Inhoudelijk thema

Sociale huisvesting: Bejaardenwoningen tijdens de 20ste eeuw

ID: 138   URI: https://id.erfgoed.net/themas/138

Beschrijving

Inleiding

Renaat Braem stelde in 1954 dat bejaardenhuisvesting na het krottenprobleem het belangrijkste vraagstuk was inzake woningpolitiek. De vergrijzing – op zich een gevolg van de hogere leeftijdsverwachting en het dalend geboortecijfer – kende na de Tweede Wereldoorlog inderdaad een exponentiële groei. Tussen 1830 en 1930 verdubbelde het aandeel bejaarden (65-plussers) in België van 3,8 naar 7,6% van de totale bevolking en amper een halve eeuw later was dat cijfer alweer verdubbeld. In reële cijfers was deze demografische transitie nog duidelijker: tussen 1930 en 1961 verdubbelde het aantal bejaarden bijna van zo’n 610.000 naar 1.120.000. Deze vergrijzing sloeg vooral toe in de grote steden. Zo verdrievoudigde in Antwerpen het aantal bejaarden tussen 1900 en 1950 tot bijna 30.000.

Het probleem van bejaardenopvang werd bovendien vergroot omdat bejaarden steeds minder binnen de familie werden opgevangen (zeker in grotere steden). Volgens sommigen wees dit op een betreurenswaardige teloorgang van de zorg van kinderen voor hun ouders. Anderzijds blijkt dat heel wat bejaarden zelf de opvang door kinderen slechts als een allerlaatste optie beschouwden. Ook de opvang in rusthuizen (waarbij getrouwde partners van elkaar gescheiden werden) werd in de loop van de 20ste eeuw steeds minder aanvaard. Zo sprak de socialistische minister Emile Vandervelde zich expliciet uit tegen dergelijke scheidingen. In plaats daarvan verkozen bejaarden om zo lang mogelijk zelfstandig in hun eigen huis te blijven (eventueel met enkele aanpassingen), of om een bejaardenwoning te betrekken.

Dit probleem van bejaardenopvang oversteeg het domein van de sociale huisvesting. Toch is het zo dat een groot deel van de bejaardenopvang in België (en in Europa in het algemeen) gerealiseerd werd door sociale huisvestingsmaatschappijen, daar waar dit in de VS vooral door de privémarkt was en in Oost-Europa door de overheid zelf. Maar ook de Belgische overheid intervenieerde. Omdat de huuropbrengst van dergelijke woningen onvoldoende bleek om een kwalitatieve bouw te garanderen, besliste de Minister van Gezondheid reeds in de jaren dertig om voor 30 % tussen te komen in de kosten van de bouw en bouwgrond. Dit gold ook voor sociale huisvestingsmaatschappijen op voorwaarde dat de verhuring de bevoegdheid bleef van de Commissies van Openbare Onderstand (COO’s).

Deze door sociale huisvestingsmaatschappijen voorziene bejaardenopvang nam vooral de vorm aan van bejaardenwoningen. Dit zijn individuele wooneenheden die specifiek opgevat zijn om bejaarden zo zelfstandig mogelijk te laten wonen, eventueel verbonden met een verzorgingseenheid (aanleunwoning of serviceflat). Andere vormen van bejaardenhuisvesting zijn het bejaardenpension (dat maaltijden voorziet), bejaardentehuis, verpleegtehuis en ziekenhuis. Van al deze types beantwoordden bejaardenwoningen echter niet alleen best aan de wensen van de bejaarden zelf, ze bleken ook de goedkoopste oplossing voor de maatschappij. De overgrote meerderheid van deze bejaardenwoningen werden verhuurd (door de sociale huisvestingsmaatschappijen of COO’s) en de doelgroep bestond in de eerste plaats uit bejaarde echtparen (destijds poëtisch aangeduid als “uitgebloeide gezinnen”). Dit betekende in sommige gevallen dat bij het overlijden van één van beide partners, de andere partner de woning alsnog diende in te ruilen voor een rusthuis of familieopvang, maar soms kreeg de weduwe/weduwnaar toestemming om te blijven, op voorwaarde dat de huishuur ingelost werd.

Een historisch overzicht

Gedurende de lange 19de eeuw was de bouw van bejaardenwoningen eerder beperkt en vooral een zaak van (religieuze) liefdadigheid, wat zich onder andere vertaalde in de bouw van apostelhuizen en godshuizen. Godshuizen (waar men naast bejaarden ook wezen en weduwen opving) werden opgericht door Burgerlijke Godshuizen. Ze omvatten zowel bestaande individuele huizen die verbouwd werden, als een rij huizen aan de straat met één toegang of individuele toegang, en een huizengroep rond een binnenhof met één toegang aan de straat (hofje). Godshuizen bevatten altijd een kapel en de woningen hebben vaak een woonkeuken op de gelijkvloerse verdieping en een slaapkamer op zolder. Door de Wet van 10 maart 1925 werden de godshuizen overgedragen aan de COO’s en viel deze bouwactiviteit bijna volledig stil.

Vanaf begin 20ste eeuw begonnen ook de stedelijke besturen zelf met de bouw van bejaardenwoningen, meer bepaald de Burelen van Weldadigheid (die door de Wet van 10 maart 1925 ook opgevolgd werden door de COO’s). Eind jaren dertig beschikte de COO van Antwerpen over ruim 600 bejaardenwoningen, die van Gent over meer dan 200 en die van Brugge over een 100-tal. Anno 1966 woonden in België 2.418 bejaarden in zo’n 1.500 bejaardenwoningen van de COO’s. Een vroeg maar typisch voorbeeld zijn de traditionalistische rijwoningen die het Bureel der Weldadigheid in Gent tussen 1908 en 1912 bouwde aan de Prosper Claeysstraat, Slinkemolenstraat en Liverpoolstraat, met giften van liberale verenigingen en individuen. Meer uitzonderlijk is de “cité Désiré Cnudde”, een modernistisch laagbouw appartementencomplex voor bejaarde koppels dat de Gentse Dienst Woningnood in 1930 bouwde.

Omdat de nood aan huizen voor bejaarde echtparen eind jaren twintig sterk toenam en de lokale overheden over onvoldoende middelen beschikten, werd vanaf 1929 ook een beroep gedaan op de sociale huisvestingsmaatschappijen. Hun actie omvatte niet alleen de bouw van bejaardenwoningen maar ook het verhuizen van bejaarden naar woningen die best voor hen geschikt waren (makkelijk toegankelijke wooneenheden met een beperkte oppervlakte en één slaapkamer) waardoor de gezinswoningen vrij kwamen voor gezinnen. Dit ging traag omdat de meeste bejaarden liever in hun oude gezinswoning bleven wonen. Een tweede methode die sommige maatschappijen (zoals Huisvesting in Antwerpen) toepasten, was toestaan dat bejaarden in de sociale gezinswoning van hun kinderen gingen inwonen, zonder de gebruikelijke toeslag. Diezelfde maatschappij besliste ook principieel om alle appartementen op de gelijkvloerse en eerste verdieping voor te behouden aan bejaarden, wat aansloot bij de wens van deze maatschappij om bejaarden niet af te zonderen in aparte wijken of gebouwen.

Daarnaast gingen sociale huisvestingsmaatschappijen over tot de bouw van specifieke bejaardenwoningen. In vergelijking met hun totale bouwactiviteit bleef dit een eerder marginaal fenomeen. In 1983 woonde slechts 5 % van de bejaarde NMH-bewoners in een woning of appartement die specifiek voor bejaarden was ontworpen. 60 % woonde in een appartement en de overige 35 % in een gezinswoning. In België werden er tussen 1930 en 1940 865 bejaardenwoningen gerealiseerd door de huisvestingsmaatschappijen, tussen 1945 en 1966 iets meer dan 10.000. In het Vlaamse Gewest waren begin 1983 7.961 bejaardenwoningen gebouwd door de sociale huisvestingsmaatschappijen, zo’n 4,6 % van hun totale patrimonium. Daarnaast telde men dat jaar ook 10.109 appartementen (5,8%) met één slaapkamer die geschikt waren als bejaardenwoning. In totaal was dus zo’n 10 % van de sociale woningen in 1983 geschikt voor bejaarden. Daartegenover staat dat ruim 20 % van de sociale woningen door bejaarden bewoond werd, vooral in de steden (44 % in de grootstedelijke agglomeraties tegenover 10 % in de plattelandsgemeenten).

De ideale bejaardenwoning

Hoe zag de ideale bejaardenwoning eruit volgens tijdgenoten midden 20ste eeuw? Enerzijds diende deze woning minimaal te zijn qua oppervlakte. Dit maakte het mogelijk om niet alleen de bouwkosten (en de huur) tot een minimum te beperken maar ook het onderhoud voor de bewoners. Er diende natuurlijk wel voldoende ruimte te zijn om een vlotte circulatie te verzekeren voor deze vaak minder mobiele bewoners.

Anderzijds voorzag men in deze woningen een maximum aan comfort. De woningen beschikten meestal over een aparte slaapkamer, een woonkamer, een kleine maar uitgeruste keuken, een bergplaats en een sanitaire ruimte (evoluerend van een WC die enkel van buitenaf toegankelijk is tot een volwaardige badkamer). Eerder uitzonderlijk werd gekozen voor een gedeeld basiscomfort (zoals het Mimosacomplex te Antwerpen uit 1954 met gemeenschappelijke bad- en douche-installatie). Het comfort vertaalde zich verder in de keuze voor gelijkvloerse woningen zonder treden of trappen. Heel uitzonderlijk bevindt de slaapkamer zich boven (soms is daar wel een tweede slaapkamer voor gasten) en appartementen zijn steevast op de gelijkvloerse of eerste verdieping gelegen (indien mogelijk met een ‘luie trap’), tot de algemene doorbraak van de lift in de jaren zestig. Verder beschikken de meeste bejaardenwoningen over centrale verwarming, water, elektriciteit en/of gas, en wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van kwalitatieve materialen die een goede isolatie geven en die makkelijk te onderhouden zijn. Belangrijke aandachtspunten voor woningen van bejaarde echtparen waren verder lucht en licht. Om die reden verkoos architect Alfons Van Coillie brede woningen (met woon- en slaapkamer naast elkaar) boven diepe woningen, indien dit financieel haalbaar was (gezien de duurdere infrastructuurwerken).

Wat de aanleg betreft, pleitte men er voor om de bejaardenwoningen van de drukke straat af te scheiden door een groenzone. Sommigen voorzagen kleine private groenten- of bloementuinen (waarvan het onderhoud de gezondheid van de bewoners ten goede zou komen), anderen verkozen een openbare groenruimte omdat ouderen niet meer in staat zouden zijn om private tuinen te onderhouden. Wegenaanleg kon sowieso minimaal zijn gezien het beperkte verkeer.

Veel aandacht ging uit naar de inplanting van de bejaardenwoningen, wat alle auteurs zoeken in een evenwicht tussen groepering en spreiding. Groeperen heeft praktische voordelen (gemeenschappelijke voorzieningen zoals was- en droogplaatsen, eventueel nabijheid van een rusthuis met verzorging) en biedt de mogelijkheid tot sociaal contact met leeftijdsgenoten. Het volledig concentreren van bejaardenwoningen (bijvoorbeeld in één stadswijk) wordt echter steevast afgeraden om de bejaarden niet te isoleren van de maatschappij. Bovendien biedt een zekere spreiding aan de bejaarden de mogelijkheid om in hun vertrouwde buurt te blijven.

Om de bejaarden actief en sociaal te houden werd, zeker na de Tweede Wereldoorlog, gepleit voor ontspanningslokalen. Deze werden aanvankelijk vooral gebruikt door mannen om te kaarten maar soms werden het multifunctionele ruimtes (bijvoorbeeld bij het Home Van Roy in Antwerpen, waar het gebruikt werd als leeszaal in de voormiddag, voor spel en ontspanning in de namiddag en als TV-zaal ’s avonds).

Over de architecturale vormgeving van de woningen blijft men vrij vaag: meermaals wordt de nadruk gelegd op de nood aan een rustgevende omgeving qua verhoudingen en kleuren. Renaat Braem prees in 1954 het gematigd modernisme van het Mimosacomplex in Antwerpen (van Louis Stynen). Wat meubilering betreft, stelde Alfons Van Coillie dat metalen meubelen het meest praktisch waren (hygiënisch en licht) maar hij erkende ook dat het recupereren van meubels uit de oude woning kon helpen om een vertrouwde omgeving te creëren.

Bejaardenwoningen als onderdeel van de sociale huisvesting tijdens de 20ste eeuw

Hoe zagen de bejaardenwoningen van de sociale huisvestingsmaatschappijen eruit? In Nederland bestond bejaardenhuisvesting vanaf begin 20ste eeuw uit vrij afgesloten hofjes (gelijkvloerse woningen rond gemeenschappelijke open ruimte, vaak met poort), gasthuizen en gelijkvloerse geschakelde woningen die meer open werden ingeplant, in het centrum van een sociale woonwijk. Dit laatste model raakte echter vooral verspreid in de naoorlogse periode (1945-1960) als onderdeel van het stedenbouwkundig model van de wijkgedachte, wat zowel een instrument was voor planmatige ordening van de ruimte als voor het socialiseren van de mens. Bejaarden kregen hierbij letterlijk een centrale plaats: grondgebonden, gelijkvloerse sobere minimumwoningen te midden van de gezinswoningen en vlakbij voorzieningen zoals groen, kerk, winkels en openbaar vervoer. Eerder uitzonderlijk (voor meer behoeftige bejaarden) werden tehuizen opgericht, eventueel met aanleunwoningen. Na 1960 ontstond een grotere differentiatie met onder andere serviceflats.

In Vlaanderen zijn de bejaardenwoningen van de sociale huisvestingsmaatschappijen tijdens de jaren dertig voornamelijk woningen van één of twee verdiepingen, zoals die in Tuinwijk De Warande van de Gentbrugse Haard (1938) en die in de Geraniumstraat van de Gentse Maatschappij voor Goedkope Woningen. Daarnaast worden ook reeds enkele specifieke appartementencomplexen gebouwd, zoals de 32 appartementen in de Durletstraat/Ballartstraat van Onze Woning uit 1937 naar ontwerp van zoon Van Averbeke met gemeenschappelijke vergaderlokalen, was- en droogruimtes, ruime wandelgalerijen en tuin.

Tussen 1945 en 1966 werden in België ongeveer evenveel sociale bejaardenwoningen als -appartementen opgetrokken (telkens zo’n 5.000). Appartementen bleven tot midden jaren zestig voornamelijk beperkt tot de grotere steden waar ruimteverslindende eenlaagse woningen geen optie waren omwille van het gebrek aan bouwgrond. Deze bejaardenwoningen waren vooral op de gelijkvloerse en eerste verdieping gelegen van (middel)hoogbouw appartementencomplexen. Pas met de algemene introductie van de lift tijdens de jaren zestig werden volledige hoogbouw appartementencomplexen bestemd voor bejaardenwoningen, bijvoorbeeld in de Tuinwijk van Sint-Gillis-Dendermonde (1969-1981). Daarnaast werden laagbouw appartementencomplexen opgericht, specifiek voor bejaarden. Een internationaal bekend voorbeeld is het Home Van Roy (1956) van Renaat Braem, een complex van 40 woningen, centraal in de modelwijk vlakbij parken en speelplaatsen, op de plaats waar oorspronkelijk het clubhuis gepland was. Andere voorbeelden zijn de wijk Breemputhof (1975) in Vilvoorde en “De Bunkertjes” (1972) in het Oostendse Westerkwartier.

Naast dergelijke appartementencomplexen werden in de naoorlogse periode ook heel wat duplexwoningen opgetrokken in sociale woonwijken, bijvoorbeeld in de Gentse wijk Malem of het Oostendse Westerkwartier. Deze sluiten qua inplanting en architecturale vormgeving vaak volledig aan bij de gezinswoningen (veelal twee bouwlagen onder een zadeldak met bakstenen gevels) maar bestaan uit twee appartementen, op de gelijkvloerse en eerste verdieping. Meestal worden deze duplexwoningen vermengd met de gewone gezinswoningen (bijvoorbeeld door ze in te planten op de hoeken van een woninggroep, met een voordeur in de voorgevel en één in de zijgevel).

Ook de individuele bejaardenwoningen van één bouwlaag worden vaak geïntegreerd in een ruimere sociale woonwijk, verspreid tussen de gezinswoningen (bijvoorbeeld in de wijk Keyberg te Merelbeke uit 1957), op de hoeken of in het midden van een rij gezinswoningen (bijvoorbeeld in de wijk De Linde in Zedelgem uit 1975) of gegroepeerd langs een rustige (doodlopende) straat, rond een L-, U-, V- of \-vormige groenzone (bijvoorbeeld aan de Zannekinlaan in Veurne uit 1951), langs een pijpenkop, op een afgesloten groen binnengebied of hof (bijvoorbeeld ’t Beukenhof in Lokeren uit 1958), in een rij evenwijdig achter gezinswoningen (wijk Ueberg, ook in Lokeren uit 1959), op een open, centrale groenzone (Jozef Simonswijk in Turnhout uit 1965), geschakeld rond een groenzone (De Strandjutter in Blankenberge uit 1983) of in een rij langs een landschapselement. In tegenstelling tot de oudere types bejaardenwoningen (zoals godshuizen), zijn deze naoorlogse bejaardenwoningen meer open naar de wijken waarvan ze deel uitmaken, enigszins afgescheiden van het verkeer en met aandacht voor groenaanleg.

Wat de bouwstijl betreft, koos men in de naoorlogse periode zowel voor traditionalisme (met verwijzingen naar betekenisvolle vormen of types zoals kloosters en hofjes) als modernisme (zakelijk verband tussen vorm, plattegrond, constructie en materiaal) en tussenvormen zoals een gematigd modernisme of een verzakelijkt traditionalisme. Een voorbeeld van het modernisme zijn de complexen die Renaat Braem in de jaren vijftig ontwierp in Antwerpen zoals het Home Van Roy en het wooncomplex aan de Jos Van Geellaan. “De Bunkertjes” (1972) in Oostende en het Breemputhof in Vilvoorde sluiten dan weer aan bij het brutalisme.

Erfgoedwaarden en –criteria

Bejaardenwoningen getuigen van een belangrijke demografische verandering in de geschiedenis van de mensheid (de vergrijzing van de Westerse wereld tijdens de 20ste eeuw) en van de manier waarop de welvaartsstaat hierop een antwoord formuleerde (culturele waarde). Omdat de bejaardenwoning een relatief nieuwe woningtype was, werd – meer nog dan bij andere sociale huisvesting – geëxperimenteerd met vernieuwende vormen van aanleg en architectuur, inclusief de aandacht voor groenvoorziening (stedenbouwkundige en architecturale waarde). Doordat bij de inplanting en aanleg vaak aandacht besteed werd aan het bevorderen van sociaal contact, zowel tussen de bejaarde bewoners onderling als met de andere bewoners van de wijk, hebben relatief veel van deze sites ook nog steeds een sociale waarde. Enkele sites hebben daarenboven een artistieke waarde door de integratie van monumentale kunstwerken.

De ensemblewaarde is bij deze bejaardenwoningen vaak uitzonderlijk hoog (hoger nog dan bij de rest van de sociale woonwijk) omdat de architectuur en de omgeving (groenaanleg) meestal één geheel vormen. Ook de herkenbaarheid van deze bejaardenwoningen is relatief hoog in vergelijking met de rest van de sociale huisvesting omdat individuele verbouwingen ontbreken. Sommige types scoren hoog op representativiteit (bijvoorbeeld de hofjes met traditionalistisch getinte gelijkvloerse woningen uit de periode 1955-1965), andere op zeldzaamheid (bijvoorbeeld het brutalistische hofje “De Bunkertjes” in Oostende). Los van deze opdeling wordt het type van de laagbouw bejaardenwoningen op korte termijn zeldzaam omdat het vaak aangeduid is voor sloop en nieuwbouw.


Bron     : VAN HERCK K., VANDEWEGHE E., VERHELST J. 2016: Goed wonen voor iedereen: een rijke geschiedenis. Onderzoek naar de erfgoedwaarden van het sociale woningbouwpatrimonium in Vlaanderen, Onderzoeksrapport Onroerend Erfgoed 52, Brussel.
Auteurs : Van Herck, Karina, Vandeweghe, Evert
Datum  : 2016