Geografisch thema

Lier

ID: 13739   URI: https://id.erfgoed.net/themas/13739

Beschrijving

Stad van 27.293 inwoners (31.12.1989) en 3294 hectare, gelegen middenin het Netedal, aan de samenvloeiing van de beide Neten, op ongeveer gelijke afstand van Antwerpen en Mechelen. Radio-concentrische middeleeuwse stadskern, doorkruist door de Kleine Nete, ten zuidoosten begrensd door de Grote Nete en ten noordwesten door de afleidingsvaart. Rondom de kern sterk bebouwde zone begrensd door de Ring en het Netekanaal. Omringend nagenoeg vlak landbouwgebied.

Hoofdplaats van het gelijknamig gerechtelijk en kieskanton. Belangrijke verzorgende functie in het vlak van onderwijs en de medische sector. Aantrekkingspool door de uitgebreide traditionele kleinhandel en een wekelijkse markt. Druk bezocht toeristisch centrum, voornamelijk ééndagstoerisme met als blikvangers Sint-Gummaruskerk, Zimmertoren, begijnhof en het "pittoreske" kunsthistorische patrimonium. Met uitzondering van enkele bedrijven aan het Netekanaal en een industriezone ten noordwesten, nagenoeg geen nijverheid.

Vrij onduidelijke wordingsgeschiedenis. Muntvondsten (onder meer in de Paul Krugerstraat) wijzen op menselijke aanwezigheid in de Romeinse en Gallo-Romeinse periode. Eerste vermelding van Lier in 870 als "Ledi" (waterweg), duidelijk verwijzend naar de gunstige geografische ligging aan de twee Neten.

Volgens sommige literatuurbronnen moet de oudste kern, die mogelijk opklimt tot de Frankische periode, gezocht worden rond de Vismarkt (hogere Nete-oever), met als natuurlijke begrenzing de Kleine Nete en de Vredebergvliet. Andere historici koppelen het ontstaan aan de Sint-Gummaruslegende. Gummarus, een veldheer en grootgrondbezitter uit de eerste helft van de 8ste eeuw zou een bidplaats gesticht hebben op de plaats zogenaamd "Nivesdonck", ter plaatse van de huidige Sint-Pieterskapel. Na zijn dood werd hij er begraven en ontwikkelde zich een bedevaartplaats die uitgroeide tot woonkern.

Ongeacht de verschillende theorieën droeg de Gummarusverering flink bij tot de groei en de bloei van de stad in de 11de-12de eeuw en gaf aanleiding tot de uitbouw van een bevolkingskern op de linkeroever met een eigen parochiekerk toegewijd aan Sint-Jan-Baptist.

Titel van "oppidum" toegekend in 1194; door hertog Hendrik I van Brabant tot stad verheven in 1212. Het Lierse grondgebied werd vastgesteld in 1213 en bestond uit de eigenlijke stad, de kuip (ringvormige zone rond de stad) en de Bijvang, een vrij uitgestrekt gebied, bestaande uit de dorpen Kessel, Nijlen, Emblem en Bevel (zelfstandige dorpen vanaf 1795) en de gehuchten Hagenbroek, Lachenen en de Mijl.

In 1244 werd gestart met het graven van een omwalling rond de eigenlijke stad met de Grote Markt als centrum: van aan de Sint-Jansbrug, langs de Volmolenstraat, de Gasthuisvest achter de Kluizestraat, via de De Heydersstraat, de Predikherenlaan tot de Abtsherbergestraat en zo door de Fabrieksbeemden naar de Waterpoortstraat, de Kartuizer- en Kapucijnenvest. Verbinding van laatstgenoemde met de Sint-Jansbrug dateert pas van 1317.

Het begijnhof werd opgericht buiten de wallen en de eerste liefdadigheidsinstellingen ontstonden: het Onze-Lieve-Vrouwe-gasthuis (circa 1130, nabij Pettendonk, vanaf 1236 in de Berlaarsestraat), de Heilige Geesttafel (1261, Heilige Geeststraat) en het Sint-Antoniusgodshuis (ontstaan in 1292, uitgebreid in 1380 in de Berlaarsestraat). De abdij van Nazareth werd gesticht in 1235 (omgeving Anderstad).

Vanaf de 13de eeuw en vooral in de loop van de 14de eeuw vond een sterke economische expansie plaats ten gevolge van de bloei van de lakennijverheid. Privilegie tot het houden van een eigen lakenmarkt toegekend in 1368. Het recht tot het houden van een eigen veemarkt (verworven in 1309) betekende eveneens een belangrijke bron van inkomsten. Enorme weerslag op de interne bloei van de stad: oprichting van een lakenhal (1367) en belfort (1369); bouw van de Sint-Gummarustoren (1378) en de Sint-Jacobskapel met godshuis (1383). Bouw van de zogenaamde "binnenpoorten", versterkte poorten op de kruispunten van de waterlopen en wegen van de toenmalige omwalling (onder meer Eikelpoort in 1375).

Oprichting van stadstorens als versterking van de omwalling (onder meer Corneliustoren op het Zimmerplein). Bevolkingstoename ingevolge de materiële welstand: in 1383 aankoop door de stad van het zogenaamde "Strypensveld" nabij de huidige Kluizekerk en dus buiten de toenmalige stadsomwalling; aanleg van een nieuwe wijk op deze plaats. In 1389: vaststelling van de nieuwe stadsomtrek en aanleg definitieve stadsomwalling (huidige stadswandeling), waardoor het begijnhof binnen de omwalling kwam te liggen.

Zogenaamd "buitenpoorten" (behorend tot de buitenste omwalling) opgericht in 1389-1415. Voornaamste straten gekasseid (Grote Markt in 1383), kaden gemetst en bruggen versteend (onder meer Sint-Jansbrug in 1420 en Hoogbrug in 1435). Verbeteringswerken aan de beide Neten omwille van de bevaarbaarheid en het overstromingsgevaar: rechten van de loop en bouw van sluizen (onder meer Groot Spui, 1508-1516). Bouw Vleeshuis (Grote Markt) in 1418.

Na de stadsbranden van onder meer 1485, 1518 en 1527 werden premies uitgeloofd voor het bekleden van de huizen met schalies of tichelen (zie stadsrekeningen); strodaken verdwenen geleidelijk. Om natuurlijke energiebronnen als wind en water te benutten voor onder meer het malen van graan en het vollen van textiel werden meerdere molens opgericht: de oudste vermelding betreffende molens te Lier gaat over de molen van Lisp, sedert 1260 in handen van de abdij van Nazareth.

Door de religieuze bloei, vestiging van nieuwe kloosterorden: zwartzusters (1407, Kloosterstraat?), cellebroeders (1460, Bril) en Sionsklooster (1469, Koepoortstraat); bouw van refugiehuizen en ontstaan van nieuwe liefdadigheidsinstellingen (onder meer Sint-Barbaragodshuis in de Begijnhofstraat, 1473).

In de 15de eeuw was Lier uitgegroeid tot een omwalde stad met een typisch radio-concentrisch stratenpatroon en de Grote Markt als knooppunt van de voornaamste wegen, die via de versterkte poorten de stadskern straalsgewijs verbonden met het platteland en steden als Antwerpen, Mechelen, Aarschot.

Het verval van de lakennijverheid vanaf 1475 (tijdelijke wederopbloei circa 1490) en de rampzalige jaren in verband met de godsdiensttroebelen (tweede helft 16de eeuw) veroorzaakten een status quo in de stadsontwikkeling.

Herstel van kerkelijke macht onder Albrecht en Isabella (1598-1621). Onder hun bescherming verschenen nieuwe kloosterorden in de stad: de predikheren in de Lisperstraat (1611), de jezuïeten in de Berlaarsestraat (1615), de kapucijnen op de Kapucijnenvest (1620), de zusters van Vredeberg in de Vredebergstraat (1610) en de Engelse theresianen in de Blokstraat (1648). Andere kloosters werden vergroot (zwartzusters) of vernieuwd (Nazareth). Kerken werden hersteld (Kluizekerk) of verrijkt met meesterwerken (Sint-Gummarus). Bouw van de Begijnhofkerk (1663-1681). Als nieuwe liefdadigheidsinstelling dient het Sint-Joachim en Annagodshuis te worden vermeld (Kluizestraat, 1598).

Economische heropleving in de 17de eeuw door de nieuwe expansie van de veemarkt en de ontwikkeling van de brouwnijverheid, voornamelijk in de tweede helft van de 17de eeuw, met een eigen Liers bier zogenaamd "Caves". Ruim 25 brouwerijen waren verspreid over de stad. Oprichting Brouwershuis in 1717 (Grote Markt).

Nieuwe periode van rust en relatieve bloei onder het Oostenrijkse bewind (1713-1792). Tengevolge hiervan werden andermaal belangrijke openbare werken uitgevoerd: oprichting van openbare pompen; vernieuwing bruggen (onder meer Kluizebrug en Sint-Jansbrug). Verbeteringswerken aan land- en waterwegen (kasseien van de Antwerpsesteenweg in 1713). Hoogtepunt vormde evenwel de bouw van een grotendeels nieuw stadhuis in 1740-1745 naar ontwerp van architect J.P. Van Baurscheit. Omwille van bouwvalligheid werden enkele binnenpoorten gesloopt (Lisperpoort in 1777 en Mechelsepoort in 1783). In het kader van de ontmantelingspolitiek van Jozef II (edict van 1782) werden de bolwerken tussen Antwerpse- en Lisperpoort afgebroken. Door het edict op de kerkhoven (1784) verdween de begraafplaats binnen de stad (Kardinaal Mercierplein); een nieuwe begraafplaats buiten de muren werd in gebruik genomen in 1787 (zie Mechelsesteenweg).

Lier kreeg bovendien een vroeg-industrieel karakter door het ontstaan van grote textielmanufacturen waarvan de fabriek van De Heyder (1757) de belangrijkste was. De katoenfabriek van P.J. De Heyder vond aanvankelijk een onderkomen in het "Hof van Santhoven" (Vismarkt) en bezat te Lier drie grote afdelingen: een spinnerij, een katoendrukkerij en een linnenweverij. Grote leegstaande panden werden hiervoor ingepalmd. Zo werd in 1807 het voormalige Sionsklooster voor uitbreiding aangekocht; vermoedelijk vormde dit de aanzet tot het ontstaan van een latere arbeiderswijk op die plaats. De blekerij bevond zich in de Sionsbeemden, tussen de Kleine Nete, de huidige Predikherenlaan en de stadsvest. Circa 1815 was het bedrijf uitgegroeid tot de grootste industriële onderneming van de provincie Antwerpen.

Na de woelige annexatie van de Zuidelijke Nederlanden door de Fransen (1792, 1794), werd het land ingedeeld in departementen: Lier behoorde tot het departement der beide Neten, met Antwerpen als hoofdplaats. Talrijke kerken werden gesloten of verkocht als nationaal goed. Kloosterorden werden opgeheven. Hun goederen werden geconfisqueerd tot delging van de zware oorlogslasten; nadien meestal verkocht als nationaal goed, soms gevolgd door afbraak. Zo verdwenen onder meer het kartuizer- en kapucijnenklooster definitief uit het stadsbeeld. Andere gebouwen kregen een nieuwe bestemming zoals het hoger vermelde Sionsklooster. Godshuizen werden overgenomen door het Bestuur der Gast- en Godshuizen, waaruit later de C.O.O. - O.C.M.W. groeiden.

Begin 19de eeuw was er nog steeds een sterk contrast tussen de aaneengesloten woonkern binnen de 13de-eeuwse omwalling en de nagenoeg onbebouwde zone binnen de 14de-, 15de-eeuwse omwalling: met uitzondering van het "Strypensveld" met typisch dambordpatroon ten noordoosten en het begijnhof ten zuidoosten, was er enkel bebouwing langs de belangrijkste uitvalswegen. Extra muros bevond zich een landbouwgebied met kleine agrarische kernen.

Onder Napoleon onderging het stadsbeeld evenwel een lichte wijziging doordat de stadsvesten in 1809 voor het eerst werden verlaagd en beplant, nadat Lier in 1803 was afgeschaft als vestingstad. De Leuvense binnen- en buitenpoort en de Antwerpse binnenpoort werden gesloopt in 1810. Uit vrees voor de terugkeer der Hollandse troepen werden in 1830-1831 echter nieuwe verdedigingswerken uitgevoerd aan de Mechelse-, Antwerpse- en Lisperpoort naar ontwerp van Generaal B. Renard. Pas in 1851 kreeg de stad definitieve toelating tot ontmanteling. De vesten werden genivelleerd, de grachten uitgediept en in 1853 werden de eerste wandelwegen en beplantingen uitgevoerd. In 1860 werd de afleidingsvaart gegraven ten westen van de stad. De Lisperbuitenpoort verdween in 1862, de Mechelse in 1888.

Ondertussen was Lier, door de oprichting van een tekenschool in 1793 en een normaalschool in 1817 door Koning Willem I, een belangrijk centrum geworden van intellectuele activiteit. Daarentegen bleef de stad, ondanks de industriële revolutie, nagenoeg verstoken van grootschalige nijverheid: door de Belgische onafhankelijkheid verloor de fabriek van De Heyder haar afzetgebieden (Nederlandse kolonies) en verhuisde naar Leiden (1835). De zo tot stand gekomen massale werkloosheid vormde een uitstekende voedingsbodem voor de ontwikkeling van kleine familiale bedrijven, waardoor de Lierse kantnijverheid in de tweede helft van de 19de eeuw zijn definitieve doorbraak kende, evenals aanverwante bedrijven als parel- en pailletteverwerking. Ook op het gebied van instrumentenbouw en schoenmakerij was Lier toonaangevend. Hierdoor ontstonden arbeiderswijken, voornamelijk in het oostelijk stadsgedeelte (zie aanvraag voor een nieuwe straat, Woudstraat genaamd, van 1902, naar ontwerp van stadsbouwmeester architect F.H. Cox).

Het kanaliseren van de Kleine Nete (1839), de eerste spoorwegverbinding Lier - Turnhout (Koninklijk Besluit van 5/10/1853) en de aanleg van nieuwe steenwegen (onder meer Mechelsesteenweg in 1827, Berlaarsesteenweg in 1831, Aarschotsesteenweg in 1837 en Steenweg naar Oostmalle in 1846) droegen bij tot de uitbouw van de stad. Geleidelijk kwam er meer bebouwing extra muros, voornamelijk langs de grote invalswegen. Zo ontstond langs de in 1850 aangelegde Lispersteenweg, het gehucht Lisp dat in 1872 uitgroeide tot een zelfstandige parochie. Ook de omgeving van het station werd geleidelijk volgebouwd met een typische lintbebouwing. De gronden tussen beide omwallingen werden slechts langzaam opgevuld: nieuw waren hier de eerder grootschalige constructies, gericht op onderwijs en ziekenzorg, een tendens die zich duidelijk voortzet in de 20ste eeuw. Grote terreinen werden door nieuwe kloostergemeenschappen ingenomen: de ursulinen lieten een klooster en school bouwen op de gronden van het vroegere kapucijnenklooster op de Kapucijnenvest (1838-1840); in 1868-1873 bouw van het Sint-Elisabethgasthuis aan de Mechelsestraat. Het voormalige Sionsklooster, in 18IO ingericht tot textielfabriek van De Heyder, werd in 1834 heringericht en uitgebreid tot kazerne. De as Antwerpsestraat, Grote Markt, Rechtestraat, Kardinaal Mercierplein en Berlaarsestraat kreeg geleidelijk een uitgesproken commercieel karakter.

Gezien de lage ligging was de stad voornamelijk op de linkeroever doorsneden door talrijke kronkelige vlieten. In 1832 werd gestart met de uitvoering van een saneringsplan, waarbij omwille van hygiëne en het permanente overstromingsgevaar verscheidene vlieten gedempt werden. Met het verdwijnen van de vlieten en de erbij horende bruggen onderging de stad een ingrijpende verandering, gepaard gaande met het vrijkomen van nieuwe bouwgronden. Door de opkomst van de stoommolens in de loop van de negentiende eeuw verdwenen ook water- en windmolens uit het stadsbeeld, een proces dat versneld werd door de oorlogsgebeurtenissen van 1914 (onder meer Kerkhofmolen afgebroken in 1914, Volmolen in 1911). Om te voorzien in de gasverlichting werd in 1856 het gasgesticht opgericht op het einde van de Frederik Peltzerstraat.

Rond de eeuwwisseling kwam het tot een verval in de traditionele ambachtelijke nijverheden (brouw- en kantindustrie). Door het gebrek aan andere werkgelegenheid ontstond een grote groep pendelaars die zich voornamelijk ging vestigen in de omgeving van het station, waardoor er daar een nieuwe wijk tot stand kwam: nieuwe straten werden aangelegd (onder meer Tramweglei, Ogezlaan, Hofstraat) en op de hoek van de Boomlaarstraat en de Vaartlaan (huidige Baron Opsomerlaan) werd in 1901 de nieuwe parochiekerk van het Heilig Hart gebouwd. Ten oosten van de stad, langs de uitvalsweg naar Berlaar, ontstond eveneens een nieuwe parochie namelijk deze van de Heilige Familie.

Om te voorzien in het gebrek aan bouwgronden werd in 1912 een wedstrijd uitgeschreven voor de aanleg van vier nieuwe woonkwartieren binnen de vroegere stadsomwalling: het Kartuizerveld, de Fabrieksbeemden, de Gasthuisbeemden en de Molbeemden. Bekroond ontwerp naar ontwerp van architect P.(?) Berger en architect J. Smolderen; niet uitgevoerd omwille van oorlogsomstandigheden.

Het dempen van de oude Grote Nete en de resterende vlieten, evenals de aanleg van riolen gebeurde in 1912 naar ontwerp van architect T. Claes.

Zware verwoestingen tijdens de Eerste Wereldoorlog, voornamelijk langs de as Antwerpsestraat, Grote Markt, Kardinaal Mercierplein en Berlaarsestraat en in de omgeving van het station (Statielei, hoek Antwerpsestraat/ Zagerijstraat). Meer dan 700 huizen werden totaal vernield. Architect G. De Ridder werkte nog tijdens de oorlog een rooilijnenplan uit, waarin hij tevens trachtte een oplossing te vinden voor de toenmalige verkeersproblemen, rekening houdend met de voorziene uitbreidingen (zie stedenbouwkundige wedstrijd van 1912-1913). Door het stadsbestuur werd reeds in 1915 een nieuw bouwreglement uitgevaardigd om te bekomen dat de stad naderhand een meer "pittoreske en kunstzinnige aanblik" zou bieden; de vernielde bepleisterde lijstgevels uit de 19de eeuw en het eerste kwart van de 20ste eeuw moesten vervangen worden door zogenaamde "stijlgevels", namelijk in een erkende stijl van vóór de 19de eeuw, die bovendien gebruikelijk was in onze gewesten. Deze verordening was van kracht voor het centrum en de belangrijkste invalswegen. Bovendien werden edele materialen vereist. Een algemeen plan van aanleg, door verschillende instanties vooropgesteld, werd door de stad niet nodig geacht. Ingrijpende veranderingen werden zoveel mogelijk beperkt: wijzigingen in het rooilijnenplan werden slechts toegestaan als de straat werkelijk te smal was. De rooilijnaanpassingen in de Rechtestraat, het Kardinaal Mercierplein, de Berlaarsestraat en de Koning Albertstraat gebeurden in functie van het globale stadsgezicht (respectievelijk zicht op Sint-Gummaruskerk en op het Belfort). De controle op de wederopbouw gebeurde enkel door het stadsbestuur bijgestaan door de Bouwraad; de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen trad voornamelijk adviserend op in 1915 en volgende.

Om dezelfde esthetische redenen werden hoge eisen gesteld aan de voorlopige houten huizen, vaak met commerciële functie, binnen de stadskern. De houten barakken van het Koning Albertfonds, die ter beschikking gesteld werden om aan de hoge woningnood te voldoen, werden geplaatst op afgelegen plaatsen (onder meer Gasthuisbeemden, Oeverplein). Tuinwijken (Zuid-Australië, 1923, terzijde van de Antwerpsesteenweg; Pallieter, 1922, Mechelsesteenweg; Bogaertvelden, 1925) lagen eveneens buiten de stad. "Volkswoningbouw" bleef duidelijk ondergeschikt aan het algemene uitzicht van het centrum. In de loop van 1919 organiseerde de Vereniging van Belgische Steden en Gemeenten een architectuurwedstrijd voor de Vismarkt en omgeving, als voorbeeld van een correcte wederopbouwwedstrijd. Nog gedurende de wedstrijd werd evenwel het rooilijnenplan voor dit gebied administratief vastgelegd, waardoor de wedstrijd overbodig was geworden.

De vernielingen tijdens de Tweede Wereldoorlog waren merkelijk minder; nadien werden de recentste wijken aan de rand van de stad systematisch volgebouwd (onder meer Boomlaar, Bogerse Velden). Nieuwe zones werden voor bebouwing opengesteld (onder meer Klaplaar, gebied tussen Gasthuis- en Leuvensevest). Circa 1970 kwamen de eerste luxevilla-wijken tot stand: op Zevenbergen en op Kloosterheide respectievelijk ten noordwesten en ten noordoosten van de stadskern. Ten oosten bleef het agrarische karakter integraal behouden.

Kenmerkend voor de laatste decennia is de poging vanwege het stadsbestuur om de nijverheid aan te trekken, om zo de sterke emigratie tegen te gaan. Zo werd vanaf 1933 het Netekanaal aangelegd, waarvan de functie voornamelijk beperkt bleef tot verbindingskanaal tussen het Albertkanaal en de Nete. De aanleg was echter sterk bepalend voor de omgeving. Vanaf 1960 werden nijverheidszones aangelegd onder meer aan de oostzijde van het Netekanaal: dit terrein werd volledig ingepalmd door de betonfabriek CBR. De voltooiing van de Ring in 1976 bleef evenmin zonder gevolgen voor het stadspatroon. Het sterke contrast tussen de kleinschalige binnenstad, met zijn bewaarde skyline en aaneengesloten bebouwing, en de 14de-, 15de-eeuwse stadsuitbreiding bleef evenwel behouden; tussen beide gordels, gescheiden door de binnenring, vinden we nog steeds een krans van grootschalige constructies in functie van de sociale programma's: scholen, rustoorden, kazernes, kloosters en een ziekenhuis. De zogenaamde "stadswandeling", aangelegd op de voormalige 15de-eeuwse omwalling, zorgt voor een groene zone rond het geheel. Hierrond heeft zich een intens bebouwd woongebied ontwikkeld, dat op zijn beurt begrensd wordt door de Ring en het Netekanaal. Buiten laatstgenoemde bleef het agrarische karakter behouden met uitzondering van de hoger vermelde villawijken en enkele kleinere industriezones ten noordwesten en langs het Netekanaal.

  • Openbare Werken Lier, Bouwingen, 1902.
  • BERGMANN A., Geschiedenis der stad Lier, Lier, 1973, derde druk.
  • BEUKELEIRS J., Economische studie over de stad Lier, in 't Land van Ryen, 1961, p. 49-62.
  • BOSCHMANS M., Stadsversterkingen en waterlopen te Lier, in 't Land van Ryen, 1956, p. 21-29.
  • BRACKE D., Excursiegids voor de stad Lier, Regentaatsverhandeling Heilig Pius X-Instituut, Antwerpen, 1982-1983.
  • DE BOT H.-SLEGERS R., Lier 1860. De geschiedenis van het station en de spoorwegen te Lier, Lier, 1985.
  • JANSSENS B., Album Oud Lier, s.l., s.d.
  • LENS A., Lier voorheen en nu, Antwerpen - Roeselare, 1986.
  • LENS A.-MORTELMANS J., Gids voor oud Lier, Antwerpen, 1980.
  • SMETS M. e.a., Resurgam. Na de Belgische wederopbouw, Gent, 1985.
  • Stadsgezichten Lier, Mens en Ruimte V.Z.W., 1978.
  • TIBAX F., De armenzorg te Lier, 1582-1621, in 't Land van Ryen, 1969, p. 120-123.
  • VAN DER WEE H., Een stad groeide uit het moeras, Overdruk uit 't Land van Ryen, 1962.
  • VAN DER WEE H., Lier in het economisch historisch perspectief, in 't Land van Ryen, 1956, p. 49-60.
  • VAN HOOF J., De drinkwatervoorziening te Lier, in 't Land van Ryen, 1960, p. 164-178.
  • VERHULST A.-DUVOSQUEL J.M. (onder leiding van), Historische stedenatlas van België. Lier, Brussel, 1990.
  • VRIENS L., De wederopbouw van Lier na de Eerste Wereldoorlog, Onuitgegeven licentiaatsverhandeling Toegepaste Wetenschappen, KUL, 1981-1982.

Bron     : Kennes H. & Wylleman L. 1990: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Mechelen, Kanton Lier, Bouwen door de eeuwen heen in in Vlaanderen 13N1, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Kennes, Hilde
Datum  : 1990


Relaties