Van oudsher bewoond gebied (tumuli en Romeinse heirbaan); vermelding van een "villa" in de 8ste eeuw, afhankelijk van Saint-Germain te Parijs, in de 9de eeuw; gunstig gelegen stadskern langs de Gete en later langs de handelsweg Brugge-Keulen.
Agglomeratie oorspronkelijk gevestigd op de kleine natuurlijke heuvel waarop de Sint-Germanuskerk opgericht werd; opeenvolgende uitbreidingen in verband te brengen met de groei van de lakenweverij (8ste eeuw en volgende) in de richting van Onze-Lieve-Vrouw ten Poel en in deze van het begijnhof, tijdens de late middeleeuwen.
Omheining opgericht in de laatste jaren van de 12de eeuw, nadat het erfleen Tienen in het bezit gekomen was van de hertogen van Brabant. Omwalling op gevoelige wijze verruimd circa 1300 (bloeiperiode); nadien verkleind tijdens de 16de eeuw (opbouw onder leiding van meester Alexien en J. du Quesnoi, 1537), naar aanleiding van de ondergang van de textielnijverheid, de minder goede bevaarbaarheid van de rivier in de 15de eeuw, en herhaalde verwoestingen omtrent het jaar 1500.
Opnieuw gevestigde orde en relatieve welvaart tijdens de eerste helft van de 17de eeuw; meer stabiele economische wederopbloei na de militaire troebelen van einde 17de eeuw en na een paar grote rampen (overstromingen en brand). Bloeiperiode gemarkeerd door grote bouwactiviteit tijdens de tweede helft van de 18de eeuw (zie plattegrond).
Heden is Tienen een stad van middelmatig belang, die zich ten dele uitgebreid heeft langs de grote toegangswegen.
Suikerindustrie (1836 en volgende).
Bron: GENICOT L.F., VAN AERSCHOT S., DE CROMBRUGGHE A., SANSEN H. & VANHOVE J. 1971: Inventaris van het cultuurbezit in Vlaanderen, Architectuur, Provincie Brabant, Arrondissement Leuven, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 1, Luik.
Auteurs: Genicot, Luc; Van Aerschot, Suzanne; de Crombrugghe, Anne; Sansen, Hadewych; Vanhove, Jacqueline
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)