Geografisch thema

Wevelgem

ID: 14564   URI: https://id.erfgoed.net/themas/14564

Beschrijving

De gemeente Wevelgem heeft 15.685 inwoners en is 1.418 ha. groot (cijfers van 01/2003, gemeente Wevelgem). Het noorden van de gemeente is gelegen in Zandlemig Vlaanderen, het zuiden ligt in de alluviale leievallei. Licht golvend landschap met kleine hoogteverschillen (12-20 m).
Het grondgebied van de gemeente wordt doorsneden door de spoorlijn Kortrijk-Ieper, aangelegd in 1853, door de autoweg A17 Brugge-Doornik en in het noorden door de autoweg A19 Ieper-Kortrijk die tevens de grens vormt met de deelgemeenten Moorsele en Gullegem. In het oosten grenst Wevelgem aan de Kortrijkse deelgemeente Bissegem, in het zuiden aan Marke en Lauwe en in het westen aan Menen.
Vliegveld Bissegem-Wevelgem in het noorden van de gemeente, aangelegd door de Duitsers in 1916, sinds 1970 burgerlijke luchthaven.

Waterrijk gebied met als belangrijkste rivier de Leie, door de plaatselijke bevolking the Golden River genoemd, naar de kleur dat het water verkreeg tijdens het roten van vlas in de rivier tijdens de 19de en de 20ste eeuw. Daarnaast verschillende beken m.n. de Tolbeek, de Nederbeek, de Perremeerschbeek, de Stierbeek (of Sterrebeek), de Stampkotbeek, de Hellebeek, de Reynsakkerbeek, de Kloefhoekbeek, de Driekoningenbeek en de Kruishoekbeek. De beken zorgden voor de afwatering van de akkers en weilanden en de bevoorrading van de grachten rond de hofsteden. Enkele zijn nog steeds zichtbaar in het landschap, het grootste deel werd overwelfd of gekanaliseerd.
Hoofdzakelijk woon- en forenzengemeente met beperkte agrarische en industriële activiteit, o.m. textiel en bouwmaterialen. In 1969 industriezone noord en zuid, aangelegd in het oosten van de gemeente, waardoor verschillende hoeves verdwijnen. Tevens wielerdorp, naar aanleiding van de successen van wielrenner Gaston Rebry wordt in 1934 voor het eerst de wielerwedstrijd Gent-Wevelgem georganiseerd.

Vroeg-Romeinse bewoning cf. vondst in 1850 van 180 Romeinse munten, vijf glazen parels, een bronzen en een aarden vaas. De gemeente ontstaat waarschijnlijk uit een 5de-eeuwse nederzetting -bestaande uit enkele boerderijen- van Frankische inwijkelingen op de linkeroever van de Leie. Vermoedelijk bouwt de heer van Wevelgem tijdens de 8ste eeuw een kleine kerk in de nabijheid van zijn hoeve, het goed "Ter Meersch". Uit dit domein is waarschijnlijk de heerlijkheid Wevelgem ontstaan. De dorpsheerlijkheid was een z.g. vliegende heerlijkheid, een heerlijkheid zonder foncier. Andere heerlijkheden waren o.m. "Ter Elst", "ten Hede" en "Indooie" (afhankelijk van het kasteel van Kortrijk) en de heerlijkheden "Cordes", "Groot en Klein Ooigem", "Smaegts", "Marrem", "het Namense", "Reinsakker", "Vollander" en "Te Walle".

Wevelgem behoort tijdens de middeleeuwen tot de kasselrij van Kortrijk, die onderverdeeld was in vijf roeden. De gemeente behoort tot de roede van Menen (samen met Menen, Emelgem, Bissegem, Gullegem, Heule, Geluwe, Dadizele, Lendelede, Izegem, Moorsele, Kachtem en Sint-Eloois-Winkel).

Eerste vermelding als "Weuelghem" in 1197 in een oorkonde waarbij Lambrecht van Vichte een allodium schenkt aan de abdij van Nonnebosse. Naam afkomstig van het Germaanse "Wibilinga" of "Wibilinga-haim", wat staat voor woning van de lieden van Wibil of Wibo.

Eerste vermelding van de parochie in 1222, Walter van Somerghem, Heer van Heule schenkt het altaar van de parochie aan de Sint-Maartensabdij van Doornik die ook een deel van de Wevelgemse tienden inde. Vermoedelijk was het eerste kerkgebouw een driebeukige basilicale Romaanse kerk. Restanten ervan werden blootgelegd bij de heraanleg van de Lode de Boningestraat in 1981.

In 1241 wordt de Cisterciënzerabdij, gesticht in Moorsele in 1214 door Margareta van Guines burggravin van Kortrijk, overgebracht naar Wevelgem. Een deel van de gronden gelegen langs de Leie werd reeds aangekocht in 1227. In 1241 wordt ruim 20 bunder land gekocht langs de Leie waarop de nieuwe kloostergebouwen worden gebouwd. Tussen 1242 en 1261, onder het abbatiaat van Adelisa van Moorslede wordt de abdij definitief overgebracht naar Wevelgem. Vermoedelijk bestonden er in het midden van de 13de eeuw twee abdijgemeenschappen, één te Moorsele en één te Wevelgem. Op het einde van de 13de eeuw wordt de vestingplaats te Moorsele definitief verlaten. De naam "Guldenbergabdij" wordt voor het eerst vermeld in 1551.
De abdij heeft sterk te lijden onder de beeldenstorm van 1566 m.n. het interieur van de kerk wordt volledig verwoest. In 1578 wordt de abdij een tweede keer vernield. Tijdens de opstand van de Nederlanden tegen Spanje wordt de abdij verlaten, de bewoonsters vluchtten naar Kortrijk. Schotse troepen staken de abdijkerk in brand en grote delen van de abdij worden verwoest. Vijf jaar later, op 26 september 1583 worden zeven grote abdijhoeven in brand gestoken door de z.g. "Oostendse vrijbuiters". Hierdoor verloor de abdij een groot deel van haar inkomsten. In 1613 keren de kloosterlingen terug naar Wevelgem.

Ook de parochiekerk van Wevelgem wordt in 1578 door beeldenstormers verwoest. De kerk bleef ongeveer 20 jaar in puin liggen. In het begin van de 17de eeuw wordt gestart met de heropbouw van de kerk, die nog verschillende malen geplunderd wordt door doortrekkende Franse troepen. In 1682 stort één van de gevels in door een gebrek aan onderhoud.

Vanaf 1380 tot op het einde van de 18de eeuw behoort de dorpsheerlijkheid Wevelgem toe aan niet-Wevelgemse geslachten, eigenaars waren achtereenvolgens de families vander Gracht, van Liedekerke, de Robbes, d'Esclaibes en de Brais.
Bij de dood van Marie de Preudhomme d'Hailly, eigenares van de heerlijkheid Wevelgem en weduwe van Antoine de Robbes in 1740 ontstonden moeilijkheden. Op 11 maart 1758 verkocht de familie de Brais de heerlijkheid wegens enorme schulden aan de Guldenbergabdij, hierdoor werd de abdis van de Guldenbergabdij, Augistina Peuterman, de "Vrouwe van Wevelghem". Samen met de heerlijkheid verwierf ze ook het goed Ter Elst (Kozakstraat nr. 186) en het goed Te Marrem (Marremstraat nr. 1). Onder haar abbatiaat kende de abdij een grote bloei.

Tijdens de 18de eeuw heeft de gemeente heel wat te leiden door troepenpassages zo o.m. tijdens de Franse bezetting (1744-1748). Bij de inval op Menen in 1744 zijn verschillende Franse troepen in Wevelgem gelegerd. Na de vrede van Aken in 1748 bleef de streek ongeveer 40 jaar gespaard van oorlogsgeweld, zodoende kon het platteland zich economisch en sociaal herstellen. Het grootste deel van de bevolking was immers tewerkgesteld in de landbouw. Maar ook de wol- en vlasnijverheid begon aan belang te winnen. De linnenindustrie kende een uitbreiding door de toenemende export naar Frankrijk. De roede van Menen werd vermaard omwille van zijn fijne vlassoorten.

In 1796 wordt de Guldenbergabdij opgeheven door de Fransen. Alle goederen worden op 1 september 1796 verbeurd verklaard en verkocht. De kloosterhoeve wordt verkocht en de abdijgebouwen worden grotendeels gesloopt in het begin van de 19de eeuw. Enkel het neerhof met zijn 17de-eeuwse duiventoren blijft bewaard samen met de westelijke abdijpoort. Dit monumentaal poortgebouw wordt opgetrokken in 1743. Het achtergelegen woonhuis van de portier dateert van 1747.

Met het opheffen van de abdij verdwijnt ook de titel "Vrouw van Wevelgem". Vanaf 1981 wordt het wapenschild van de abdij, "in lazuur een berg van goud", gebruikt als wapen en vlag van de gemeente.

De parochiekerk wordt in 1773 vergroot, de benedenkerk wordt gesloopt en vervangen door een driebeukige bakstenen constructie onder één dak.

Het opheffen van de feodale rechten na de Franse Revolutie heeft onder meer als gevolg dat er meer molens worden opgericht. Wevelgem kent in 1799 slechts twee molens, in 1809 zijn dat er al vijf. De oudste is deze van de Guldenbergabdij die reeds bestond op het einde van de 12de of het begin van de 13de eeuw. In 1277 wordt de abdij eigenaar van de molen. Na de verkoop van de abdijgoederen in 1796 wordt de molen particulier bezit. In 1942 wordt hij afgebroken door de Duitse bezetter. Andere vermelde molens zijn "de Molen Taffyn" (vermoedelijk verdwenen in de 18de eeuw), "de molen Stampers" (verdwenen in de 19de eeuw), "het Meulenwalleke" (gesloopt in de 19de eeuw), "Mentens Molen" (gesloopt in 1913), "Molen Wandel" (gesloopt kort na 1814), "Romaantjes staakmolen" (gesloopt omstreeks 1890) en "Molen Cardon" (gesloopt in 1848).
De "Vanbutseles Molen", een stenen stellingmolen van 1851, gelegen aan de Vinkestraat bleef bewaard evenals de molen "Denijs", gebouwd in 1834. Deze laatste werd echter zwaar vernield door de Duitse troepen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Enkel de bakstenen molenromp bleef bewaard.

Reeds in de middeleeuwen wordt er vlas geteeld in Wevelgem. Vanaf de 16de eeuw wordt de vlasteelt geïntensiveerd. Het vlas werd geroot in stilstaand water, het was tijdens de middeleeuwen immers verboden om vlas te roten in de Leie, dit om watervervuiling en vissterfte tegen te gaan. In 1850 wordt dit verbod opgeheven, waardoor de vlasindustrie een hoge vlucht nam.

In de tweede helft van de 19de eeuw ontstaan er twee takken in de vlasverwerking m.n. de vlasvezelbereiding en de verwerking van de vezel tot garen en linnen. De gemeente legt zich vooral toe op de vlasvezelbereiding, de vlasnijverheid wordt gemechaniseerd en Wevelgem evolueert tot de belangrijkste vlasverwerkende gemeente van de provincie. De eerste stoomzwingelarij wordt in 1867 door de gebroeders Constant en Jozef Vansteenkiste geïnstalleerd. In 1910 waren er reeds 22 roterijen en mechanische zwingelarijen met 537 arbeidskrachten. In de coöperatieve zwingelarijen werden nog eens 535 mensen tewerkgesteld. Op initiatief van Constant Vansteenkiste wordt in 1898 de eerste vlascoöperatieve de samenwerkende maatschappij der vlasfabrieken van Wevelgem opgericht, in de volksmond De Rode Draad.
De gebroeders Vansteenkiste experimenteren ook met warmwaterroten. Dit resulteert in een eerste kunstmatige roterij in de Kruisstraat omstreeks 1911. Daarnaast zijn ze ook bestuurder van de Naamloze Maatschappij van de elektriek. De stoomturbine van de zwingelfabriek dreef de dynamo aan van de elektriciteitsmaatschappij. Vanaf 1900 levert deze fabriek elektriciteit voor de verlichting van enkele straten. In 1905 wordt de fabriek echter verwoest door een zware brand.

De evolutie van de vlasindustrie heeft ook haar weerslag op het inwoneraantal, dat steeg van 3.041 inwoners in 1800 naar 7.200 inwoners in 1900.

In 1937 telt de gemeente reeds 138 roterijen met 686 werknemers. De gemeente evolueert tevens tot het centrum van de vlasvezelmarkt met meer dan 100 handelaars die voornamelijk handel dreven met Engelse spinners.
De verdere mechanisering ontneemt aan honderden vlasarbeiders hun broodwinning. De situatie wordt nog erger toen de vlas- en linnennijverheid ten onderging na de Tweede Wereldoorlog, er wordt overgeschakeld naar andere nijverheden (metaalverwerkende industrie en tapijtweverijen), toch bleef de textielnijverheid de voornaamste werkgever.

De mechanisering van de vlasindustrie heeft ook zijn impact op het wegennet. In 1868 wordt de Lauwestraat aangelegd. Het aangroeiende verkeer zorgt ook voor de verbreding van enkele bestaande straten o.m. de Brugstraat en de Kortrijkstraat. De Brugstraat is een verbreding van het "Brugge straetjen" dat de verbinding verzorgt tussen Gullegem en Wevelgem.
In 1852 begint men met de aanleg van de spoorlijn Kortrijk-Wervik. Een jaar later stopte de trein voor de eerste maal in Wevelgem. Aanvankelijk diende de lijn enkel voor goederenvervoer, vanaf 1855 ook in gebruik voor personenvervoer. De gronden in de omgeving worden verkaveld (o.m. in de Lode De Boningestraat en de Stationsstraat) en worden vanaf 1870 bebouwd. In 1909 wordt het spoor vernieuwd en in 1913 wordt het huidige stationsgebouw opgetrokken.

Naast vlas, kent Wevelgem ook de productie van kant en verschillende kantscholen, in 1714 zijn er vier bekend, in 1850 worden er nog drie vermeld. De activiteiten verdwijnen bijna volledig aan het eind van de 19de eeuw en voorgoed met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

In de gemeente waren er ook verschillende huisbrouwerijen, voornamelijk gelegen langs de weg van Kortrijk naar Menen. Op het einde van de 18de eeuw zijn er vier brouwerijen bekend m.n. "'t Schaeck", "Tanghe", "De Swaene" en "'t Schepken". In de 19de eeuw wordt er op zeven verschillende plaatsen in Wevelgem bier gebrouwen. De laatste brouwerij z.g. Cneut, sluit in 1957.

In 1832 wordt de parochiekerk een tweede maal te klein bevonden. Onder leiding van architect Vuylsteke wordt het schip van 1773 verlengd met drie traveeën, de oude toren wordt afgebroken en een nieuwe wordt opgebouwd. In 1877 oordeelt provinciaal architect Croquison dat de kerk te bouwvallig is. Er wordt besloten een nieuwe kerk te bouwen in neo-romaanse stijl naar het voorbeeld van de nabijgelegen Franse stad Ronq. De werken worden gestart in 1880 en duren tot 1882, de toren wordt in 1907 voltooid. Het interieur wordt ontworpen door J. Carette (Kortrijk).
In de kerk wordt de relikwie van de H. Doorn bewaard die o.m. vereerd word tegen hoofdpijn. In de 16de eeuw kwam de relikwie in handen van de abdij van Wevelgem. Tijdens de Geuzenopstand ging de reliekhouder verloren. De relikwie werd behouden en bleef tot 1803 eigendom van de abdis. Vanaf 1803 wordt ze bewaard in de kerk. In 1869 wordt een grote plechtigheid gehouden ter erkenning van de relikwie van de H. Doorn.
De pastorie in de Vanackerestraat wordt gebouwd in 1851 en gesloopt in 1997.

In het noorden van de gemeente ligt de kapel van O.L.V. te Biest of "de koortskapel". Voor het eerst vermeld in 1331 als "Capellanus de Biest" op een lijst van alle kerkelijke instellingen van het bisdom Doornik. In 1893 wordt de huidige kapel gebouwd. De bouw wordt deels betaald door Alfons De Brabandere-Josson, eigenaar van de grond. Na zijn dood wordt de grond en de kapel geschonken aan de kerkfabriek.

In 1837 vestigt er zich een nieuwe kloostergemeenschap in Wevelgem, met name de gebroeders van Sint-Vincentius à Paulo. Ze fusioneren in 1955 met de Zusters van Liefde uit Heule. In 1970 worden de oude kloostergebouwen aan het Guldenbergplein gesloopt, op de vrijgekomen ruimte wordt een parking ingericht.

Tot in het midden van de 19de eeuw is er te Wevelgem geen enkele brug over de Leie. Menen was een garnizoensstad die de Leie als natuurlijk baken gebruikte. De verbinding tussen Lauwe en Wevelgem wordt verzorgd door een veerdienst. Pas in 1864 geeft de stad Menen de toestemming tot het bouwen van een brug. De eerste brug over de Leie wordt opgetrokken tussen 1868 en 1869. Ze wordt in 1918 vernield door terugtrekkende Duitse troepen. Een houten noodbrug doet dienst tot 1921, toen werd ze vervangen door een metalen constructie. Deze brug wordt in 1940 door de Engelsen opgeblazen. Tijdens en na de oorlog wordt ze opnieuw vervangen door een houten noodbrug. In 1954 wordt de huidige metalen brug gerealiseerd.

In 1932 wordt de elektrische tramlijn aangelegd in de gemeente, de tram rijdt tot in 1957. Het oude tramcomplex, gelegen aan de Nieuwe Markt wordt deels gesloopt, in 1977 wordt er een nieuwe brandweerkazerne gebouwd.

Het huidige gemeentehuis in de Vanackerestraat nr. 16, ook het kasteel genoemd, wordt in 1894-96 gebouwd door de familie Jules Van Ackere-Van der Mersch en diende als woonhuis. Het park achter het huis bestond reeds voor de bouw van het huis. De familie Van Ackere vestigde in Wevelgem een weverij en dreef een belangrijke linnenhandel met het buitenland. Ze bezorgde Wevelgem vier burgemeesters. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt het huis gebruikt als Komandatuur van de Luftwaffe. In 1954 worden kasteel en omliggend park aangekocht door de gemeente en ingericht als administratief centrum. In het park wordt de gemeentelijke openbare bibliotheek gebouwd. Het oude gemeentehuis, recht tegenover de kerk wordt opgetrokken in 1906. Vanaf de jaren 1950 deed het gebouw dienst als politiebureau.

In 1916 legt het Duitse leger een vliegveld aan op de rand van het grondgebied van Bissegem, grensgemeente van Wevelgem. Bij het bepalen van de locatie spelen de nabijheid van de Leie en de spoorweg de grootste rol. Het vliegveld wordt uitgebreid op het grondgebied van Wevelgem aangezien het te dicht lag bij de bebouwde dorpskom van Bissegem. Het omvatte een oppervlakte van 29 ha. en wordt uitgebreid onder minister A. Devéze die meer dan 63 ha. grond in beslag neemt. Met de aanleg van het vliegveld verdwenen verschillende eeuwenoude hofsteden. Door de nabijheid van het vliegveld wordt de gemeente verschillende keren gebombardeerd waarbij o.m. de kerktoren geraakt werd.
Na de Eerste Wereldoorlog wordt bij het vliegveld de vliegschool van de Belgische Krijgsmacht opgericht. Hiervoor wordt er een nieuw ontmoetingscentrum opgetrokken aan de overzijde van de Kortrijksesteenweg; de z.g. "Cercle-Leopold-Kring" wordt gebouwd in 1928.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt het vliegveld veroverd door de Duitse bezetter. In 1944 wordt het heroverd door de geallieerden en in gebruik genomen door de Engelse luchtmacht, in 1946 komt het terug in handen van het Belgische vliegwezen. Vanaf 1962 wordt het vliegveld ook gebruikt voor burgerlijke luchtvaart. In 1969 wordt het militair domein omgevormd tot de burgerlijke luchthaven Kortrijk-Wevelgem. Het meest noordelijk gelegen deel wordt de industriezone Wevelgem Noord.
Door de verlenging van de A17 Doornik-Zeebrugge wordt er tussen 1973 en 1977 een tunnel gegraven onder het vliegveld.

In de loop van 1917 begint de Duitse bezetter met de aanleg van een militair kerkhof op de grens van Wevelgem en Menen. Aan het einde van de oorlog zijn er ca. 6500 soldaten begraven. Na de Tweede Wereldoorlog worden de Duitse militaire begraafplaatsen gereorganiseerd, hierbij worden de stoffelijke resten van 48.000 soldaten overgebracht naar het kerkhof te Menen-Wevelgem. Op het grafveld wordt een nieuwe kapel gebouwd naar ontwerp van architect Robert Tischler. In 1991 worden alle grafstenen vernieuwd.

Wevelgem kent in de eerste helft van de 20ste eeuw een enorme bevolkingsaangroei. Er ontstonden nieuwe wijken en twee nieuwe parochies. Op 9 april 1940 wordt de parochie van "Heilige Theresia van het Kind Jezus" ingewijd. De eerste missen worden opgedragen in een garage en in een omgebouwde vlasschuur. Het huidige kerkgebouw wordt opgetrokken tussen 1960 en 1964.

De derde parochie, "het Onbevlekte Hart van Maria" wordt opgericht in 1959. De eerste missen worden ook hier opgedragen in een omgebouwde schuur. In 1968 begint men met de bouw van een nieuwe kerk naar ontwerp van Dom Hans Van der Laan.

Straatdorp, het oorspronkelijk stratenpatroon is grotendeels bewaard cf. Ferrariskaart (1770-1778). De dorpskern wordt gevormd door de Grote Markt met de Sint-Hilariuskerk en de uitvalswegen Kortrijkstraat, Menenstraat, Lauwestraat, Lode De Boningestraat en Brugstraat.
Bebouwing voornamelijk geconcentreerd rond de uitvalswegen, recente woonuitbreidingen verspreid over het hele grondgebied. Voornamelijk 19de- en 20ste-eeuwse bebouwing bestaande uit breedhuizen, lijstgevels met variërende traveebreedte en één à twee bouwlagen onder pannen zadeldaken. Opvallende aanwezigheid van vlasnijverheid in het straatbeeld, verschillende handelswoningen de z.g. botekoperswoningen, vlashandelaars- of vlasbaronwoningen getypeerd door poorttravee met daarboven een laadluik of -venster waarachter respectievelijk vlaskamer en vlaszolder. Daarnaast ook talrijke valsschuren, veelal monumentaal en beeldbepalend in het straatbeeld.
Buiten de dorpskom, klein en versnipperd hoevebestand. De bewaarde hoeves, voornamelijk gelegen ten oosten van de dorpskern, hebben losstaande bestanddelen en dateren voornamelijk uit de 19de en 20ste eeuw. Enkele hoeves hebben een 17de- of 18de-eeuwse kern. Verschillende hoeves, o.m. de historisch belangrijke hoeves Groot en Klein Vollander verdwenen door de aanleg van industriezone zuid en de autoweg A17/E403. Ook hier arbeiders- en boerenarbeidershuizen met typische laadvensters geconcentreerd rond de verschillende gehuchten waaronder de Kruishoek en de Kijkuithoek.

Dit is West-Vlaanderen, deel III, St.-Andries, 1962, p. 2096-2114.
CHAEMBAERE D., Het verhaal van Wevelgems verdwenen abdij, in Wibilinga, jg. 3, nr. 2, 1990, p. 3-85.
DE SEYN E., Geschied- en aardrijkskundig woordenboek der Belgische gemeenten, s.d., Turnhout, p. 1512-1513.
DAVID F., e.a., Wevelgem in beeld, een terugblik, Wevelgem, 1997.
DESPRIET P., De Sint-Hilariuskerk te Wevelgem, in Wibilinga, jg. 1, nr. 1, 1988, p. 19-31.
HASQUIN H., Gemeenten van België, geschiedkundig en administratief geografisch woordenboek, Brussel, 1980, p. 1221-1222.


Bron     : De Gunsch A. & De Leeuw S. met medewerking van Scheir O. 2005: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Wevelgem, Deelgemeenten Wevelgem, Gullegem en Moorsele, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL15, (onuitgegeven werkdocumenten).
Auteurs :  Agentschap Onroerend Erfgoed


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Wevelgem [online] https://id.erfgoed.net/themas/14564 (Geraadpleegd op 05-12-2020)