulp van stoomkracht ingevoerd. Hierdoor wordt de productie aanzienlijk verhoogd. In 1880 telde het arrondissement 32 roterijen. Tussen de twee wereldoorlogen bereikt de vlasnijverheid in het Kortrijkse haar hoogtepunt.
Tot het verbod in 1943 wordt vlas geroot in de Leie.

Tot het einde van de 19de eeuw wordt 90% van het areaal gebruikt voor landbouw. De hoeves zijn voornamelijk gemengde bedrijven die akkerbouw en veeteelt combineren. De kleinere boeren vullen hun inkomen in de winter aan met spinnen en weven.

De aanleg van de spoorweg Kortrijk-Gent, die in 1839 geopend wordt, zorgt voor de ontsluiting van het platteland. Vanaf dan pendelen tal van arbeiders naar hun werkplaats.
Door de aanleg van verschillende spoorweglijnen worden in de nabijheid van de stopplaatsen verschillende fabrieken opgericht. Zo wordt in Marke ter hoogte van het station een pannenfabriek, een weverij en een constructiewerkhuis gebouwd. Ook in Aalbeke wordt in het begin van de 20ste eeuw een dakpannenfabriek z.g. "De Sterreberg" (1907-1908) en een tapijtweverij (1929) opgericht.

Uit historische kaarten blijkt dat de bebouwing buiten de eigenlijke dorpskernen toeneemt in de tweede helft van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog behoren de deelgemeenten samen met de stad Kortrijk tot het "Etappengebied", een door de Duitsers bezet gebied met militair bestuur. In verschillende deelgemeenten worden vliegvelden aangelegd om het IJzerfront te bestoken. In Marke worden twee vliegvelden aangelegd z.g. Jasta (Jagdstaffeln) 10 en 11. In Bissegem leggen de Duitsers in 1915 een munitiepark aan. Vanaf eind juni 1917 leidt Manfred von Richthoven vanuit zijn hoofdkwartier op het kasteel van Marke het beruchte "Flying Circus", het jachtgeschwader I, dat verspreid lag over de vliegvelden van Marke, Bissegem en Heule-Watermolen. Bij de terugtrekking van de Duitsers worden de verschillende bruggen over de Leie opgeblazen. Toch blijven Kortrijk en haar deelgemeenten relatief gespaard van oorlogsgeweld.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt vooral de stad getroffen. Maar ook Heule, Marke en Bissegem, die aansluiten bij het stedelijk gebied van Kortrijk, kennen grote verwoestingen.

Vanaf de jaren 1950-1960, dragen sociale woningbouw en private verkavelingen en de hiermee gepaard gaande stichting van een aantal nieuwe (deel)parochies bij tot de verdere uitbreiding van de deelgemeenten.

De vlascrisis van de jaren 1950-1960 en de geleidelijke achteruitgang van de andere nijverheidsteelten zoals cichorei, werken een gedeeltelijke overschakeling naar de intensieve veeteelt en de tuinbouw in de hand. Vele vlaszwingelarijen worden omgevormd tot weverijen. De reconversie zorgt samen met de intensifiëring van de veeteelt voor een beeldtransformatie van de hoeves.

Vanaf de jaren 1970 treft de economische crisis de textielsector. Tezelfdertijd worden inspanningen geleverd voor de "ontsluiting" van de streek door de aanleg van de A17 en E17 en de ring rond Kortijk en het aanleggen van nieuwe industrieterreinen onder meer op het grondgebied Heule-Kuurne (1960).
Nieuwbouwwijken sluiten verder aan bij de meeste dorpskommen; een tweede reeks van sociale woonwijken gaat dikwijls terug tot de jaren 1960-1980 en privé-verkavelingen tot de jaren 1980-2000. De meeste dorpen rond Kortrijk krijgen hierdoor een residentieel karakter en een nog steeds aangroeiende bevolkingsconcentratie.

ARCHITECTUURHISTORISCH OVERZICHT

Religieuze bouwkunst

Kerken

De dorpskerken van de deelgemeenten van Kortrijk knopen doorgaans aan bij de regionale baksteenarchitectuur. Het zijn overwegend kerken met een basilicale opstand en karakteristieke westtoren. Kerken met een oudere middeleeuwse kern worden gekenmerkt door een kruisingstoren. Als bouwmateriaal wordt meestal gekozen voor rode baksteen.

In de loop van de 7de eeuw worden Kortrijk en deelgemeenten, zoals vele Vlaamse gemeenten, gechristianiseerd. In de landelijke centra worden doorgaans houten kapellen opgericht, die in de 11de of 12de eeuw meestal vervangen worden door stenen exemplaren. Resten van deze oude kerkenbouw vindt men in de Sint-Antonius abtkerk te Rollegem. Het Romaanse koor, de kruisbeuk en de vieringstoren dateren uit de eerste helft van de 13de eeuw.

Tijdens de 16de eeuw worden de meeste parochiekerken zwaar beschadigd. Ze worden vaak vervangen door nieuwbouw of hersteld in laatgotische stijl. Veel van deze kerken zijn echter verdwenen of kwamen slechts fragmentarisch tot ons, door oorlogsgeweld, brand of bouwlust van de 19de eeuw, zoals bvb. de Sint-Eutropiuskerk te Heule die tijdens de Tweede Wereldoorlog grotendeels werd vernield en waarvan enkel de gotische westtoren behouden bleef.

De bevolkingstoename in de 19de eeuw leidt tot het oprichten van nieuwe parochies en kerken in gehuchten en afgelegen wijken. Daarnaast worden tal van bedehuizen uitgebreid of vervangen door monumentalere exemplaren, aansluitend bij de gangbare neostijlen. De voorkeur gaat uit naar de neogotische vormentaal.
Belangrijk is de neogotische Sint-Laurentiuskerk te Kooigem gebouwd in 1848 naar ontwerp van architect Dehulst.
De parochiekerken van Bissegem (1898-1899) en Marke (1900-1902) zijn ontworpen door J.B. (de) Bethune en werden postuum uitgevoerd onder leiding van zijn leerling Jules Carette.De parochiekerk van Marke is één van de laatste ontwerpen van J.B. (de) Bethune. (de) Bethune lag aan de basis van de verspreiding van de neogotiek in België en was medeoprichter van de Sint-Lucasscholen in België.
De kerk is een gaaf bewaard neogotisch ensemble, waar de decoratie en het meubilair integraal deel uitmaken van het ontwerp en zijn uitgevoerd door de beste neogotische kunstateliers uit die periode.

In de talrijke woonuitbreidingen van de jaren 1960 worden hedendaags parochiekerken opgericht die aansluiten bij de toenmalige strekkingen o.m. de Wijkkerk Mariadorp te Bissegem ingewijd in 1982 naar ontwerp van architect L. Berkein.

Ommuurde kerkhoven rond de kerk zijn in het geïnventariseerde gebied zeldzaam. Enkel Kooigem heeft nog een ommuurd kerkhof.

Kapellen

In de deelgemeenten van Kortrijk werden tal van kapellen opgetekend. De deelgemeente Bellegem vertegenwoordigd het grootste aantal weg- en veldkapellen. Vaak worden deze bedehuisjes beschaduwd door linden of andere loofbomen.
Hun huidig uitzicht dateert voornamelijk uit de 19de eeuw en zelfs 20ste eeuw, wat niet wegneemt dat ze kunnen teruggaan op oudere stichtingen. In hoofdzaak zijn het alleenstaande gebouwtjes van rode baksteen, al dan niet beschilderd, onder zadeldak.

Opvallend is het grote aantal kruisen en kapelletjes die we bij tal van landbouwuitbatingen vinden bij de erfoprit, soms zijn ze ingewerkt in één van de aanhorigheden van de hoeve. De reden en de datum van oprichting van deze kleine monumentjes is niet altijd even duidelijk. Een groot aantal wordt opgericht in de tweede helft van de 19de eeuw. Veelal zijn ze toegewijd aan O.-L-.Vrouw. De devotie tot Maria werd aangewakkerd toen paus Pius IX op 8 december 1854 het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis afkondigde. Tot op heden is de Mariadevotie nog zeer levendig in de gemeente en dit voornamelijk in de mei- en oktobermaand.
Daarnaast worden verschillende kapelletjes opgericht op privé initiatief om te bedanken voor een genezing. Verder worden ze ook opgericht om de hofstede te vrijwaren van brand, storm of ziekte van de bewoners of van hun dieren. Zo worden er verschillende kapelletjes opgericht na een epidemie van de pokziekte die verschillende hoeves teisterde in 1877. Een andere reden om tot de oprichting van een bedehuisje over te gaan is het fenomeen spoken, in dat kader valt de oprichting van de z.g. "Spookkapel" gelegen aan de toegangsdreef van het Hof van Mortagne (Bellegem) te vermelden. De kruisen of kapelletjes hebben altijd een belangrijke rol gespeeld in het volkse leven, het zijn oude en vrome getuigenissen van volksdevotie.

Eén van de oudst bewaarde kapellen uit het geïnventariseerde gebied is de Warandekapel te Heule. Een barokke kapel waarvan de oudste vermeldingen teruggaan tot de 16de eeuw. De huidige kapel werd opgetrokken in 1742 en heeft een typisch klokgevel. De beraping dateert van 1923. De z.g. "Klijtkapel" te Bissegem, heden ingewerkt in de zijgevel van een boerenhuis, dateert uit de 17de eeuw.

Bij de vroeg 19de-eeuwse wegkapellen is een zekere neoclassicistische inslag te bespeuren in de vereenvoudigde portiektraveeën die de deur omschrijven zoals onder meer in de Tontekapel te Kooigem en de kapel gelegen Aalbeeksestraat +136 te Rollegem, met typerende heiligennis in de top. Ook de z.g "Termoteskapel" in Bissegem sluit aan bij deze groep van kapellen met typische pilasters.

De neogotiek beïnvloedt vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw de vormgeving van de kapellen. Enkele fraaie voorbeelden vinden we in Bellegem met de z.g. "Perrebrouckkapel" (Grotestraat nr. 2) en de z.g. "Scherpereelskapel" (Laatste Oordje nr. 6), opgetrokken in 1894. In Marke is de z.g. "St.-Antonius van Paduakapel" (Markebekestraat nr. +52), opgetrokken in 1893 een mooi voorbeeld van een neogotische wegkapel.

In Aalbeke staat een opvallend veldkapelletje met achthoekig grondplan en een afgestompte betonnen spits (Malgrétoutstraat). Ook de z.g. "Mortagnekapel" of "Spookkapel" (Kwabrugstraat nr. 100) opgetrokken in het begin van de 19de eeuw heeft een octogonaal grondplan en wordt bekroond door een merkwaardig baldakijnvormig zinken dak.
In Marke staat een opvallende kapel gewijd aan de H. Theresia. Het bedehuisje heeft een rijkelijk uitgewerkte neorenaissancegevel opgetrokken in 1927.

In het bestudeerde gebied zijn ook een groot aantal kruisen bewaard. Eén van de belangrijkste voorbeelden zijn de z.g. pestkruisen waarvan in Marke enkele exemplaren bewaard bleven.
In Rollegem staan twee belangrijke 18de-eeuwse houten kruisbeelden (Lampestraat nr. +20 en Munkendoornstraat nr. 22). Vermeldenswaardig is teven het gietijzeren kruis, opgericht als afweermiddel tegen onweer, z.g. "Sissens Jaegers kruis", "Kruis van 't Laatste Oordje" of "Hagelkruis", gelegen te Bellegem op het kruispunt van de Perykelstraat en de Klijthofstraat.

Kloosters

In Marke wordt in het tweede kwart van de 13de eeuw door Johanna van Constantinopel een Cisterciënzerklooster opgetrokken met kloostergebouwen, een abdijhoeve, een abdijmolen en een ruime boomgaard met moestuin "Beata Maria de Marke" of "Onze-Lieve-Vrouw te Spieghele" genaamd. Al heel vroeg in haar bestaan wordt de abdij om veiligheidsredenen overgebracht naar de Groeningevlakte nabij Kortrijk. Het oude klooster wordt heringericht als hoeve het z.g. "Goed te Rodenburg". Heden wordt het landbouwareaal volledig ingenomen door een residentiële woonwijk en blijft enkel de schuur behouden die thans is ingericht als wijkkapel.

In de meeste dorpscentra worden in de loop van de 19de eeuw kloosterzusters aangetrokken om onderwijs te verstrekken en/of de zorg van zieken en bejaarden op zich te nemen. Aan die katholieke scholen wordt een kloosterhuis verbonden voor de zusters. In vele gevallen wordt een bestaand gebouw betrokken en uitgebreid of aangepast volgens de noden die zich aandienen. Door recente moderniserings- en vernieuwingswerken bleven echter weinig relevante gebouwen bewaard. Te vermelden zijn het Klooster van de Zusters van Liefde te Heule opgericht in 1838 en met deels behouden 19de-eeuws gebouwenbestand waaronder de kapel. Ook het klooster te Marke behield een deel van haar oorspronkelijk neogotische gebouwenbestand.
Het gaafst bewaarde voorbeeld vinden we in Bissegem (Driekerkenstraat). Het neogotische klooster wordt gebouwd in 1901 naar ontwerp van de Kortrijkse architect Jules Carette. Te Kooigem bleef het kloosterhuis behouden.

Burgerlijke architectuur

Openbare gebouwen

Vanaf omstreeks het midden van de 19de eeuw vindt met de bouw van een gemeentehuis in de Vlaamse gemeente- en dorpskernen de introductie plaats van een nieuw gebouwentype met een officieel karakter. In de deelgemeenten van Kortrijk is slechts één voorbeeld gekend van een gebouw dat expliciet als gemeentehuis werd opgetrokken namelijk het voormalige gemeentehuis van Heule opgetrokken in 1879 (Heuleplaats 7).
In de andere deelgemeenten blijven de burgemeester en schepenen vergaderen in een zaaltje horende bij een café. In het begin van de 20ste eeuw wordt veelal een landhuis aangekocht dat ingericht wordt als gemeentehuis, dit gebeurde te Heule en Marke, waar de twee "kasteeltjes" van plaatselijke prominenten worden ingericht als gemeentehuis.

In het geïnventariseerde gebied bleef enkel te Rollegem de gemeenteschool van 1898 behouden. In de andere gemeentes verdwenen deze typische 19de-eeuwse schoolgebouwen of werden ze verbouwd.

Pastorieën

Wanneer in het ancien régime een pastoor benoemd werd op een bepaalde parochie, was hij verplicht ter plaatste te resideren. Deze residentieplicht werd tot in de 18de eeuw weinig of niet nagekomen. Daarom werd die plicht tijdens het concilie van Trente (1563) sterk geaccentueerd.
Ondanks de plicht was de situatie in de 18de eeuw nog steeds niet verbeterd. De belangrijkste reden om niet op de beneficie te resideren is het ontbreken van een pastorie. De seculiere wet van 25 september 1769 getekend door Maria Theresia van Oostenrijk verplichtte de tiendenheffers om in te staan voor de huisvesting en het onderhoud van de woning van de dorpspastoor. Voor het eerst wordt een religieuze reglementering ter zake door de wereldlijke overheid in vorm gegoten. Deze wetgeving verklaart het grote aantal nieuwe of verbouwde pastorieën in het laatste kwart van de 18de eeuw. Tegen het eind van de 18de eeuw hadden de meeste parochies hun eigen pastoraal huis.

In de deelgemeenten van Kortrijk staan enkele uitzonderlijke voorbeelden van 18de-eeuwse pastorieën. De oudste staat te Rollegem en wordt opgetrokken in 1748. De pastorie wordt uitgebreid in het begin van de 19de eeuw en blijft in gebruik tot 1963, waarna ze ingericht wordt als gemeentehuis. Het gebouw is een zeldzaam voorbeeld van een pastorie opgetrokken voor het uitvaardigen van de seculiere wet. Ook Kooigem bezit voor 1769 een pastorie. Maar de huidige pastorie wordt opgetrokken ca. 1791. De pastorie sluit evenals deze van Rollegem, aan bij de traditionele typologie van een 18de-eeuwse doorsnee-dorpswoning van één bouwlaag.
In Bellegem staat een fraai voorbeeld van een laat 18de-eeuwse pastorie. In tegenstelling tot de twee voorgaande voorbeelden heeft deze pastorie twee bouwlagen wat eerder zeldzaam is voor Zuid-West-Vlaanderen. Uitzonderlijk zijn de behouden bisschopskamer en de deels bewaarde omwalling.

Na het concordaat van 1801 worden de parochiekerken en pastorieën in eigendom overgedragen aan de gemeentebesturen en daarmee ook de materiële zorg voor deze gebouwen. In de meeste gemeenten wordt in de loop van de 19de eeuw de oude pastorie verbouwd of wordt een nieuwe pastorie opgetrokken. Ook wordt vaak een burgerwoning aangekocht om dienst te doen als pastorie zoals bijvoorbeeld te Bellegem en te Kooigem.

Op het einde van de 19de eeuw en in het begin van de 20ste eeuw worden tal van pastorieën opgetrokken in neogotische stijl onder invloed van de Sint-Lucasscholen.
In verschillende deelgemeenten staan enkele fraaie voorbeelden van neogotische pastorieën naar ontwerp van de Kortrijkse architect Jules Carette. Hij was leerling-epigoon van Jean-Baptiste (de) Bethune en later de "huisarchitect" van de familie. In Heule (Pastoriestraat nr. 1) is de pastorie (1891) één van de eerste ontwerpen van de architect. Het ontwerp is opgetrokken in een "zuivere" neogotische stijl, aansluitende bij de Brugse baksteengotiek uit de late middeleeuwen. Ook de pastorieën van Bissegem (1899), (Driekerkenstraat nr. 2) en van Marke (1904-1905), (Marktstraat nr. 9) zijn fraaie voorbeelden van typische neogotische pastorie-architectuur. De vrij gaaf bewaarde onderpastorie van Marke (1905), (Markekerkstraat nr. 6) werd vermoedelijk ontworpen door J.B.(de) Bethune maar onder leiding van Jules Carette gebouwd.

Kastelen en buitenplaatsen

In de deelgemeenten van Kortrijk zijn de kastelen in de middeleeuwse zin van een feodale burcht verdwenen. In Kooigem lag eertijds een belangrijke burchtsite alsook te Heule. Bij beide herinnert enkel nog het opperhof en de omwalling aan de eens zo belangrijke burcht. Aan het versterkte herenverblijf was meestal een landbouwuitbating verbonden. Deze bleef behouden in Heule.

In de 18de eeuw, wanneer in West-Vlaanderen een relatieve welvaart heerst, bouwen de adel en de burgerij buittenverblijven of z.g. "huizen van plaisancie". Het bouwen van een lusthof is een complex gegeven dat het resultaat is van politieke, sociale, economische en culturele factoren. Verschillende factoren bepalen de ligging van de buitenplaats, maar de belangrijkste is toch de 'gezonde lucht'. Daaraan gekoppeld moet het lusthof ook gelegen zijn in een mooi landschap en moet het makkelijk bereikbaar zijn.
De 18de-eeuwse buitenverblijven waren aanvankelijk eenvoudige gebouwen gelegen op een rechthoekige omwalde site. Het huis bevindt zich op een mote. Tal van buitenhuizen bevinden zich in de nabijheid van een landbouwbedrijf dat de eigenaar verpachtte. De opbrengsten worden meestal gebruikt voor het onderhoud van de buitenplaats. Heel wat oude lusthoven worden door de toenemende welvaart op het eind van de 18de eeuw en het begin van de 19de eeuw verbouwd of afgebroken en vervangen door luxueuzere buitenplaatsen.
In Heule staan twee gaaf bewaarde 18de-eeuwse buitenplaatsen gelegen bij een historische hoeve. Bij beide sites bleef de historische opstelling en de omwalling behouden. De woningen zijn gelegen in de Oude Iepersestraat nr. 145 en de Wittestraat nr. 2.

Vanaf de 19de eeuw bouwen ook de rijke burgerij en de gefortuneerde industriëlen landhuizen en buitenplaatsen. Soms liggen ze in de buurt van of nemen ze de plaats in van een historische hoeve of site, waarnaar hun naam letterlijk verwijst of er een allusie op maakt.
Het kasteel van Marke (Kasteeldreef nr. 10) wordt als zomerverblijf opgetrokken tussen 1802 en 1807 in opdracht van een lijnwaadhandelaar. Het landhuis is een uitzonderlijk voorbeeld van de toepassing van de directoirestijl in West-Vlaanderen. Het ontwerp wordt duidelijk beïnvloed door de Italiaanse architect en theoreticus A. Palladio. Het omringende Engelse landschapspark wordt gekenmerkt door de vijvers, bruggetjes, ijskelder en unieke ommuurde moestuin met cirkelvormig grondplan. Bij het kasteel hoort ook een historische hoeve.
Tal van 19de-eeuwse "kasteeltjes" worden opgetrokken in een eclectische bouwstijl. Fraaie voorbeelden vinden we in Aalbeke met het z.g. "Kasteel Allart" (Moeskroensesteenweg 95) in oorsprong opgetrokken als buitenhuis voor een rijke industrieel en later aangekocht door de familie Allart. Bij dit imposante eclectische landhuis hoort een uitzonderlijk Engels landschapspark aangelegd ca. 1911.
In Heule (Heulsekasteelstraat nr. 1) ligt het eclectische "kasteel" van de familie Lagae. Vanaf 1964 huisvest het gebouw het gemeentehuis. Ook bij dit kasteel hoort een landschapstuin.
In 1900 bouwt de familie (de) Bethune te Marke een tweede kasteel, z.g. "Blommegem" (Van Belleghemdreef nr. 6). De naam verwijst naar de gelijknamige verdwenen heerlijkheid.
Dit kasteel is een fraai voorbeeld van neogotische architectuur en heeft een deels behouden interieuraankleding.
In Rollegem (Schepenhuisstraat 53-61) staat een landhuis, opgetrokken door de industrieel Clarysse als "maison de campagne". Het buitenverblijf combineert neoclassicistische en neobarokke elementen verrijkt met neogotische elementen die dateren uit een latere fase.

Privé-architectuur

Van de oudste bebouwing in de dorpskernen zijn weinig afleesbare voorbeelden bewaard. De oudste zichtbare bebouwing gaat terug tot de 18de eeuw. In Kooigem staat een fraaie burgerwoning (Kooigemplaats nr. 15) van 1789 die qua stijl aansluit bij de gangbare Franse archtectuurstijlen. De typische bepleisterde en witgeschilderde gevel wordt bekroond door een fronton.

In de gemeentekernen gaat de doorsneebebouwing veelal terug tot de periode van economische heropbloei van de streek tijdens de tweede helft van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw. Naast een paar sobere rijhuizen komen ook dubbelhuizen, in het verlengde van het laat- en ontluikende neoclassicisme, voor. De plattegrond van deze rijwoningen blijft meestal traditioneel en knoopt aan bij het enkelhuistype met zij-ingang, enfilade van vertrekken en soms aansluitende veranda en dienstvertrekken.
Het ruimere dubbelhuistype heeft een centrale inkomhal waarop de verschillende vertrekken aansluiten. In beide gevallen kunnen de plaats en het type van de trap variëren, in rijkere interieurs kan die monumentale vormen aannemen.
Herenhuizen van enige omvang beschikken meestal in de zij- of middentravee over een koetsdoorgang.
Representatieve voorbeelden vinden we in elke deelgemeente, zoals de woning te Kooigem (Molentjesstraat nr. 8-10) met gaaf bewaarde interieuraankleding. Ook de voormalige notariswoonst te Aalbeke (Moeskroensestenweg nr. 58) met 18de-eeuwse kern getuigt van de in de 19de eeuw neoclassisictische tendens. In Heule staat in de Zeger van Heulestraat nr. 33, een beeldbepalende woning met bepleisterde en beschilderde gevel.

Vanaf het eind van de 19de eeuw komen de neostijlen, zoals de neo-Vlaamse-renaissance en neogotiek, in zwang. Het zijn vooral dorpsnotabelen als notarissen, brouwers en andere welvarende handelaars of industriëlen die vanaf dan stijlbewuster gaan bouwen. De neogotiek wordt op grotere schaal en vaak in vereenvoudigde vorm toegepast. Representatieve voorbeelden van neogotische architectuur vinden we in de Zeger van Heulestraat nr. 40 te Heule en de Gullegemsesteenweg nr. 73 te Bissegem.
Voorbeelden van neo-Vlaamse-renaissancestijl zijn de dokterswoonst in de Driekerkenstraat nr. 18 en de notabelenwoonst gelegen Meensesteenweg nr. 301 te Bissegem.
De eclectische geveluitwerking blijft populair tot in het begin van de 20ste eeuw.

Interbellumarchitectuur aanknopend bij de art deco en de nieuwe zakelijkheid is vrij beperkt in het geïnventariseerde gebied. Voorbeelden vinden we voornamelijk in die gemeentes die door de aanleg van de spoorweg en de nabijheid van Kortrijk een meer stedelijke ontwikkeling hebben gehad zijnde Bissegem, Heule en Marke. Een vermeldenswaardig voorbeeld is het woningcomplex van 1935 gelegen Meensesteenweg nr. 110-118 te Bissegem naar ontwerp van de Kortrijkse architect J.R. Van Hoenacker.

De villabouw uit de eerste helft van de 20ste eeuw is niet talrijk vertegenwoordigd. In Bellegem (Walleweg nr. 13) staat een fraai voorbeeld van een villa van 1925 in cottagestijl. Ook in Aalbeke aan de Moeskroensesteenweg nr. 97 staat een gaaf bewaarde art-decovilla van 1920 vermoedelijk naar ontwerp de Gentse architect G. Merlé.

In de deelgemeenten van Kortrijk bleef een relatief groot aantal arbeidershuizen behouden. Resterende kleine woningen van één bouwlaag hebben vaak een 19de-eeuwse kern maar blijven moeilijk te dateren omwille van de latere aanpassingen van het gevelparement en eventueel muuropeningen. In Heule, in het eeuwenoude gehucht Watermolen (Izegemsestraat/Heirweg), staat een beeldbepalende groep 19de-eeuwse arbeidershuizen. Door de opkomende industrialisering in het begin van de 20ste eeuw wordt een groot aantal arbeidershuizen opgetrokken bijvoorbeeld in de Koffiestraat te Heule. Ook in de Heulsestraat te Bissegem staan een gaaf ensemble van arbeidershuizen.

In Marke speelt de familie (de) Bethune een belangrijke rol in het sociale en culturele leven van de gemeente. Rond de eeuwwisseling laten zij onder meer in de Markekerkstraat verschillende eenvoudige woningen optrekken die aanknopen bij de neogotische tradities. De meeste woningen worden vermoedelijk ontworpen door J.B. (de) Bethune maar de uitvoering gebeurt door Jules Carette. Ook de twee fraaie tweewoonsten in de Hektor Casteleinstraat worden opgetrokken in opdracht van Barones de Bethune

Hoevebouw

Door het landelijke karakter van het geïnventariseerde gebied werden een groot aantal hoeves gerepertorieerd.

Over het hele gebied bestaat nog een hoge concentratie van kleine en grote hoeves van verschillende oorsprong en omvang en uit onderscheiden bouwperiodes. Hoewel de historische hoeves vaak vermeld worden vanaf de 14de-15de eeuw gaan de zichtbare materiële resten maar terug tot de 18de eeuw. In de verschillende deelgemeenten bleven voorbeelden van vroeg 18de-eeuwse en vroeg 19de-eeuwse hoevebouw bewaard.
De wisselende wijzen van bedrijfsvoering, nieuwe functionele behoeften en de opvattingen inzake wooncomfort hebben binnen de hoevebouw uiteraard steeds tot wijzigingen en vernieuwing van gebouwen geleid. Een 18de-eeuws of 19de-eeuws hoevecomplex dat in al zijn onderdelen teruggaat tot eenzelfde bouwperiode komt dan ook zelden voor. Een jaartal op een (huis)gevel kan vanzelfsprekend niet als bouwjaar voor het hele hoevecomplex gelden, vooral niet als het om een 18de-eeuws jaartal gaat. Bedrijfsgebouwen zijn namelijk dikwijls in de 19de eeuw vervangen of toegevoegd.

Het meest voorkomende hoevetype is dit met losstaande bestanddelen van één bouwlaag onder zadeldaken. De gebouwen zijn doorgaans opgetrokken uit baksteen die soms is gewit of gecementeerd. Meestal zijn de gebouwen in U-vorm gegroepeerd op het erf met het boerenhuis nagenoeg altijd ten noorden, een oude opstelling die samen met de omwalling opvalt op de historische kaarten als onder meer deze van Ferrraris (1770-1778) of de Atlas der Buurtwegen (1843).
Daarnaast vinden we in het zuiden van de fusiegemeenten ook een groot aantal hoeves met gesloten opstelling. Op basis van historisch cartografisch materiaal kan men stellen dat deze geëvolueerd zijn uit het type met losse bestanddelen.
Typische elementen zoals bakstenen stoepen en bakstenen of betonnen hondenhokken zijn zeldzaam geworden. Ook een moestuin en resten van boomgaarden behoren soms nog tot de onmiddellijke omgeving van de hoeven. De omgrachtingen van belangrijke hoeves -aangeduid op historisch kaartmateriaal- zijn in een aantal gevallen slechts deels bewaard.

De oudste boerenhuizen (17de-18de-eeuw) worden gekenmerkt door zijpuntgevels met aandaken en vlechtingen. Vensters zijn vrijwel overal vervangen geweest en originele houten kozijnen en roedeverdeling komen haast niet meer voor.
Vaak worden de bakstenen lijstgevels afgelijnd door een dito geprofileerde lijst of in de 19de en vroege 20ste eeuw door een muizentandfries.
De boerenhuizen uit de tweede helft van de 19de eeuw en uit het begin van de 20ste eeuw hebben meestal een onbehandelde bakstenen voorgevel.
De bedrijfsgebouwen bestonden uit een schuur, stalvleugel, wagenhuis al dan niet geïntegreerd in de stalvleugel of schuur, en een bakhuisje. In het geïnventariseerde gebied is het heersende schuurtype de, al dan niet, dubbele dwarsschuur waarin soms een aardappelkelder. Bijzonder interessant zijn de 18de-eeuwse schuur van de historische hoeve z.g. "ter Scueren" (Doornikserijksweg nr. 364), deels opgetrokken in Doornikse steen (Kooigem), de schuur van het z.g. "Goed te Tollardrie" (Geitenbergstraat nr. 1) gedateerd 1773 (Kooigem) en de monumentale driedubbele dwarsschuur van het z.g. "Goed te Brassye" (Grotestraat nr. 4) te Bellegem.

Alleenstaande wagenhuizen zijn eerder zeldzaam in het gebied. Een voorbeeld vinden we in Marke bij de hoeve z.g. "Goed te Coucx" (Marionetten nr. 12). In sommige gevallen worden ze net als de voederkeuken geïncorporeerd in de stalvleugel.
De 19de-eeuwse en vroeg 20ste-eeuwse stallen zijn meestal overwelfd door middel van smalle bakstenen troggewelven op gietijzeren I-profielen. Stalvleugels zijn meestal lager dan de schuur en hebben veelal een overstekende dakrand rustend op modillons of daklijstbalken, als bescherming tegen de regen.
Typerend voor de oude stalinrichting zijn de natuurstenen voederbakken en slieten (monolithische tussenschotten) tegen de langsgevel. Overdekte mestvaalten zijn zeldzaam. Een fraai voorbeeld vinden we in Marke, op het z.g. "Goed te Marke" (Van Belleghemdreef nr. 27).

Traditioneel beschikte elke hoeve over een bakoven (ovenbuur) om voor eigen verbruik brood te bakken. Meestal is het een apart bouwsel op het erf. Tweeledige bakhuizen met twee zadeldakjes, waarvan een lager en kleiner boven de oven, komen het meest voor. In het geïnventariseerd gebied zijn de bakhuisje echter zeldzaam geworden. Een interessant voorbeeld vindt men in Rollegem (Marksestraat nr. 7). Ook zijn er verschillende voorbeelden gekend van bakhuisjes die geïncorporeerd zijn in één van de nutsgebouwen o.m. bij de historische hoeve z.g. "Ter Houppie" (Oude Iepersestraat nr. 143) te Heule bevindt het gaaf bewaarde bakhuisje zich in de stalvleugel. In het z.g. "Goed ten Nieuwenhove" (Kapelhoekstraat nr. 70) te Aalbeke, maakt het bakhuisje deel uit van de paardenstallen.

Typische teeltgebonden bestanddelen zoals de cichoreiast zijn buiten werking gesteld. In een overgangsperiode zijn sommige asten, naar de bouwnaden te oordelen, een verhoogd onderdeel van een bestaand dienstgebouw. De oudste cichoreiasten dateren uit de tweede helft van de 19de eeuw en tellen twee bouwlagen onder zadeldak. De asten gebouwd tussen 1920 en 1945 zijn hoger opgetrokken en voorzien van een plat dak. De historische hoeve z.g. "Heerlijkheid van Heule" (Zeger van Heulestraat nr. 53-55) bezit nog een fraai voorbeeld van een cichoreiast met behouden inboedel. Eveneens in Heule hoort bij de hoeve z.g. " 't Zomerland" (Beieaardstraat nr. 10) een monumentale ast van 1938, die in werking bleef tot 1978.

De belangrijkste hoeves, kasteelhoeves of foncieren van een heerlijkheid, hebben een omwalling (cf. cartografisch materiaal), die dikwijls maar deels behouden bleef of zelfs verdwenen is. Voorbeelden zijn de z.g. "Heerlijkheid van Heule" in Heule (Zeger van Heulestraat nr. 53-55), het z.g. "Goed te Marke" (Van Belleghemdreef nr. 27) en het z.g. "Goed te Tollenaers" (Preshoekstraat nr. 180) te Marke, het z.g. "Hof van Rollegem" (Rollegemplaats nr. 5) in Rollegem, het z.g. "Hof van Bissegem" (Hendrik Dewildestraat nr. 66) in Bissegem, het z.g. "Goed te Brasseye" (Grotestraat nr. 4) te Bellegem en het z.g. "Goed ten Nieuwenhove" (Kapelhoekstraat nr. 70) en de z.g. "Heerlijkheid van Heule" (Lauwestraat nr. 152) in Aalbeke.

Naast hoeves vindt men in het landelijke deel van de dorpen ook tal van boerenarbeidershuizen. Vaak gaat het om langgestrekte gevels van één bouwlaag, meestal met geïncorporeerde stalvleugel. Velen zijn de laatste decennia verdwenen of sterk verbouwd. Toch bleven enkele exemplaren bewaard. Een mooi voorbeeld vinden we in Aalbeke aan de Preisbergstraat nr. 11. Het gaat om een einde 19de-eeuwse of begin 20ste-eeuwse woning die gekenmerkt wordt door een zeldzaam geworden rieten dak.

Pre-industrieel en industrieel erfgoed

Het pré-industriële erfgoed in de regio was vooral landbouwgebonden. In het geïnventariseerde gebied stonden voorheen talrijke windmolens, voornamelijk graan- en oliemolens. Tal van molens verdwenen in de 19de eeuw of werden verwoest tijdens de Eerste Wereldoorlog. Drie molens bleven behouden: de vlaszwingelmolen z.g. "Preetjesmolen" te Heule, de z.g. "Hoogmolen" van 1753 te Aalbeke en de recentere molen z.g. "Vannestes molen" (1841) te Marke.

Elke gemeente telde één of meerdere brouwerijen waarvan de brouwerswoning meestal behouden bleef. Tal van huisbrouwerijen zijn tot in de 19de eeuw meestal verbonden aan een herberg of landbouwbedrijf. In Heule bleef in de Zeger van Heulestraat de woning van de brouwerij Lagae behouden en in Kooigem was de brouwerij verbonden aan een landbouwuitbating.
In Bellegem is de brouwerij Facon, gelegen in het centrum van de gemeente, een fraai voorbeeld van brouwerswoning met achtergelegen brouwerij, gesticht in 1874 en nog steeds uitgebaat door leden van de familie Facon. Een tweede brouwerij te Bellegem is de in 1875 gestichte voormalige brouwerij "Brasserie O. Vanderghinste", heden brouwerij Bockor.

De opkomst van de mechanisatie in de loop van de tweede helft van de 19de eeuw heeft geleid tot de oprichting van een aantal fabrieken en de bouw van een groot aantal arbeidershuizen. In het bestudeerde gebied valt op dat enkel de dorpen met een station, zijnde Bissegem, Heule, Marke en Aalbeke, een industriële ontwikkeling kennen.
In de omgeving van de stations worden verschillende fabrieken opgericht. Belangrijk voor de streek zijn de oprichting van de pannenfabrieken in Aalbeke en Marke. De drie fabrieken produceerden vlak voor de Eerste Wereldoorlog ca. 50.000.000 pannen en telden ca. 400 werknemers. In het interbellum stonden de pannenfabrieken van Kortrijk aan de top van mechanisatie. Heden is enkel de fabriek in Aalbeke z.g. "Sterreberg" nog in gebruik.

Vanaf de 15de eeuw wordt in de kasselrij Kortrijk vlas geteelt en bewerkt. Het gezaaide vlas was voornamelijk voor eigen consumptie. Tot het begin van de 19de eeuw geldt er een streng verbod op het roten in de Leie.
Vanaf 1805 neemt het roten in de Leie sterk toe. Langs de Leie ontstaan uitgebreide rootgebieden, roterijen en droogmeersen. De boeren te Bissegem verhuren hun land langs de Leie aan mensen die van heinde en ver komen. De zogeheten Leieboeren moesten de veeteelt beperken omwille van de langdurige bezetting van hun lage meersen langs de Leie. Vele boeren schakelen dan ook over op de roterijbedrijvigheid, de vlasteelt en vlashandel. De vlashandel bengt welvaart naar de gemeenten die langs de Leie liggen.
Ca. 1850 ontwikkelt de Leiestreek zich als internationaal centrum voor de productie van vlas. Vanaf 1860 treedt de mechanisering en de industrialisering van de vlasbewerking in, wat leidt tot het oprichten van grootschalige vlasfabrieken. In 1863 wordt in Bissegem de eerste stoommachine geplaatst om een vlaszwingelarij aan te drijven. In Heule worden tal van vlazwingelmolens opgericht, heden is de z.g. "Preetjesmolen" van 1867 hier nog een voorbeeld van. Na de Eerste Wereldoorlog verplaatst het centrum van het Leieroten zich definitief naar de Leiegemeenten ten noorden van Kortrijk (Desselgem, Kuurne,...). Het Leieroten sterft langzaam uit, tot het in 1943 definitief verboden wordt. In de verschillende gemeentes worden nu betonnen rootputten aangelegd. De elektriciteitsaandrijving zorgt voor de volledige mechanisering van het roten, brakelen en zwingelen. Bissegem is de belangrijkste vlasgemeente van de fusiegemeente Kortrijk. Ook in Heule, Marke en de anderen deelgemeenten speelt de vlasindustrie een belangrijke rol in de economische ontwikkeling. De vernoemde gmeentes worden gekenmerkt door het grote aantal vlasschuren met typerend muurnisje en vaak bestaande uit drie parallelle bakstenen beuken. Daarnaast vinden we nog enkele vlasroterijen en -zwingelarijen die zeldzame en stille getuigen vormen van het rijke vlasverleden van de streek. Zo verdween in Heule tijdens de inventarisperiode in de Izegemsestraat de roterij en andere vlasverwerkingsgebonden gebouwen van 1927. In de Roeselarestraat te Heule staan nog resten van een voormalige vlasroterij.

De systematische aanleg van een spoorwegnet in België vanaf 1835 leidt tot de ontsluiting en industriële ontwikkeling van heel wat landelijke gemeentes. De "staatsspoorlijn" Gent-Kortrijk werd in 1839 geopend. In 1842 wordt de lijn Kortrijk-Moeskroen met stopplaatsen in Aalbeke vanaf 1857 en in Marke vanaf 1896, aangelgd. Beide stationsgebouwen zijn heden verdwenen. In 1845 wordt de 'S.A. des Chemins de fer de la Flandre occidentale' opgericht. In 1847 openden zij de lijn Kortrijk-Brugge met stopplaats in Heule. Het eenvoudige bakstenen stationsgebouw bleef behouden.
De spoorweglijn Kortrijk-Wervik, met stopplaats te Bissegem wordt ingereden in 1853. Het huidige stationsgebouw dateert van 1924 en is een typisch voorbeeld van een klein station van het wederopbouwtype.


Bron     : WVL5
Auteurs :  Agentschap Onroerend Erfgoed


Relaties