Fruitteelt in Haspengouw

thema

Locatie

Provincie Limburg

Administratieve gegevens

Links

Beknopte karakterisering

Beschrijving

Geschiedenis van de fruitteelt

De fruitteelt werd al door de Romeinen in onze contreien geïntroduceerd, maar stuikte in elkaar na het aflopen van hun heerschappij. In de middeleeuwen werd deze kennis weer opgepikt door geestelijken, vooral de cisterciënzerabdijen, die de teelt en verspreiding van goede fruitrassen weer op gang brachten. In de loop van de 14de eeuw trad de fruitteeltkunst ook buiten de muren van de abdijen en verspreidde zich langzaam over het platteland, waar boeren steeds vaker een kleine boomgaard aanlegden nabij hun erf (Royen 2001). In de 16de en 17de eeuw vonden, binnen adellijke en geestelijke kringen, belangrijke vernieuwingen plaats in de fruitteelt, vooral op het vlak van veredeling (enten) en snoeitechnieken. Onder invloed van Jean de la Quintiniye, hovenier van Versailles onder Lodewijk XIV, werd het snoeien van fruitbomen tot een kunst verheven. Hij knipte en leidde perenbomen in uiteenlopende leivormen, wat, naast een hogere esthetische appreciatie, leidde tot hogere opbrengsten (Royen 2001). Deze technieken werden na de Franse Revolutie in het 18de-19de-eeuwse Frankrijk verder verfijnd, tot de zogenaamde ‘taille raisonnée’, waarbij de leivormen logischer en efficiënter werden opgebouwd en de snoei zodanig beredeneerd werd dat de opbrengst en kwaliteit van het fruit sterk verbeterden. De principes van deze beredeneerde snoei werden later ook in België overgenomen en aangepast aan het frissere klimaat dat hier heerste (Kuitert & Freriks 1994). Toch bleef de productiefunctie van de fruittuin ondergeschikt aan de esthetische en prestigieuze eigenschappen van bijzondere fruitvariëteiten en leivormen.

Ook in onze streken legden de adel, geestelijken en de hoge burgerij ommuurde of omhaagde fruittuinen aan waarin ze veel aandacht en tijd besteedden aan het kweken van bijzondere fruitrassen (vooral peren). De priester Nicolas de Hardenpont (1705-1774) en Jean-Baptiste Van Mons (1765-1842) stonden aan de wieg van de Belgische pomologie die wereldwijd bekend werd en waarbij een groot aantal nieuwe fruitrassen (vooral perenvariëteiten) het levenslicht zagen (Kuitert & Freriks 1994).

In dezelfde periode (17de-18de eeuw) namen de verschillende toepassingen voor fruitverwerking en het aantal boomgaarden op het platteland toe. Ook hier was fruitproductie geen prioriteit. Vele boomgaarden waren in eerste instantie bedoeld als schaduwrijke weides voor het vee. Hoogstambomen, waarbij het fruit buiten het bereik van het vee bleef, was immers perfect combineerbaar met veeteelt. De fruitteelt was ondergeschikt aan de veeteelt en de boomgaarden werden dus niet intensief onderhouden (fruitweides). Het fruit was vooral bedoeld voor eigen consumptie. Traditioneel kwamen hier dan ook veel verschillende soorten en variëteiten voor, met verschillende rijpingsmomenten en toepassingsmogelijkheden. Overschotten werden verkocht op de lokale markt als aanvulling op het landbouwersinkomen (Royen 2001; Caimu 2013).

Commerciële fruitteelt in Haspengouw

De commerciële fruitteelt deed pas vanaf de tweede helft van de 19de eeuw zijn intrede in ons land. Deze ontstond door de vraag vanuit Engelse industriële centra zoals London en Hull en de mogelijkheid die het nieuwe Belgische spoorwegennet bood voor de export. Vanaf 1847, na het eerste Belgische landbouwcongres, werden door de Belgische overheid maatregelen genomen om, met het oog op deze export, het areaal aan hoogstamboomgaarden te vergroten. Tuinbouwscholen werden opgericht en publicaties werden verspreid onder de bevolking. Al deze inspanningen ten spijt, komt de kennis meestal niet bij de gewone landbouwers terecht en is er in eerste instantie dus weinig impact, al neemt het areaal hoogstamboomgaarden in Haspengouw tussen 1846 en 1896 wel licht toe.

In die eerste periode bestonden de boomgaarden nog steeds uit een grote variatie aan fruitsoorten en –variëteiten en was het onderhoud aan de bomen nog minimaal. Het duurde nog tot het einde van de 19de eeuw voor de commerciële fruitteelt in Haspengouw echt op gang kwam. De aanleg van het treinspoor Drieslinter – Tongeren in 1878-1879, het zogenaamde Fruitspoor, speelde een grote rol in die commercialisering van de fruitteelt. Ook de invoer van goedkoop Amerikaans graan vanaf 1880, met een landbouwcrisis als gevolg, zorgde ervoor dat veel grondbezitters op zoek gingen naar een neveninkomen uit andere teelten. Vooral in streken waar de graanteelt dominant was, zoals ook hier het geval was, schakelden veel landbouwers om van akkerteelt naar veeteelt, gecombineerd met fruitteelt, wat, o.a. omwille van protectionistische maatregelen, meer winstgevend was. Vanaf 1895 tot circa 1930 nam het aantal hoogstamboomgaarden sterk toe en werd het Haspengouw een echte fruitstreek. In deze periode werd ook de (academische) kennis rond fruitteelt en snoeibeheer op het platteland toegankelijk gemaakt door middel van (vaak gratis) voordrachten en lessenreeksen in de regio zelf, die veel bijval kenden. De boomgaarden rond de kernen van dorpen en steden groeiden aan tot een heuse gordel met weideboomgaarden. Deze boomgaarden bevonden zich niet noodzakelijk vlak bij een hoevenerf en waren gemiddeld groter in oppervlakte. De weideboomgaarden kenden een dubbele economische functie: naast het traditionele gebruik als graasweide voor het vee, nog steeds de hoofdfunctie, schonk de boer nu ook meer aandacht aan de fruitproductie. De verkoop van het geplukte fruit bezorgde de landbouwers immers een extra inkomen. Kunstmeststoffen vonden hun ingang en verhoogden, samen met meer aandacht voor een gepast snoeibeheer, de productiviteit. (Caimo 2013; Royen 2001).

Na de Eerste Wereldoorlog begon men te experimenteren met uniformere boomgaarden met een beperkt aantal soorten die in grote aantallen werden aangeplant. Zo gingen boeren appelen met peren combineren of kersen met pruimen en perziken. Monocultuur was nog een stap te ver: nog steeds stonden verschillende variëteiten door elkaar. De hoofdvariëteiten, gekozen omwille van hun verkoopswaarde, werden gecombineerd met een aantal andere rassen die noodzakelijk waren om een goede kruisbestuiving te realiseren (Dufour 1949). Door onderzoek en keuringssessies bleek welke rassen het best verkochten waardoor boeren aan deze variëteiten een voorkeur begonnen te geven (Caimo 2013). De combinatie van fruitteelt en veeteelt weerspiegelde zich in de inrichting van de weideboomgaard. De hoogstambomen vertakten voldoende hoog, om buiten het bereik van het vee te blijven en de boomgaard werd traditioneel omringd door een meidoornhaag die diende als veekering. Daarnaast werd de plantafstand tussen de bomen ruim genomen om genoeg grasgroei onder en tussen de bomen toe te laten. Deze ruimte vergemakkelijkte bovendien de verzorging van de fruitbomen (Van Laer 2015). Om ook de fruitopbrengst te maximaliseren werd de boomgaard langs de westzijde beschermd tegen hevige regens en winden, die veelal uit deze richting te verwachten waren door bv. een haag, houtkant of populierenrij. Deze populieren werden regelmatig getopt om vooral de stamgroei te stimuleren en kruipende wortelgroei, die mogelijk kon concurreren met de fruitbomen, te vermijden. De fruitbomen werden bij voorkeur ingeplant op een licht naar het zuiden afhellend terrein in noord-zuidgeoriënteerde rijen. Over het algemeen bevonden de perenbomen zich langs de buitenzijde en in het westen van de boomgaard en werden de gevoeligere appelbomen en steenfruit meer centraal of naar het (zuid)oosten toe geplant zodat ze beter beschermd waren.

De fruitbomen werden traditioneel gesnoeid om de opbrengst te maximaliseren en het plukken te vergemakkelijken. Het doel van de snoei was om meer lucht, licht en zon in de bomen te brengen. Enerzijds kon hierdoor het fruit optimaal rijpen en anderzijds droogden de bomen makkelijker na regen zodat ze minder vatbaar waren voor schimmelinfecties. Hiervoor vond tijdens de jonge jaren vormsnoei plaats. Appelbomen werden traditioneel in een vaasvorm gesnoeid. De centrale stam of harttak van de boom werd gestopt in de jonge jaren en een aantal stevige takken goed verdeeld rondom de stam (gesteltaken) werden behouden en op gelijke hoogte gesnoeid. Zo ontstond een ‘raamwerk’ van takken die zich radiaal vanaf de stam ontwikkelden en kregen de bomen een ‘vaasvorm’, met meer open centrum zodat het fruit meer zonlicht kreeg. Peren werden in een piramidale vorm gesnoeid. Rondom de centrale tak werden meerdere kransen gevormd van 4 à 5 gesteltakken. Tussen de verschillende kransen zat ca. 1 m afstand om ook hier weer voldoende zonlicht toe te laten. Indien nodig werden takken afgebonden om in een juiste hoek te groeien. Die hoek is immers mee bepalend voor de uiteindelijke opbrengst. Op dit raamwerk, dat werd beschouwd als de permanente structuur van de boom, ontwikkelden zich laterale takken die regelmatig gesnoeid werden, het fruithout. Hout van maximaal 5 à 6 jaar gaf immers de beste fruitkwaliteit (Lever s.d.; Dufour 1949; S.A. s.d.).

De toenemende consumenteneisen van de (buitenlandse) markt werkte de professionalisering van de fruitteelt verder in de hand. Experimenten met laagstam kwamen vanaf circa 1930 in zwang en vonden na gunstige resultaten ook meer en meer ingang bij de landbouwers. Dit type boomgaard, met monocultuur, bracht sneller en meer vruchten op en vergemakkelijkte de snoei- en plukbeurten (Ceunen 2011; Caimo 2013). De overgang van hoogstam naar laagstam gebeurde in eerste instantie geleidelijk door boomgaarden aan te planten volgens het systeem van ‘blijvers en wijkers’. Hierbij plantte men tussen de rijen hoogstambomen rijen geënt op een zwakkere onderstam die kleiner bleven en sneller vrucht gaven. Na 20 à 30 jaar, wanneer de hoogstambomen productiever waren en de laagstammen overschaduwden, moesten deze wijken (Dufour 1949; Bosschaerts 2007). Pas na de Tweede Wereldoorlog schakelden de fruitboeren massaal over naar laagstamboomgaarden. De overheid reikte toen immers premies uit voor het rooien van hoogstamboomgaarden waardoor de hoogstamboomgaarden in sneltempo uit het landschap verdwenen. Op enkele jaren tijd daalde hun oppervlakte met circa 90% (Ceunen 2011; Caimo 2013).

  • BOSSCHAERTS J. 2007: Fruitteelt en kunstmest, Tijdschrift voor Industriële cultuur 2007-4, 20-29, Gent;
  • CEUNEN N. 2011: Het landschap vertelt... Sporen van twee eeuwen wonen en werken in het Haspengouwse landschap (1800-2011), Leuven.
  • CAIMO K. 2013: De Belgische fruitteelt [online], geraadpleegd op http://www.hetvirtueleland.be/cag/exhibits/show/fruitteelt.
  • DUFOUR F. 1949: Volledig handboek over fruitteelt, vierde uitgave, Vilvoorde.
  • LEVER B. s.d.: Restoring Fruit Trees [online], geraadpleegd op http://www.ancienttreeforum.co.uk.
  • ROYEN L. 2001: Fruitteelt en hoogstamboomgaarden in Zuid-Limburg, M&L 20/1, 30-51, Brussel.
  • S.A. s.d.: Cursus hoogstamboomgaarden, Ontstaan – evolutie – aanleg – onderhoud – snoei, cursus van Inverde en de Nationale Boomgaardenstichting voor eigenaars en beheerders van hoogstamboomgaarden.
  • S.A. 2014: Hoogstamboomgaarden in Haspengouw vroeger en nu; brochure van de Nationale Boomgaardenstichting vzw, Vliermaal.
  • VAN LAER P. 2015: Historische hoogstamboomgaarden in het kader van de geschiedenis van de fruitteelt en de evolutie van het landschap, onuitgegeven nota.

Bron: -

Auteurs: Kinnaer, Anse

Datum tekst: 2016

Voorbeelden

Boomgaard met veekeringshaag
Notelaarboomgaard met gevlochten meidoornhaag
Hoogstamboomgaard op helling
Hoogstamboomgaard
Haspengouw van Borgloon tot Vechmaal

U kunt deze pagina citeren als:

Agentschap Onroerend Erfgoed 2017: Fruitteelt in Haspengouw [online], https://id.erfgoed.net/themas/133 (geraadpleegd op ).
Logo Onroerend Erfgoed

Deze site is een realisatie van Onroerend Erfgoed, een agentschap van de Vlaamse Overheid dat onroerend erfgoed in Vlaanderen inventariseert, onderzoekt, beschermt, beheert en de ontsluiting ervan stimuleert.