Inhoudelijk thema

Sociale huisvesting in het kader van krotopruiming (1925-1975)

ID: 137   URI: https://id.erfgoed.net/themas/137

Beschrijving

Interbellum

Wakker geschud door enkele woningonderzoeken van onder andere journalist Edouard Ducpétiaux (1843-1846) ontdekt de overheid midden 19de eeuw het probleem van de krotwoningen in de steden. Ze wordt hierin gemotiveerd door een burgerlijk eigenbelang: slechte woonomstandigheden leiden tot besmettelijke epidemieën, sociale onrust, onzedelijkheid (wat nefast is voor de openbare veiligheid en de werkmoraal) en hogere gezondheidskosten voor de overheid. Bovendien groeit tijdens de tweede helft van de 19de eeuw de wens om de binnenstad te verfraaien (embellissement) om zo rijke (belastingbetalende) inwoners aan te trekken. De onteigeningswetten van 1 juli 1858 en 15 november 1867 bieden de instrumenten om dergelijke stadssanering uit te voeren. De overheid is er zich bewust van dat dit ten koste gaat van de arbeidershuisvesting maar gaat nooit zo ver om de bouw van vervangende huisvesting te eisen. Deze 19de-eeuwse krotopruimingen zijn met andere woorden niet gericht op het verbeteren van de levensomstandigheden van de krotbewoners maar wel op het saneren van de binnenstad.

Ook de eerste overheidsinitiatieven voor een betere huisvesting van de arbeidersklassen gaan grotendeels voorbij aan het probleem van de krotbewoners. De eerste Wet op de Huisvesting van 1889 is gericht op eigendomsverwerving door de beter betaalde arbeiders, de Wet van 1919 voorziet de oprichting van een Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen en Woonvertrekken (NMGWW) maar deze focust zich in de eerste jaren van haar bestaan op brede lagen van de bevolking, wat zich vertaalt in tuinwijken. Pas vanaf 1926-1927 worden de sterk verminderde financiële middelen van de publieke huisvestingssector gefocust op krotopruiming en de bouw van bescheiden rijwoningen voor arbeiders. Vooral van socialistische zijde wordt er op aangedrongen om een deel van het budget van de NMGWW te reserveren voor krotopruiming en de bouw van vervangingswoningen. In 1927 voorziet men hiervoor een kwart, in 1928-1930 een derde.

Deze koerswijziging heeft niet enkel te maken met de economische crisis maar ook met de kritiek dat de tuinwijken het doelpubliek niet bereiken, en door het feit dat de krottenproblematiek zich scherper dan ooit stelt. Door de snelle stijging van de bevolking tijdens het eerste kwart van de 20ste eeuw en de vernieling van meer dan 100.000 woningen tijdens de Eerste Wereldoorlog blijft de woningnood immers toenemen. In 1927 telt men ruim 100.000 krotwoningen, eind jaren dertig wordt het woningtekort geschat op 156.000: 16.000 te vervangen noodwoningen, 50.000 te slopen krotwoningen en 90.000 overbevolkte woningen. Onder een krot verstaat men een slecht verlichte en verluchte woning met een gebrek aan ruimte (bijvoorbeeld geen aparte slaapkamer voor de kinderen) en zonder elementaire voorzieningen zoals water, riolering, verwarming en verlichting. Daarnaast zijn er echter ook heel wat woningen die op zich goed zijn maar overbevolkt.

Het in deze periode sterk opkomende middenveld besteedt eveneens aandacht aan de krottenproblematiek. In 1927 sticht de Bond voor Kroostrijke Gezinnen samen met de NMGWW de Anti-Krotten Liga, waar ook heel wat andere organisaties zich bij aansluiten. Zij klagen aan dat de Wet van 1919 slechts sporadisch tot krotopruiming en vervangende woningbouw heeft geleid, en dat de door de lokale huisvestingsmaatschappijen gerealiseerde appartementen in de steden te duur zijn voor de minst vermogenden en ongeschikt voor de ‘asocialen’. Onder impuls van deze vereniging wordt in 1931 de eerste Wet op de Krotopruiming afgekondigd die specifiek ingaat op die aspecten die de aanpak van het probleem tot dan toe gehinderd hebben, zoals de dure onteigening van krotwoningen (onteigeningstoelagen) en de ongeschiktheid van de volkswoningbouw voor voormalige krottenbewoners. De wet verplicht ook sociale huisvestingsmaatschappijen om vervangwoningen te voorzien vooraleer woningen onbewoonbaar kunnen worden verklaard. Door de economische crisis blijven de resultaten van deze wet aanvankelijk beperkt. Pas midden jaren dertig komt deze campagne echt op gang, onder andere door samenwerking met de Bond en andere organisaties. Uiteindelijk zal de NMGWW tijdens het interbellum een kleine 7.000 ongezonde woningen slopen of verbeteren en ongeveer 8.500 vervangingswoningen bouwen, een relatief beperkt resultaat. Zo verdwijnen in Gent tussen 1919 en 1940 slechts 70 van de 478 beluiken.

Vanuit architecturale (modernistische) middens wordt de tuinwijk in de tweede helft van de jaren twintig (onder andere op de CIAM-congressen van Frankfurt en Brussel in 1929 en 1930) eveneens verlaten voor de theorie van het Existenzminimum: minimale woningen met aandacht voor comfort en hygiëne, in combinatie met ruime gemeenschapsvoorzieningen. Dit concept vindt zijn oorsprong precies in de krotbestrijding maar de modernisten zien de reikwijdte ervan veel ruimer, voor de gemeenschap in haar geheel. De toepassing hiervan blijft echter uiterst beperkt voor de Tweede Wereldoorlog.

In de praktijk worden vooral in een aantal centrumsteden vanaf eind jaren twintig sociale huisvestingsprojecten gerealiseerd in het kader van krotopruiming. In Gent wordt in 1930 zelfs een huisvestingsmaatschappij opgericht die als specifieke opdracht heeft om krottenwoningen in de stad en omliggende gemeenten te bestrijden: De Gezonde Werkmanswoning. Deze was echter maar een tiental jaar actief en haar activiteiten bleven vrij beperkt. Haar belangrijkste realisatie is de oprichting van een appartementencomplex in het stadscentrum, op de plaats van een voormalig beluik (De Zavelpoort).

In Leuven zet het stadsbestuur, in samenwerking met de lokale bouwmaatschappijen en de Commissie voor Openbare Onderstand (C.O.O.) vanaf 1929-1930 in op krotopruiming en vervangingswoningen. Voorbeeld hiervan zijn de Adolphe Bastinwijk, de Sint-Servatiuswijk en de wijk aan de Kaboutermansstraat. Deze wijken worden getypeerd door een teruggrijpen naar negentiende-eeuwse types voor arbeiderswijken met hogere dichtheid, zoals gangen (stegen) of orthogonale stratenpatronen. Daarnaast doet ook het appartementsgebouw omwille van economische overwegingen zijn intrede, bijvoorbeeld aan de Kapucijnenvoer.

In kleinere steden zijn er eveneens kleinschalige voorbeelden van krotopruimingen. Zo wordt in Aalst eind jaren dertig een rij sociale woningen opgetrokken aan de Slotstraat, ter vervanging van een beluik.

Na de Tweede Wereldoorlog

Na de Tweede Wereldoorlog wordt het krottenprobleem tijdelijk naar de achtergrond verdrongen door de algemene woningproblematiek maar vanaf eind jaren 40 groeit de aandacht geleidelijk weer. Op internationaal vlak wordt huisvesting expliciet vermeld in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948). En zowel in 1954 als in 1956 wordt het Internationaal congres van de Internationale Federatie voor Stedebouw en Woningwezen gewijd aan krotopruiming en herhuisvesting.

In België blijkt uit de volkstelling van 1947 dat 67% van de woningen dateert van voor 1918 en in slechte staat is. De Hoge Raad voor de Volkshuisvesting en Volkswoningen bij het Ministerie van Volksgezondheid wordt opgericht (1947), evenals het Nationaal Instituut tot Bevordering van de Huisvesting (1949). In 1949 starten ook de provincies met premies voor de financiering van woningbouw (en in West-Vlaanderen worden deze specifiek voorbehouden voor bewoners van krotten en ongezonde woningen).

Op wetgevend vlak wordt eerst aandacht besteed aan het stimuleren van de private woningbouw door de Wet De Taeye (1948) en van sociale woonwijken door de Wet Brunfaut (1949). Het krottenprobleem komt in deze wetten maar zijdelings aan bod. De strijd tegen de krotwoningen komt pas echt op gang door het rapport van Abbé Froidure uit 1951 (De ondergesalarieerden – de krotten – de moreel verwaarloosde kinderen) en vooral door de aandacht die koning Boudewijn hieraan besteedt (met een sterk gemediatiseerd bezoek aan de Marollen). Er volgt een nationale campagne, een tentoonstelling in het Paleis voor Schone kunsten en 7 december 1953 de Wet op de krottenopruiming (ook de tweede Wet De Taeye genoemd). Een aantal steden nemen het voortouw in deze strijd tegen de krotten zoals Gent (dat in de zomer van 1957 de nationale week van de krottenbestrijding organiseert), Leuven en Mechelen.

Deze hernieuwde belangstelling voor het krottenprobleem volgt nog grotendeels de 19de-eeuwse deterministische visie die een oorzakelijk verband legt tussen deze krotten en het vermeende asociale karakter van de bewoners. Hieraan wordt echter een modern optimisme gekoppeld dat stelt dat een verandering van woonomgeving deze ‘asocialen’ kan normaliseren. De hieruit volgend aanpak omvat enerzijds de afbraak van de krotten en anderzijds het voorzien van vervangende huisvesting. Dat tweede blijkt (nog steeds) allesbehalve evident. Men tracht dit wetenschappelijk op te lossen door het categoriseren van de krotbewoners (enerzijds de ‘verbeterbaren’ die eventueel eigenaar of huurder kunnen worden, anderzijds de hopeloze ‘asocialen’ waarvan men gelooft dat die langzaam zullen verdwijnen). Dat de vervangende huisvesting (minimumwoningen in de buitenwijken) in vele gevallen een ontworteling van de bewoners impliceert, wordt niet gezien als een nadeel, integendeel. Men beschouwt het als een voorwaarde voor sociale verbetering. Daarenboven kiest men er vaak bewust voor om de oorspronkelijke gemeenschappen van krotbewoners op te splitsen en te vermengen met ‘normale’ bewoners wat hun heropvoeding zou bevorderen (onder andere door imitatiegedrag).

Praktisch voorzag de wet van 1953 verschillende financiële stimuli voor de bouw van woningen voor voormalige krotbewoners. Ook de NMGWW stelde hiervoor voordelige kredieten ter beschikking. Harde garanties voor de bouw van vervangende huisvesting bood de wet echter niet en ook de verplichting tot herhuisvesting van de oorspronkelijke bewoners van de krotten verviel waardoor het evenwicht tussen sloop van krotten en herhuisvesting enigszins verloren ging. De wet werd hierdoor in de praktijk vooral een middel tot stadssanering, eerder dan het verbeteren van de woonomstandigheden van de krotbewoners. In vele gevallen werden de nieuw gebouwde woningen toegewezen aan reeds bestaande huurders van de sociale huisvestingsmaatschappijen en kregen de voormalige krotbewoners de bestaande sociale woningen.

Meestal zijn de vrijgekomen terreinen gering van omvang en worden kleinschalige woningbouwblokken gerealiseerd met weinig mogelijkheden voor groenaanleg, en beperkte collectieve voorzieningen. Typisch zijn vrijstaande blokken van beperkte omvang met gevels in geprefabriceerde betonpanelen, of woonblokken op inspringende rooilijnen die licht, lucht en ruimte creëren in het stadsweefsel, zoals aan het Centrumplein te Ledeberg. Sommige complexen, zoals die aan de Lange Lozanastraat of de Ballaarstraat te Antwerpen, integreren zich in het straatbeeld en benutten het binnenbouwblok voor het “nieuwe moderne wonen”. Een architecturaal eerder uitzonderlijk voorbeeld is de naar Le Corbusier's Unité d'Habitation gemodelleerde brutalistische hoogbouw Olympia in de Verpleegsterstraat te Gent. Latere realisaties binnen het model van de stadssanering zijn vaak weinig kwalitatief en beperken zich tot een doorgedreven standaardproductie. Daarnaast worden in het kader van krotopruiming ook vervangingswoningen opgericht aan de rand van de stad, zoals de appartementencomplexen aan de Wielewaalstraat en de Nimfenstraat te Gent, respectievelijk uit 1955 en 1961. In het geval van het appartementencomplex aan de Wielewaalstraat wordt het modernistische principe van het Existenzminimum toegepast.

In de jaren zestig nemen de saneringen toe in aantal en schaal maar krotopruiming blijft het zwakke broertje van het huisvestingsbeleid (in vergelijking met de resultaten van de Wet De Taeye en de Wet Brunfaut). Toch zorgt krotopruiming soms voor een ingrijpende transformatie van het stadslandschap in de vorm van moderne hoogbouwwijken, zoals de Groenebriel te Gent en Sint-Maartensdal in Leuven. Anderzijds groeit door dergelijke radicale projecten geleidelijk het besef dat de afgebroken volkswijken toch bepaalde kwaliteiten hebben (zoals de continu bebouwde straat als drager van het samenleven in de wijk, en de flexibele functionaliteit van de gebouwde omgeving), wat de deur openzet voor een meer behoedzame stadsvernieuwing met aandacht voor participatie, oorspronkelijke bewoners en herwaardering van het wijkweefsel. Deze omslag van stadssanering naar stadsvernieuwing wordt mooi geïllustreerd door de ontwerpgeschiedenis van de Antwerpse wijk rond het Vleeshuis van de architecten Roger Groothaert en Lambert Hagelstein (1974-1978).


Bron     : VAN HERCK K., VANDEWEGHE E., VERHELST J. 2016: Goed wonen voor iedereen: een rijke geschiedenis. Onderzoek naar de erfgoedwaarden van het sociale woningbouwpatrimonium in Vlaanderen, Onderzoeksrapport Onroerend Erfgoed 52, Brussel.
Auteurs :  Van Herck, Karina, Vandeweghe, Evert
Datum  : 2016