Geografisch thema

Bevere

ID
14107
URI
https://id.erfgoed.net/themas/14107

Beschrijving

Sinds 1965 samen met Edelare, Eine, Ename, Leupegem, Nederename en Volkegem bij Oudenaarde gevoegd.

Deels nog landelijke gemeente en typisch "voorgeborchte" ten Noorden van Oudenaarde met een oppervlakte van 652 ha en 2.908 inwoners (1.1.1996). Gelegen aan de linkse Schelde-oever en tot voor enkele decennia omgeven door jaarlijks overstromende Scheldemeersen. In het Noorden grenzend aan Eine, in het Oosten aan Oudenaarde, in het Zuiden aan Leupegem en Petegem en in het Westen aan Moregem en Ooike.

In 1956 werd een deeltje van het grondgebied van Bevere binnen een afgesneden Scheldebocht in het Zuiden afgestaan aan Leupegem.

Naast een brede vlakke strook bedekt met rivieralluvium is het landschap licht glooiend met hoogten tussen 20 en 30 m met overwegend zandleemgronden en leemgronden ten Noorden van de gemeente, slechts lichtjes door enkele beken ingesneden.

Eerste materiële sporen van een occupatie dateren uit het Mesolithicum (circa 8000 voor Christus) en Neolithicum (circa 3500 voor Christus) teruggevonden bij grootschalige ontzandingswerken in de zogenaamde "Donk", een vroegere 20 ha grote gemene weide ten zuiden van de gemeente. De talrijke artefacten laten een tijdelijke kampeerplaats van jagers vermoeden. Ook een site uit de vroege Bronstijd en een Romeinse nederzetting werden hier bij noodopgravingen gelokaliseerd. Ze bevestigen vroeger vermelde losse vondsten van onder meer Romeinse munten in het gebied.

De naam Bevere, in grondvorm Bebrona, zou een pré-Keltisch, namelijk een Belgisch hydroniem zijn waaruit volgens prof. Hoebeke het Romaanse Bruwaen en het Germaanse Bevere ontstaan zijn. Oudste vermelding als Buerna (966) en Bevra (1203), vermoedelijk van "Bhebhre ana" of "beek waar bevers woonden". De wijknaam Huttegem (een -gem toponiem) wijst op een Germaanse kolonisatie (6de tot 10de eeuw). Ook de patroonnaam van de parochiekerk Sint-Pieters en recent ontdekte grondvesten van het eerste eenbeukige zaalkerkje van veldsteen wijzen op een vroeg-middeleeuwse kerstening.

Het dorp ontwikkelde zich op een verhevenheid tussen twee lager gelegen gebieden de zogenaamde "Wilshage" met vijver zogenaamde "Pudemeere" en de Donk. Eerstgenoemde was een wastina met weiden en moeras rond de vijver, reeds vermeld in 1246 en in 1287 door Olivier van Aishove, heer van Bevere geschonken aan het hospitaal. In 1543 werd de Pudemeere gedempt met aarde van de middenwal van de stadsvesting en door het hospitaal afgestaan aan de stad. Het wordt een gemeenschappelijke weide in de zogenaamde Eindries. In een oorkonde van 1253 had dezelfde heer van Bevere het gebruiksrecht van de Donk als gemeenschappelijke weide voor een groot deel van de inwoners van Bevere vastgelegd. In het Noorden sluit een enorm groot koutercomplex aan met van links naar rechts onder meer de Huddeghemkouter, Groten Kouter, Meulenkouter, Meynaertskouter en Oostkouter, samen circa 225 ha, gerekend tot de vruchtbaarste van Vlaanderen. Midden 16de eeuw (kaart van Jacob van Deventer) werden reeds vijf windmolens en de schorsmolen van de huidevetters op de kouters in kaart gebracht, 19de-eeuws kaartmateriaal toont tot elf windmolens in de gemeente.

De heerlijkheid van Bevere was begin 13de eeuw een leen afhankelijk van het hof "Ter Wostinen" met als eerst gekende erfdame Margaretha van Bedruwaen (later Beverwaen of Bruwaen), gehuwd met Willem van Zomergem, heer van Woestijne. Hun zoon Filips komt als eerste heer van Bevere voor in een oorkonde van het hospitaal van 1242. In een charter van 1232 is reeds sprake van zijn "huus van Bedruan" het latere kasteel "Beverwaen" gekend door een gravure in Sanderus' Flandria Illustrata. Door het huwelijk van Filips dochter Elisabeth met Daniel van Machelen, heer van Aishove, komt Bevere in handen van het huis van Aishove, later van het huis van Gavere. Naast het leen Beverwaen waren nog vijf heerlijkheden (onder meer Ter Hagen, ter Mere, Bolanchy, van Perens) afhankelijk van Bevere en talrijke achterlenen.

Op kerkelijk gebied behoorde de parochie tot 1559 tot het bisdom Doornik, nadien tot het bisdom Gent. Het patronaatsrecht en tiendheffing behoorde toe aan de Sint-Walburgakerk. Administratief was Bevere afhankelijk van het kasselrijbestuur van Oudenaarde, hoogpointerij van Eine, voor leenzaken was het afhankelijk van Pamele.

Door zijn strategische ligging aan de voet van de stadsmuren werd Bevere herhaaldelijk verwoest. Volgens een kroniek werden de kerk en de meeste huizen gesloopt in 1579 voor uitbreiding van de stadsvesten; in 1708 waren de kouters het toneel van de Slag bij Oudenaarde. Tijdens het Koninkrijk der Nederlanden werd volgens het "Generaal plan der geprojecteerde werken ter bevestiging van Oudenaarden" van 1823 op de Noord Meulenkouter een fort voorzien in lunetvorm, identiek aan het nog bestaande zogenaamde "Kezelfort" te Edelare. In Bevere werden enkel graafwerken uitgevoerd.

De plattegrond van de gemeente wordt gekenmerkt door samenlopende steenwegen die Oudenaarde verbinden met de omliggende steden. Zo vormen de steenwegen naar Gent, Deinze, Doornik en Kortrijk, waarvan de meeste zeer oud zijn, de hoofdstraten van het dorp met de vroegere Dorpsstraat, thans Beverestraat als centrale as en kern van het straatdorp. Door de verplaatsing van de parochiekerk van de kerkkouter naar de Deinzestraat in 1682 en nogmaals naar het kruispunt met de Wortegemstraat in 1872 werd de parochiekern eind 19de eeuw meer zuidwaarts verplaatst.

Naast de Schelde en de steenwegen zorgt de aanleg van het station van Oudenaarde op Bevers grondgebied op het kruispunt van de lijnen Gent - Saint-Ghislain van 1857 en Brussel - Kortrijk, aangelegd tussen 1868 en 1871, voor de verdere ontsluiting en industrialisatie (voornamelijk textielnijverheid) van het gebied. Met het slopen van de stadsvesten vanaf 1859 groeide de bebouwing snel naar Oudenaarde toe. Door de realisatie van de Expresweg Gent-Valenciennes en de Westerring dwars door het Noordelijk koutercomplex en de Zuidelijk Scheldemeersen vanaf de jaren 1960-70 ontstonden nieuwe industrieparken als "De Bruaan", Ring II en Lindestraat en het recreatiegebied de "Donkvijvers".

  • BERINGS G., Landschap, geschiedenis en archeologie in het Oudenaardse, Oudenaarde, 1989.
  • CASTELAIN R., Heerlijkheden en lenen in Bevere (13e tot 16e eeuw), in H.G.O.K.O., XXIX, 1992, p. 5-38.
  • DE POTTER F. - BROECKAERT J., Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen, reeks VI, deel 1, Gent, 1903.
  • DE SMET M. - VERSMESSEN M., Herinneringen aan Bevere, Oudenaarde, 1978.
  • VAN DER PLAETSEN P. - VAN MOERKERKE J. - PARENT J.P., Mesolitische en neolitische sites aan de "Donk" te Oudenaarde, in Archaeologia Belgica, II, 1, 1986, p. 15-18.

Bron     : Bogaert C., Lanclus K., Tack A. & Verbeeck M. 1996: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur Provincie Oost-Vlaanderen, Arrondissement Oudenaarde, Stad Oudenaarde met fusiegemeenten, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 15N1, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Bogaert, Chris, Lanclus, Kathleen, Tack, Anja, Verbeeck, Mieke
Datum  : 1996


Relaties


Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2021: Bevere [online] https://id.erfgoed.net/themas/14107 (Geraadpleegd op 19-06-2021)