Geografisch thema

Houthulst

ID: 14655   URI: https://id.erfgoed.net/themas/14655

Beschrijving

Houthulst gelegen in het noordwesten van West-Vlaanderen is de hoofdgemeente van de fusiegemeente Houthulst. Dit in de tweede helft van de 19de eeuw ontstaan landbouw- en woondorp telt 3661 inwoners (informatie gemeentebestuur Houthulst, januari 2005) en heeft een oppervlakte van 1249 ha (informatie gemeentebestuur, november 2003). Vanaf 1976 vormen Houthulst, Klerken, Merkem en Jonkershove samen de fusiegemeente Houthulst. Voor 1928 behoorde het grondgebied van de huidige deelgemeente Houthulst tot Klerken. Vóór dat jaar wordt in de historische inleidingen dan ook gesproken van de gemeente Klerken-Houthulst.

Houthulst behoort tot de Zandstreek en is gelegen op een uitloper van de zogenaamde 'rug van Westrozebeke' of de centrale heuvelkam van West-Vlaanderen (heuvelrij Geluveld-Staden-Klerken), met een hoogteligging van 10 à 15 m. Houthulst is gelegen op 13,5 km van Diksmuide, 15 km van Roeselare en 16 km van Ieper. De omliggende gemeentes zijn: Zarren (Kortemark) ten noorden, Staden (Staden) ten oosten, Poelkapelle (Langemark-Poelkapelle) ten zuiden en Merkem en Klerken (Houthulst) ten westen.

Houthulst wordt doorsneden door de Zanddambeek en de Corverbeek, deze laatste beek (ook in Merkem) vormt deels de grens met Langemark-Poelkapelle. De beek zou reeds bestaan hebben circa 780, toen het "Vrijbos" in het bezit van de Abdij van Corbie kwam die langs de beek een prioraat bouwt (zie aanduiding "Munneken Herberg" op stafkaart, op grondgebied Poelkapelle, Langemark-Poelkapelle).

De huidige deelgemeente Houthulst situeert zich in het het gebied van het vroegere "Houthulstbusch" dat samen met het "Jonckershovebusch" en het "Milioenen/ Milaenenbusch" het zogenaamd "Vrijbos" vormde. Het zuidoostelijk deel van Houthulst wordt op vandaag nog getypeerd door het genoemde bos (grosso modo ten zuiden van de Stadenstraat en ten oosten van de Poelkapellestraat) en doorsneden door de Zanddambeek. De benaming "Vrijbos" ontstond waarschijnlijk doordat het bos tot circa 1609 onder de hogere jurisdictie van de kasselrij van het Brugse Vrije valt.

Het grondgebied van Houthulst wordt gekenmerkt door een aantal belangrijke elkaar kruisende doorgangswegen, met name Diksmuide-Klerken-Houthulst-Poelkapelle (zie Klerkenstraat en Poelkapellestraat van noord naar zuid), en Merkem-Jonkershove-Houthulst-Staden (Jonkershovestraat, Kerkstraat en Stadenstraat, van west naar oost). Onder het Oostenrijks Bewind (1713-1794) wordt de verbinding tussen Houthulst en Poelkapelle geplaveid, het is niet duidelijk of dit samenvalt met een deel van de huidige Poelkapellestraat. De wegeninfrastructuur krijgt een sterke impuls vanaf circa 1850.

Voor de etymologische verklaring van de naam Houthulst wordt verwezen naar de elfde en de twaalfde eeuw onder de historische inleiding.

HISTORISCHE INLEIDING

Vijfde tot zevende eeuw

Rond de stad Ieper treft men in de vroege Middeleeuwen een gordel van kleinere boscomplexen aan als overgang tussen de bossen van Zillebeke en Heuvelland in het zuiden van de provincie en deze van Torhout en Brugge in het noorden. Het "Vrijbos" vormt het noordelijkste boscomplex van het Ieperse en bestaat uit drie delen: het "Jonckershovebusch", het "Milioenen" of "Milaenenbusch" en het "Houthulstbusch". Dit boscomplex strekt zich uit over de huidige deelgemeente Houthulst en gedeelten van de gemeenten Bikschote (Langemark-Poelkapelle), Jonkershove (Houthulst), Klerken (Houthulst), Langemark (Langemark-Poelkapelle), Merkem (Houthulst), Passendale (Zonnebeke), Poelkapelle (Langemark-Poelkapelle), Staden, Westrozebeke (Staden), Woumen (Diksmuide) en Zarren (Kortemark). Dit bos zou in de Vroege Middeleeuwen circa 6000 ha groot geweest zijn. A. Verhulst (Landschap en landbouw in middeleeuws Vlaanderen) geeft 'meer dan 2000 ha' op voor het "Bos van Houthulst" in de 11de eeuw.

Achtste eeuw - negende eeuw

Het boven genoemde boscomplex is reeds vanaf circa 780 volledig eigendom van de Sint-Pietersabdij van Corbie (nabij Amiens, Noord-Frankrijk, gesticht in 657) die er langs de Corverbeek een prioraat sticht. De monniken beheren het bos en maken visvijvers in de laaggelegen gedeelten.

Daarvoor behoort het bos hoogstwaarschijnlijk tot het vroeg-middeleeuws koninklijk bezit. Volgens de zogenaamde "Adelard-traditie" zou Adelard (circa 753-827), zoon van Pepijn de Korte, onder meer dit gebied aan de abdij van Corbie geschonken hebben. In elk geval vormt het "Vrijbos" een uitzondering op de regel dat de graaf heer was over de bossen en woeste gronden in zijn gebied, hieruit kan men concluderen dat dit boscomplex reeds voor de opkomst van de grafelijke macht in het bezit van de abdij moet geweest zijn.

Elfde eeuw

Administratief ressorteert de noordelijke helft van het woud onder de kasselrij van het Brugse Vrije, het zuidelijke gedeelte onder de kasselrij Ieper. De Corverbeek vormt de grens. A. Verhulst (Landschap en landbouw in middeleeuws Vlaanderen) geeft 'meer dan 2000 ha' op voor het "Bos van Houthulst" in de 11de eeuw.

Circa 1030 is er een conflict tussen de graaf van Vlaanderen en de abdij van Corbie waarbij de graaf de Corbie-goederen in Vlaanderen confisqueert. Dit conflict wordt echter bijgelegd wanneer de graaf van Vlaanderen in 1096 mede-eigenaar van het "Vrijbos" wordt. De abdij ziet zich immers verplicht om na de usurpatie door omwonende heren (die het bos als een ideaal jachtgebied beschouwen) en ondanks het aanslepend conflict met de graaf, de bescherming van deze laatste te aanvaarden. De noordelijke helft van het bos vormt vanaf de akte van abt Nikolaas van Corbie in 1096 één van de vijf prinselijke 'waranden' of jachtgebieden. Het zuidelijke deel blijft in handen van de abdij van Corbie. Het bosgebied heet in de akte "in Walnensi Nemore Out-hulst" / "Nemus Walnense" wat men zou kunnen vertalen als 'Houthulst in het bos van Woumen'. Deze akte waaruit blijkt dat het bos niet door de inwoners als weidegebied mocht gebruikt worden, wordt in 1201 bekrachtigd door graaf Boudewijn van Constantinopel. De opbrengst van het bos, met uitzondering van de jacht, wordt tussen beide eigenaars verdeeld. Het bos levert onder meer brand- en constructiehout. Voor de graaf is het tevens een uitgelezen jachtdomein. De honing van de wilde bijenzwermen komt de abdij ten goede.
Het bos staat onder toezicht van twee 'forestiers' of houtvesters waarvan elke eigenaar er één aanstelt. De 'forestiers' zorgen voor de inning van de opbrengsten van het bosbeheer en bezitten de lagere juridische bevoegdheid, nl. de inning van boetes voor bosdelicten. De hoge justitie ligt in handen van de baljuw van het Brugse Vrije.

Twaalfde eeuw - dertiende eeuw

In 1151 is het gebied vermeld als "Woltehulst", wat later als "Woudhulst". Deze benaming zou etymologisch te verklaren zijn als 'een wild woud met ruwe gewassen, hulst en ander stekelig hout'.

Het "Bos van Houthulst" vormt een uitzondering op de ontginningsgolf die de Vlaamse bossen tussen 1100 en 1300 kennen, dit onder supervisie van de grote abdijen of van het grafelijk gezag. Zo ontstaat een interne kolonisatie in het Ieperse wanneer Ieper zich ontwikkelt tot een internationaal handelscentrum, met talrijke ontginningsdorpen tussen 1100 en 1150. Het is dan ook uitzonderlijk dat er rond het prioraat "Ter Meunicken" geen dorp tot ontwikkeling komt. Dit is te wijten aan de conflictueuze opsplitsing van het woud tussen de abdij van Corbie en de graaf van Vlaanderen (zie de overeenkomst van 1096). Het "Bos van Houthulst" zal dan ook tot aan het begin van de 19de eeuw behoren tot de onontgonnen 'restbossen'.
Toch is er reeds in de 12de eeuw roofbouw doordat de omwonenden de bosrand benutten voor eigen profijt. Zo ontstaan op verschillende plaatsen in het woud "terrae vacuae" die stilaan heidegebied worden. Ook in Woumen (Diksmuide) en Klerken (Houthulst) vindt een dergelijke wilde ontginning - onder meer het steken van turf - plaats. Het moeras "de Blankaart" te Woumen ontstaat uit deze turfstekerijen. Dat deze bosroofbouw een constante is in de geschiedenis van het bos blijkt uit de vele ordonnanties en maatregelen die in de loop der tijden uitgevaardigd zijn.

Veertiende eeuw

In de 14de eeuw zijn Philippe de Craene en Jacquemart van de Vael (aangesteld in 1377) de 'forestiers' van het "Vrijbos". Geleidelijk aan zal het graafschap Vlaanderen het zeggenschap over het woud meer en meer naar zich toehalen. In 1377 is er voor het eerst sprake van "Houthulst", in 1397 wordt het "Outhulst".

Vijftiende eeuw - zestiende eeuw

In 1414 koopt Jan van den Berghe, heer van Watervliet te Langemark, een leen van de graaf van Vlaanderen waardoor hij de titel van erfachtig 'forestier' van Houthulst verkrijgt. In 1535 is Joos van den Berghe 'forestier' en in 1559 Ghislain van den Berghe. Dit ambt blijft in de familie van den Berghe tot in de 16de eeuw de protestantsgezinde 'forestier' Filips door de Spanjaarden wordt verbannen.

In 1555 betwist de graaf van Vlaanderen het recht van de Stadenaars (Staden) om hout te kappen in het "Vrijbos". De Stadenaars kunnen uiteindelijk dit oude recht behouden.

1566: het prioraat "Ter Meunicken" zou vernietigd zijn door de beeldenstormers. Op de "Carte des Environs de Dunkerque, Bergue (...) Menin, Ypres, Dixmude, &C." van 1743 (uitgegeven te Parijs, mogelijk een weergave van een oudere toestand wanneer de kasselrij Ieper nog in Franse handen was) aangegeven als "Meuninck AB(bayie) ruinée". Deze plaats wordt op de Ferrariskaart (1770-1778) aangeduid als "C(en)se het Meuncken" (op grondgebied Langemark-Poelkapelle).

In 1559 verkoopt de abt van Corbie de helft van het "Vrijbos" aan Govaert de Bocholtz de Grevenbrouck. In 1568 wordt het deel van de graaf eveneens aan deze edelman verkocht. Deze transactie wordt echter vernietigd, waardoor deze helft in handen van de graaf blijft.

Bij de herverdeling van de bisdommen in 1559 gaat het gebied waarin Houthulst ligt over van het bisdom Terwaan naar dat van Ieper.

Zeventiende eeuw

In 1609 wordt een nieuwe overeenkomst gesloten tussen de aartshertogen Albrecht en Isabella, en Arnould Huyn van Amsterade, gehuwd met de dochter van de Bocholtz de Grevenbrouck. Het deel van het "Vrijbos" in het bezit van Huyn wordt gewisseld tegen bezittingen van de hertogen in Limburg zodat het bos volledig in overheidsbezit komt. Vanaf de 17de eeuw kijkt het centrale gezag veel nauwer toe op het beheer van het bos (dit blijkt al uit een ordonnantie in 1609). Zo worden regelmatig ordonnanties, met het oog op de bescherming van het "Bos van Houthulst", gedecreteerd, en wordt het beheer en de aanstelling van de 'forestiers' toegewezen aan de baljuw en de schepenen van de kasselrij Ieper. Het Brugse Vrije (een stuk van het bos ligt op dit grondgebied, de hoge justitie gaat in 1610 over naar de kasselrij Ieper) krijgt weinig verantwoordelijkheid in het beheer van het woud. De frustratie hieromtrent groeit nog wanneer de kasselrij Ieper in 1625 het recht verkrijgt om belastingen te heffen op het bos.

Door de Vrede van Nijmegen in 1678 na de Spaans-Franse oorlog, krijgt Lodewijk XIV de kasselrij Ieper in zijn bezit terwijl het Brugse Vrije onder Spaanse heerschappij blijft. Al heeft Frankrijk enkel recht op het zuidelijke deel van het "Bos van Houthulst", Lodewijk XIV eist toch het volledige woud op en verkrijgt dit ook.
In 1686 eerste vermelding van de "molen te Terrest bij Clercken" als een graanwindmolen (De Flou).

In 1687 scheert de ontbossing aan de rand hoge toppen: te Klerken is het bos tussen "Het Verloren goet" (cf. Ferrariskaart) en de "Buschbaillie" volledig gerooid. Hierop worden alle landerijen bij het koninklijke domein gevoegd.

In 1693 wordt te Ieper een "Maîtrise des Eaux et Forets" opgericht om het toezicht op het bos te optimaliseren.

Achttiende eeuw

Onder het Oostenrijks bestuur (1713-1794) komt de kasselrij Ieper en dus ook het "Bos van Houthulst" terug bij de Nederlanden. In deze periode van economische hoogconjunctuur wordt de weg tussen Houthulst en Poelkapelle geplaveid, mogelijk gaat het onder meer om de huidige Beukhoutstraat en het deel van de huidige Poelkapellestraat tussen Jonkershovestraat/ Kerkstraat en de Melanedreef. De eerste bedoeling was om het transport van bomen vanuit het als staatsdomein geëxploiteerde "Vrijbos" te vergemakkelijken.

De sterker wordende centrale supervisie vertaalt zich in een intensere exploitatie met een opdeling van het bos in zestien delen, waarvan periodiek stukken worden gerooid en heraangeplant. Toch zou vooral vanaf 1725 het fenomeen van de illegale vestiging van "boskanters" aan de bosrand aan belang winnen en leiden tot een bijna industriële houtexploitatie, met vooral productie van bezems.

Rond het "Vrijbos" is een diepe gracht gegraven en met de uitgegraven aarde een binnendijk aangelegd om te verhinderen dat men zich in het bos zou vestigen (vermoedelijk ontstaan in de 17de-18de eeuw, duidelijk afleesbaar op de Ferrariskaart van 1770-1778). Deze 12 km lange ringgracht krijgt de benaming "boswaer" of "bosweer" ("ware" = waterloop). De dreven die het bos doorkruisen, worden afgesloten door een balie of afsluitboom.

Omdat de "buskanters" of "delinquents" het gebied naast deze "boswaer" in de loop der tijd in gebruik nemen, neemt landvoogd Karel van Lotharingen in 1756 strenge maatregelen tegen de illegale exploitatie. Bebouwing en landbouwactiviteit worden in een halve mijl rondom de dijk verboden. Dit gaat gepaard met een afbraakpolitiek van woningen te Merkem (Houthulst), Woumen (Diksmuide), Klerken (Houthulst), Handzame en Zarren (Kortemark) (precieze lijsten geven het aantal woningen, volwassenen, kinderen, en het vee per parochie weer). De felle reacties hiertegen van de bewoners worden gesteund door de dorpspastoors. Ook van het Brugse Vrije komt er protest: de daklozen konden onmogelijk door de 'dis' van de diverse gebieden onderhouden worden, en zouden op hun beurt aankloppen bij de "generaliteyt van het Brugse Vrije". De kasselrij Ieper tekent eveneens bezwaar aan omwille van financiële redenen en het verlies van landbouwgrond. De kasselrijen kunnen het bevel tot afbraak tot maximaal één vijfde laten reduceren. Toch worden tussen 194 en 300 personen dakloos.

Ondanks de strenge maatregelen blijven de omwonenden echter roofbouw plegen. Keizer Jozef II vervangt in 1788 de "Maîtrise des Eaux et Forets" door een "Bailliage" genaamd "Ter Meunicken", eveneens met zetel te Ieper. De 'woudmeesters' gebruiken tussen 1770 en 1780 genoodzaakt voorgedrukte procesverbalen tegen de vele overtreders.

De Ferrariskaart (1770-1778) toont een nog omvangrijk bosgebied bestaande uit het "Jonckershovebosch", het "Bois de Milaene" en het "Houthulst bosch". De deels stervormige lanenstructuur - aangelegd door de Oostenrijkers in de 18de eeuw- is grotendeels geaxeerd op de priorij van de abdij van Corbie (op deze kaart aangeduid als "C(en)se het Meuneken", alwaar nog hoeve tot 1914, ligt op grondgebied Langemark-Poelkapelle). De perceelsgordel (roofbouw en onwettige landinname) ten noorden, ten oosten en ten zuiden van het bos, - meestal kleine langwerpige percelen - staat loodrecht op de "boswaer". Het "Jonckershovebosch", ten westen en ten noordwesten valt (deels) buiten de "boswaer". Binnen dat bos een aantal landbouwpercelen en een geringe bebouwing (hier later gehucht/ gemeente Jonkershove, zie dorpsinleiding). Even ten noorden van de "boswaer" aanduiding van de "Ter Heist Molen" (alwaar later het gehucht "Terrest"). Op de "Carte des Environs de Dunkerque, Bergue (...) Menin, Ypres, Dixmude, &C." van 1743 (uitgegeven te Parijs, mogelijk een weergave van een oudere toestand wanneer de kasselrij Ieper nog in Franse handen was) is "Ter Heest" ("Terrest") reeds aangeduid (onduidelijk of er op dat moment reeds sprake is van een gehucht), evenals de "Jonkershoven M(olen)".

Door deze illegale ontginningen ontstaan kleine gemeenschappen van zogenaamd "boskanters". Deze bouwen een bestaan op door thuisnijverheid, onder meer het weven, en vooral het maken van bezems. Toch oefenen deze "boskanters" een niet onbelangrijke landbouwactiviteit uit, cf. gegevens over de veestapel.

Gedurende het gehele ancien régime behoudt de abdij van Corbie nog beperkte heerlijke rechten voor de ontgonnen gronden. Tot 1794 worden de wettelijke passeringen geacteerd voor de heerlijkheid "Warnoise-Corbie".

Negentiende eeuw

Onder het Franse bewind (1795-1815) wordt ook in onze contreien beroep gedaan op soldaten en weerbare mannen. De 'bloedwet' van 24 september 1798 impliceert loting en gedwongen legerdienst, in tegenstelling tot het vroeger systeem met vrijwilligers. Na de Franse nederlaag in de volkerenslag bij Leipzig (1813), worden nieuwe recruten opgeroepen om de verliezen aan te vullen. Deserteurs verschuilen zich steeds vaker in hoeves en bossen op het platteland. Ook in het uitgestrekte "Vrijbos" duiken gedeserteerde soldaten, maar ook bandieten onder. De gebeurtenissen rond de bende van Ludovicus Bakelandt (in 1774 geboren te Lendelede) groeien uit tot een heuse legende waardoor het bos een slechte reputatie krijgt als roversnest of "Moordenaarspays".

In 1801 gaat het gebied waarin Houthulst ligt over naar het bisdom Gent, om in 1834 te ressorteren onder het bisdom Brugge.

Circa 1814 is het bezembinden een erg belangrijke activiteit van de "boskanters". Voor de crisis van de jaren 1840 is de boskantersbevolking echter nog duidelijk sedentair. De gehuchten aan de bosrand (op de grens van Houthulst en Klerken onder meer "Hoogkwartier") leggen zich volledig toe op het bezembinden. In 1833 wordt Klerken door een visitatie van de Torhoutse deken als een arme parochie gezien. De "Boskant" (het huidige Houthulst) weegt hierin door.

Onder het Hollandse bewind (1815-1830) is het bos nog ongeveer 1900 ha groot. Het bos wordt vanaf 1826 in percelen aan particulieren verkocht en verkaveld door het speciaal hiervoor opgerichte "Amortisatie Syndikaat". Vele grondbezitters verwerven een eigendom te Klerken-Houthulst. Zo koopt Jan-Pieter Cassiers (in 1788 geboren te Antwerpen, gestorven in 1870, gehuwd met Caroline Joséphine-Charles-Marie, burggravin de Patin de Langemarck, geboren te Langemark in 1823, gestorven in 1882) - reeds eigenaar van honderden ha landerijen en bossen in midden West-Vlaanderen - in 1838 een stuk bosgrond, dit met het oog op bosopbrengst. Toch blijft de roofbouw ook in de 19de eeuw een constante, zowel ten nadele van privaat als van staatseigendom.

De grootscheepse privatiseringsgolf leidt tot ontbossing en de bouw van een drietal landhuizen of kastelen: het kasteel van Cassiers in 1848 (in de nabijheid van zijn enkele jaren eerder opgetrokken jachtpaviljoen), het Melanekasteel (zie Merkem) en het kasteel in 'Second Empirestijl' (eind 19de eeuw) van de Parijse familie Cotteau de Patin de Simencourt (hoek Melanedreef en Poelkapellestraat) tussen beide kastelen in. Deze private eigenaars gaan het bos sterker beschermen tegen roofbouw, waardoor de bezembinders zich niet langer kunnen bevoorraden.

De economische crisis van de jaren 1840 - zowel een landbouw- als textielcrisis (thuisnijverheid) - komt dan ook zwaar aan in het gebied. De "boskanters" worden soms gedwongen tot landloperij en bedelarij. Door de privatisering komt er definitief een einde aan de sedentaire "boskanter" of bezembinder. In de plaats hiervan komt seizoensmigratie met leurders of 'voyageurs', foorreizigers, scharenslijpers enz. Op een gegeven moment trekken er jaarlijks circa 300 Houthulstenaars met ezel en kar op pad om hun zelfgemaakte bezems, garen, linten en gebruiksvoorwerpen te verkopen. Tevens is seizoensarbeid erg belangrijk vanaf het midden van de 19de eeuw: de bieten- en vlasoogst in Frankrijk, de hoppepluk in Poperinge en de cichorei-oogst.

Op de Atlas der Buurtwegen van Klerken-Houthulst (circa 1843) zijn de gehuchten "Zwartegat" (grens Jonkershove en Klerken), "Pierkenshoek", "Hoogkwartier" (grens van Klerken en het huidige Houthulst), "Terrest" (Houthulst) en "Clercken Smisse" (Klerken) aangeduid, op de grens met het gebied van het "Vrijbos". Van het gehucht Houthulst is nog geen sprake. Het tracé van de latere 'rijksweg' is reeds aangeduid op de Atlas.

Nog in 1848 kan Cassiers - een katholiek met interesse voor de sociale kwestie, gesteund door de bisschop - zich tot burgemeester van de gemeente Klerken-Houthulst laten benoemen (later wordt hij ook tot senator verkozen). Eén van zijn eerste aandachtspunten is de uitbreiding van de wegeninfrastructuur. Voordien beperkte het wegennet te Houthulst zich tot voetwegels met onduidelijke passagerechten. Houthulst is tot circa 1850 dan ook moeilijk toegankelijk. De gemeente Klerken wil de verbinding Diksmuide-Esen-Klerken-Poelkapelle (zie Klerkenstraat en Poelkapellestraat) enkel mede financieren op voorwaarde dat de weg Klerken-dorp en het gehucht "Hoogkwartier" (grens Klerken en het huidige Houthulst) aandoet, met het oog op de bereikbaarheid van de twee oliemolens, de graanmolen, de brouwerij en de wagenmakerij van dit gehucht. De bedoeling was ook dat deze weg de bosexploitatie zou vergemakkelijken en werk zou verschaffen tijdens het crisisjaar 1848. Een ander tracé via de bestaande weg Poelkapelle-prioraat "Ter Muneken", en dan via de Stokstraat (Klerken) naar Klerken wordt afgewezen. De in 1853 volgens het plan Cassiers aangelegde weg Diksmuide-Poelkapelle maakt ook het kasteel van Cassiers en de plaats waar hij de parochie Houthulst zal stichten bereikbaar. In 1854 koopt Cassiers ook het resterende stuk bos, zo wordt hij de belangrijkste grootgrondbezitter te Klerken-Houthulst.

Hieropvolgend ontwikkelt Jan-Pieter Cassiers tussen 1853 en 1857 een parochie- en dorpsstructuur, het latere Houthulst ten zuidoosten van de gehuchten "Terrest" (Houthulst) en "Hoogkwartier" (grens Klerken en het huidige Houthulst). Cassiers krijgt hiervoor steun van bisschop Malou, op voorwaarde dat nog twee wegen aangelegd worden, om zo de nieuwe parochiestichting bij de minister aanvaardbaar te maken. Eén van deze twee wegen is de huidige Kerkstraat (1856). Er worden een kerk en twee kloosterscholen gebouwd nabij het kasteel Cassiers. Eerst zijn er plannen voor een succursale kapel afhankelijk van Klerken. Uiteindelijk wordt Houthulst in 1857 een onafhankelijke parochie met een eigen kerk, nadat de parochie Klerken het armste deel van zijn grondgebied had afgestaan (Cassiers weigert echter het gehucht "Pierkenshoek" erbij te nemen omdat er al genoeg arme mensen in Houthulst waren). De neogotische Sint-Jan Baptistkerk wordt in de periode 1857-1868 gebouwd naar ontwerp van provinciaal architect Pierre Buyck (Brugge), zie de bewaarde 'eerste steen' in de huidige kerk, 21 oktober 1858). De jongensschool wordt bestuurd door de Broeders Xaverianen van Brugge, en de meisjesschool door de Zusters van het Heilig Hart van Maria (Vladslo of Lendelede). Er komt tevens een kostschool voor leurderskinderen.

Dit alles resulteert in een kruisende wegenstructuur: van west naar oost de Kerkstraat en de Stadenstraat met een uitstulpende bocht naar het zuiden, op deze bocht sluit naar het zuiden een straat aan naar de laan (parallel met Kerk- en Stadenstraat) waarop het kasteel van Houthulst gericht is, de Terreststraat vanaf de Kerkstraat naar het noorden toe. Hoger genoemde bocht omsluit een complex, waarschijnlijk van klooster en scho(o)l(en). Ten zuiden van deze bocht georiënteerde kerk haaks op de straat naar het zuiden. Naast de aanleg van een nieuwe wegenstructuur, gaan een aantal oude wegenstructuren teloor. In 1877 wordt de Kerkstraat geplaveid en ten westen doorgetrokken naar de Jonkershovestraat en ten oosten naar Staden (cf. Stadenstraat). De kasteelheer en zijn echtgenote trachten het welzijn van de plaatselijke bevolking te verhogen. Zo laten zij onder meer bouwvallige huizen herstellen. Ook te Klerken is senator/ burgemeester Cassiers in die zin actief, onder meer met de oprichting van een "Werk-comité" in 1849 om de crisis in de vlasnijverheid aldaar te bestrijden (zie dorpsinleiding Klerken).

In 1880 richt mevrouw Cassiers een Lourdesgrot op in het zogenaamd "Rotsebos" (een deel van het "Vrijbos"). Mogelijk is dit de eerste grot in België die aan Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes toegewijd is.

Na de dood van weduwe Cassiers in 1882 (senator Cassiers stierf in 1870) wordt het totale eigendom van het kinderloze echtpaar in vijf verdeeld: het kasteel met een deel van het park en vier andere delen met landerijen en bossen. Raymond de Groote (geboren te Roeselare in 1827 - overleden te Diksmuide in 1892) - toezichter in dienst van de familie - krijgt voorrang bij de keuze van één van de vijf delen van de erfenis en kiest het kasteel dat tot op vandaag zijn naam draagt.

Twintigste eeuw

Eugène de Groote (geboren te Diksmuide in 1861 - overleden te Houthulst in 1951, zoon van Raymond) is burgemeester van Klerken-Houthulst in de periode 1902-1914.

Reeds in 1889 leeft het idee om een tramlijn aan te leggen tussen Diksmuide en Roeselare. In 1901 worden de plannen hiervoor opgemaakt en in 1904 of 1911 rijdt de tram van Roeselare, over Staden en Houthulst, naar Klerken en dan richting Woumen (Diksmuide) en Diksmuide. Vanaf 16 oktober 1914 wordt deze stoomtram niet meer gebruikt, tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt de lijn zwaar beschadigd.

Op het grondgebied Klerken-Houthulst stonden ooit veertien windmolens. Vóór de Eerste Wereldoorlog telt Klerken-Houthulst nog vijf molens op wat tegenwoordig grondgebied Klerken is (zie onder dorpsinleiding Klerken). Op het huidige grondgebied Houthulst staan vóór de Eerste Wereldoorlog twee molens op het op een hoogte gelegen gehucht "Terrest". Het "Bos van Houthulst" was net voor de Eerste Wereldoorlog nog circa 1000 ha groot.

Eerste Wereldoorlog

Aangezien Houthulst in het frontgebied gelegen is, heeft de Eerste Wereldoorlog en de daarmee samenhangende vernietiging een belangrijke impact op het dorp. Niet enkel de Sint-Jan Baptistkerk en het "kasteel de Groote", maar gans het dorp wordt vernietigd. 12 september 1914: een groep van 200 à 300 Duitse soldaten zijn aangekomen in het nabijgelegen Zarren (Kortemark) en Staden. 13 september 1914: Belgische soldaten vallen de Duitsers in de rug aan waardoor deze vluchten in de richting van Jonkershove en Merkem. Te Houthulst vallen er dertien doden. 16 september 1914: drie Duitse soldaten, die zich in het "Bos van Houthulst" verscholen hadden, worden opgepakt. 12 oktober 1914: de bevolking van Staden en Houthulst slaat in paniek op de vlucht. Vanaf 14 oktober 1914: na de val van Brugge beslist Koning Albert I de linker oever van de IJzer te versterken en bruggenhoofden op de rechter oever uit te bouwen. De verdeling van het Belgische leger op 15 oktober ziet er als volgt uit: de Eerste, Tweede en Vierde Divisie achter de IJzer, delen van de Derde Divisie gestationeerd te Lampernisse (Diksmuide) als reserve, de Vijfde en de Zesde Divisie respectievelijk ten noorden en ten zuiden van het "Bos van Houthulst" (Houthulst). Op 16 oktober trekken de Vijfde en Zesde Divisie zich echter al terug achter het kanaal Ieper- IJzer of de Ieperlee. Het Belgische front langs de IJzer en het kanaal Ieper-IJzer, 39 km tussen Nieuwpoort en Boezinge (Ieper) is in zes sectoren ingedeeld. Vooral de sector vanaf Sint-Jacobskapelle (Diksmuide) tot de Drie Grachten (kanaal Ieper-IJzer, Noordschote (Lo-Reninge) en Merkem (Houthulst) is van belang voor de fusiegemeente Houthulst. De Vijfde divisie staat ook korte tijd in voor het bruggenhoofd Luigem (Merkem). 16 oktober 1914: de Duitse bezetter komt aan in Houthulst. 17 oktober 1914: de Duitsers nemen de kerk van Klerken in die dienst doet als paardenstal, er worden kanonnen in stelling geplaatst op de markt van waaruit ze Diksmuide beschieten. Plots vluchten de Duitse soldaten naar Houthulst. De Fransen nemen Klerken in. De Duitsers richten de twee molens van het op een hoogte gelegen gehucht "Terrest" als observatiepost in. De Belgische soldaten heroveren de molens op de Duitsers. In de namiddag beschieten de Duitsers Houthulst vanuit Amersvelde en Sint-Jozef (waarschijnlijk Zarren, Kortemark), hierdoor branden de molens van "Terrest" en de herberg "Oud Terrest" af. Ook het klooster van Houthulst wordt beschoten. Een deel van de zusters vlucht naar Merkem en zal later doortrekken naar Frankrijk. De broeders Xaverianen waren gevlucht naar Engeland. 18 oktober 1914: de Fransen beschieten Houthulst vanuit Klerken. Een tweede groep zusters vlucht naar het gasthuis van Klerken. Op 21 oktober 1914 valt het "Bos van Houthulst" ondanks hevige weerstand van de Belgische soldaten in Duitse handen. Hieropvolgend plunderen de Duitsers de leegstaande huizen. De Duitse slachtoffers van de verovering van het bos worden op 26 oktober in de boomgaard van het klooster van Houthulst begraven. Op 23 november 1914 zijn alle burgers gevlucht of door de Duitsers weggevoerd. Het dorp Klerken-Houthulst ligt plat door de veelvuldige beschietingen. De Duitsers nemen hun intrek in de nog rechtstaande gebouwen en richten het "Bos van Houthulst" - belangrijk omwille van zijn hoogteligging op een uitloper van de 'rug van Westrozebeke - in als een knooppunt van verdedigingswerken met loopgraven en prikkeldraadversperringen. Er wordt een netwerk van spoorwegen (aansluitend op de spoorlijn Staden-Westrozebeke) aangelegd met het oog op materiaalaanvoer en -afvoer naar de nabije eerste Duitse linie, zogenaamd "Brabantlinie" (zie onder Merkem en Jonkershove). Er wordt een verzorgingscentrum voor gewonden en een uitkijkpost geïnstalleerd in het "kasteel de Groote" (zie Eugène de Grootelaan nummers 64-66). Tevens zijn er een funerarium, meerdere begraafplaatsen, boskapellen, toneelzaaltjes, oefenvelden enz. in het bos. Van hieruit wordt Ieper op 22 november 1914 door Duitse kanonnen beschoten, met de verwoesting van de Lakenhalle en de Sint-Maartenskathedraal tot gevolg. Doorheen Merkem en Jonkershove loopt de eerste Duitse linie, de zogenaamd "Brabantlinie" (ongeveer ter hoogte van de Iepersteenweg, zie Heugstraat en Iepersteenweg onder Jonkershove Merkem). Ter hoogte van de Neerloopstraat (afdalend tracé vanaf het op een hoogte gelegen gehucht "Terrest", deel van de 'rug van Westrozebeke', ten oosten van het bos), bewaarde bunker van de eerste Duitse linie van de "Flandern II Stellung". Tussen de "Brabantlinie" en genoemde stelling in lagen nog de "Preussenstellung" en de "Bayernstellung". Tussen het gehucht Jonkershove en het kleinere gehucht "Zwartegat" (grens Jonkershove en Klerken), een aantal bewaarde Duitse schuilplaatsen (zie Zuid Torhoutstraat onder Jonkershove), bij munitiedepot zogenaamd "Zwartegat", bereikbaar via spoorwegen vanuit het bos.

Bevrijdingsoffensief 1917-1918: de geallieerden (de Britten) proberen meermaals om de Duitse stellingen te veroveren maar telkens zonder resultaat. Zo naderen ze tijdens het offensief van 1917 tot de zuidelijke rand van het "Bos van Houthulst", maar het gewonnen terrein gaat verloren bij een zwaar tegenoffensief van de Duitsers in april 1918. Bij het eindoffensief van 28 september 1918, waar een groot deel van het Belgische leger (de zogenaamde "legergroep Vlaanderen") aan deelneemt, samen met een aantal Engelse en Franse divisies, onder de gezamenlijke leiding van Koning Albert I, wordt de herovering van het "Bos van Houthulst" als een cruciaal punt gezien. De 7de Infanteriedivisie (bestaande uit het 4de, het 23ste en het 24ste Linieregiment) onder leiding van Generaal-Majoor Van Acker herovert het bos, echter niet zonder aanzienlijke verliezen.

Wederopbouwperiode

Eugène de Groote (voormalig burgemeester van Klerken-Houthulst) wordt in 1919 aangesteld als Hoog Koninklijk Commissaris voor de wederopbouw van de Noorderstreek of -gewest.

Na de vernietiging van Houthulst ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog, worden er vanuit de Dienst der Verwoeste Gewesten subsidies toegekend om het wegennet, de infrastructuur, woningen, hoeves, handelspanden, de kerk enzomeer her op te bouwen. De meeste woningen, handelspanden en hoeves worden heropgebouwd naar ontwerp van architecten M. Dinnewet (Brugge), A. Golenvaux (Brussel) en U. D' Helft (Brugge). De meer prestigieuze projecten, zoals de kerk, de pastorie, de onderpastorie, het klooster, de school, en naar verluidt ook het "kasteel de Groote" worden hoofdzakelijk heropgebouwd naar ontwerp van architect Jozef Viérin (Brugge), al dan niet in samenwerking met zijn zoon Luc Viérin. Het gemeentehuis - na de afscheiding van Klerken in 1928 -, ook naar ontwerp van Viérin, wordt plechtig ingehuldigd op 27 september 1936 (zie Terreststraat nummer 2).

De Sint-Jan Baptistkerk (zie 4de-Liniestraat zonder nummer) wordt tengevolge van het nieuwe rooilijnenplan iets noordelijker heropgebouwd. Rond de kerk bevindt zich het 'nieuw kerkhof', aan de overkant van de straat is een deel van het 'oud kerkhof' bewaard. Hierbij wordt de vooroorlogse wegenstructuur uitgebreid: de bocht van de Kerkstraat en de Stadenstraat wordt behouden, maar wordt ten noorden aangevuld met een straat (23e-Liniestraat) waardoor een driehoekig perceel ontstaat (4e-Liniestraat, 7e-Artilleriestraat en 23e-Liniestraat) waarop de kerk wordt heropgebouwd. Het klooster (op vandaag afgebroken, school daarvan mogelijk nog bewaard, zie Terreststraat nummer 10 B) komt aan de noordzijde van deze driehoek te liggen. De straat tussen de kerk en de laan met het kasteel (Eugène de Grootelaan) wordt ontdubbeld in 4e-Liniestraat en 24e-Liniestraat, het tussenliggende perceel vormt een marktplein met gras. Het vernietigde landhuis van de Parijse familie Cotteau de Patin de Simencourt wordt niet heropgebouwd.

Tijdens de oorlog was nog eens 9/10 van de nog resterende 1000 ha van het "Bos van Houthulst" vernietigd. Alle bomen moeten geveld worden, het terrein moet ontmijnd worden. Slechts 370 ha wordt in 1920-1922 herbebost. Een deel van het restende bos wordt in 1921 ingenomen als militair domein, waarbij bijkomende gebouwen en wegeninfrastructuur ingericht wordt (op de grens van Houthulst en Langemark-Poelkapelle). Na aanvankelijk optimistische prognoses over de opruiming van oorlogsmunitie wordt in 1923 beslist om binnen het Belgisch leger een permanente "Dienst voor Vernietiging van Munitie" op te richten (het huidige DOVO).

Op grondgebied van Houthulst bevinden zich na de oorlog ook diverse Duitse en kleine Belgische begraafplaatsen en veldgraven. Ongeveer de helft van de geïdentificeerde Belgische doden worden gerepatrieerd naar hun dorp van herkomst. Voor de niet gerepatrieerde Belgische soldaten wordt in 1923 door de staat een stuk landbouwgrond aan de bosrand aangekocht, als referentie aan de plaats van het eindoffensief. In 1924-1925 wordt hier de Belgische Militaire Begraafplaats ingericht, naar ontwerp van architecten Blondeau en Moreau van de Dienst Militaire Grafsteden (Brugge). Het grondgebied van Houthulst wordt tevens gekenmerkt door talrijke oorlogsgedenktekens, ingehuldigd na de Eerste en de Tweede Wereldoorlog (zie aldaar). Ook een aantal Duitse bunkers zijn bewaard, onder meer aan de noordzijde van het "Bos van Houthulst" (zie Stadenstraat zonder nummer) en ook aan de zuidzijde (zie Groenebosdreef zonder nummer, bij nummer 3). Ook op het militair domein zijn een aantal bunkers bewaard, echter alle op grondgebied van Poelkapelle (Langemark-Poelkapelle).

Op 11 april 1928 wordt het gehucht Houthulst als afzonderlijke gemeente van Klerken afgescheiden, volgens de grenzen vastgesteld in de gemeenteraad in 1926. Eugène de Groote, die had geijverd voor de afsplitsing, wordt in 1928 aangesteld als burgemeester. Na de dood van Eugène de Groote komt het kasteel in handen van zijn zoon Hubert.

De ambulante handel zal zich verder ontwikkelen in de 20ste eeuw, er vindt een evolutie plaats van paard en kar naar gemotoriseerd. In het interbellum is één derde van de Houthulstse beroepsbevolking actief in de leurhandel. Ook de foorreizigers vormen een belangrijke groep in de 20ste eeuw. De woonwagenbewoning houdt te Houthulst stand tot in de tweede helft van de 20ste eeuw. Ook de ambulante ambachtslui zoals bijvoorbeeld scharenslijpers, vormen een belangrijke groep. Tevens zijn er de seizoensarbeiders of "franschmans" (onder meer de hoppepluk in Poperinge en de bietenoogst in Noord-Frankrijk).

In de jaren 1930 zijn er economische initiatieven om de plaatselijke tewerkstelling te verhogen zoals de oprichting te Houthulst in 1930 van een bijhuis van de Eernegemse firma "L'Alimentaire belge", die groenten laat telen bij lokale landbouwers en deze vervolgens verwerkt en inblikt. Bedoeld als alternatief voor de alomtegenwoordige seizoensarbeid, gaat dit initiatief na minder dan een jaar ter ziele. In 1938 wordt Hubert de Groote (zoon van Eugène, geboren te Klerken in 1899 - overleden te Houthulst in 1986) burgemeester van Houthulst.

In 1933 wordt de stoomtram op de lijn Roeselare-Staden-Houthulst-Klerken-Woumen-Diksmuide vervangen door een mazouttram.

Vanaf de Tweede Wereldoorlog tot heden

Tijdens de Tweede Wereldoorlog worden een aantal bospercelen gekapt omwille van de schaarste aan hout. Verder lijdt de gemeente Houthulst weinig oorlogsschade. Hubert de Groote (eigenaar van het kasteel) speelt een belangrijke rol in het verzet. Hij wordt in 1943 vogelvrij verklaard nadat hij een Duits munitiedepot tot ontploffing had gebracht. Hij helpt ook Britse en Franse piloten onderduiken. Hubert wordt samen met zijn twee broers opgepakt en naar een concentratiekamp gebracht. Enkel Hubert kan ontsnappen.

In 1942 krijgt de nu zelfstandige gemeente Houthulst een aparte Atlas der Buurtwegen.

Na de geallieerde landing in Normandië (juni 1944) wijkt de Duitse bezetter voor zijn V1-lanceerbases uit naar België. Aanvankelijk zijn er een dertigtal lanceerbasissen gepland, maar uiteindelijk worden het er vier, met name te Torhout, Proven, Krombeke (Poperinge) en te Houthulst nabij het "Vrijbos". Bedoeling was om vanaf deze bases V1-raketten op Londen af te vuren. De basis te Houthulst - naar verluidt gebouwd door Russische krijgsgevangenen (kamp te Langemark-Poelkapelle) raakt echter nooit af (zie onder ruimtelijke structuur en bouwkundig erfgoed).

In maart 1945 lopen Houthulst en omgeving zware schade op door een ontploffing in het DOVO.

Na de Tweede Wereldoorlog worden heel wat oorlogsgedenktekens opgericht, vooral herinnerend aan de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Of de naamgeving van straten verwijzend naar de regimenten van het eindoffensief van 1918, ook in deze periode ontstaat, is onduidelijk. Deze straatnamen zijn alleszins nog niet aangeduid op de Atlas der buurtwegen van 1942. Zo wordt in 1946 in de nabijheid van de kerk een oorlogsgedenkteken, zogenaamd "De Stervende man" opgericht, voor de burgerlijke en militaire doden van beide wereldoorlogen (zie 23ste-Liniestraat zonder nummer). Ook de gedenktuil voor de 2de en de 22ste Linie (zie Beukhoutstraat) dateert van dat jaar. In 1949 wordt de gedenkzuil voor het 4de, 23ste, 24ste Linie-, de 7de Artillerie- en het 7de Genieregiment opgericht. In de jaren 1950 worden alle stoffelijke resten van Duitse doden in het "Bos van Houthulst" naar de Duitse begraafplaats van Langemark overgebracht. In 1951 wordt de tramlijn Roeselare-Staden-Houthulst-Klerken-Woumen-Diksmuide opgedoekt.

Na de Tweede Wereldoorlog rest er slechts circa 350 ha van het "Bos van Houthulst". Het grootste deel hiervan is militair domein, alwaar de ontmijningsdienst (DOVO) gelegerd is. Aan het begin van de jaren 1950 is er echter nog een gedeelte van het bos ten westen van de Poelkapellestraat bewaard, zie bewaarde briefwisseling archief Monumenten en Landschappen over het rooien van bomen en het omzetten van bosgrond in landbouwgrond. Na de Tweede Wereldoorlog wordt het oorspronkelijk domein van het tijdens de Eerste Wereldoorlog vernietigde landhuis van de Parijse familie Cotteau de Patin de Simencourt opgekocht door het gemeentebestuur van Houthulst om er een industriezone aan te leggen.

De leurhandel, waarvoor de inwoners van Houthulst (en ook die van Klerken) bekend stonden, blijft minimaal duren tot halverwege de 20ste eeuw. In 1955 wordt een leurdersbond opgericht.

Het deel van het gehucht "Terrest" ten noorden van de Slijpstraat/ Terrestdreef dat tot grondgebied Zarren behoorde wordt in 1970 samen met een deel van Staden bij Houthulst gevoegd. In 1976 worden Houthulst, Klerken, Merkem en Jonkershove samengevoegd tot de fusiegemeente Houthulst, met als hoofdgemeente Houthulst. Hubert de Groote blijft burgemeester van Houthulst tot 1979.

RUIMTELIJKE STRUCTUUR EN BOUWKUNDIG ERFGOED

Door zijn ligging in het frontgebied wordt Houthulst tijdens de Eerste Wereldoorlog bijna volledig vernietigd, één hoeve met bewaarde 19de-eeuwse kern bij de grens met Zarren (Kortemark) niet te na gesproken. Het bouwkundig erfgoed wordt er dan ook volledig getypeerd door een sobere wederopbouwarchitectuur. In de wederopbouw van kerk, klooster, kasteel, hoeves, (boeren)arbeidershuizen wordt een staalkaart gegeven van wederopbouwarchitectuur. De wederopbouw van het kasteel vormt eerder een uitzondering binnen de kastelengordel van het Ieperse: het roodbakstenen kasteel grijpt niet terug naar een vormentaal gebaseerd op de regionalistische baksteenbouw en de neo-Vlaamse renaissance, maar eerder op het vooroorlogse eclectische model, echter met toevoeging van een veel zwaardere 'barokke' dakstructuur. De Sint-Jan Baptistkerk is dan weer opgetrokken zonder referentie aan de vooroorlogse kerk, de regionale baksteenarchitectuur wordt hier verbonden met de neoromaanse vormentaal. Het - late - gemeentehuis van 1935-1936 is dan weer traditioneler binnen de 'wederopbouwarchitectuur' van de Westhoek, dit door zijn referentie aan de neo-Vlaamse renaissance.

Na de oorlog wordt niet enkel de dorpsbebouwing heropgebouwd, maar wordt ook de eigenlijke dorpskern gewijzigd en uitgebreid, met centraal de her ingeplante Sint-Jan Baptistkerk, omringd door het oude en het nieuwe kerkhof en een soort dorpsplein ter hoogte van de 4e-Liniestraat, waardoor een open karakter ontstaat. De inplanting van oorlogsgedenktekens op de hoeken van het kerkhof en het 'dorpsplein' versterkt dit gegeven.

Voorts wordt Houthulst gekenmerkt door een uitwaaierend dorpspatroon met lintbebouwing, langs voornamelijk de Eugène de Grootelaan, de Jonkershovestraat, de Klerkenstraat, de Beukhoutstraat, de Kerkstraat, de Poelkapellestraat en de Terreststraat. Langs deze straten, een aantal kleine burgerhuizen meestal van twee bouwlagen en lage (boeren)arbeidershuizen, uit de jaren 1920. Tevens van belang zijn een aantal markerende hoekpanden met afgeschuinde travee. De kleine (boeren)arbeidershuizen zijn typisch voor Houthulst, in de tweede helft van de 19de eeuw gegroeid uit gemeenschappen van zogenaamd "Boskanters". Ook kleine gehuchten, zoals "Hoogkwartier", "Pierkenshoek" (ten noorden van de Jonkershovestraat en de Schoolstraat, op de grens van Houthulst en Klerken) en het op een hoogte gelegen "Terrest" worden gekenmerkt door vrijstaande kleine (boeren)arbeidershuizen. Vanaf de 19de eeuw leven de inwoners van Houthulst ook van de leurhandel en de seizoensarbeid. Dit gegeven kan enerzijds in verband gebracht worden met de kleine boerenarbeidershuizen, anderzijds met kleine burgerhuizen uit de jaren 1930-1940, naar verluidt gebouwd door leurders op rust.

Zowel het "Kasteel de Groote" als de Lourdesgrot in het "Rotsebos" - respectievelijk in oorsprong opgericht in 1848 en 1880 refereren aan de familie Cassiers, de promotoren en kasteelheren van Houthulst.

De dorpskern van Houthulst wordt gekenmerkt door een groot aantal oorlogsgedenktekens, dit veelal in verband met het eindoffensief van het najaar van 1918. Deze gedenktekens worden grotendeels opgericht na de Tweede Wereldoorlog. Ook heel wat straatnamen herinneren aan de regimenten van het eindoffensief: onder meer 23e-Liniestraat, 4e-Liniestraat, 7e- Artilleriestraat, 24e-Liniestraat. Tevens refereren een aantal Duitse bunkers aan de Eerste Wereldoorlog.

In de zomer van 2005 wordt nabij het "Vrijbos" (Eugène de Grootelaan) een Duitse V1-raketbasis blootgelegd, die na juni 1944 aangelegd werd, naar verluidt door Russische krijgsgevangenen. Enkel de betonnen plaat is nog aanwezig; de hellende ijzeren constructie op deze 'afvuurplaat' is verdwenen.

Wat betreft het landschappelijk aspect vormt het huidige "Houthulstbos" slechts een restant van het vooroorlogse bos, toen reeds gereduceerd. Een structuur van dreven en zogenaamd balies (nu gelegen in landbouwgebied) wijzen echter nog de oude bosstructuur zoals aangegeven op de Ferrariskaart (1770-1778): Melanedreef, Keunedreef, Sneppedreef, Hoge Dreef, Franse Dreef, Schaapsbaliedreef enzomeer. In de loop van de 19de eeuw worden in het kader van de privatisering en verkaveling van het bos nog een aantal nieuwe dreven aangelegd. Het "Bos van Houthulst" met historisch permanent karakter is in de landschapsatlas opgenomen als ankerplaats, de omgeving ervan met bewaarde dreven als relictzone.

  • AFDELING RUIMTELIJKE ORDENING, HUISVESTING EN MONUMENTENZORG WEST-VLAANDEREN, Cel Monumenten en Landschappen, archief nr. 1530.
  • INVENTARISATIE VAN RELICTEN UIT WO I IN DE WESTHOEK (Provincie West-Vlaanderen, "Oorlog en Vrede in de Westhoek", en Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Monumenten en Landschappen).
  • BAELDE G., Bijdrage tot de geschiedenis van het ontstaan van de parochie en van de eerste kerk van Houthulst, in Bijdrage tot de geschiedenis van Houthulst. Van 19de-eeuwse parochiestichting tot gemeente (1928), Brussel, 1988, p. 21-44.
  • BERINGS G., Het oude land aan de rand van het vroeg-middeleeuws overstromingsgebied van de Noordzee, Gent, 1985.
  • DE VOS-STOCKMAN A., ROOSE B., Fotorepertorium van het meubilair van de Belgische bedehuizen, Provincie West-Vlaanderen, Kanton Diksmuide, Brussel, 1973.
  • DECLERCK P., 't Is oorlog, pastoor! Het oorlogsdagboek van pastoor Edmond Denys uit Klerken, 1914, Koksijde, 2001.
  • HAELEWYN R., Oostenrijkse wegen in West-Vlaanderen, Brugge, 1971, 43.
    Historiek van de dienst voor opruiming en vernietiging van ontploffingstuigen (DOVO), document ontvangen bij plaatsbezoek.
  • Het West-Vlaamse Houthulst is een toeristische attractie rijker. Met het hele gezin naar de V1-raketbasis in De Morgen, 16 maart 2006, p. 5.
  • JACOBS M., In het spoor van '14-'18, Sint-Andries, 1994.
  • JACOBS M., Zij, die vielen als helden... Inventaris van de oorlogsgedenktekens van de twee wereldoorlogen in West-Vlaanderen, Deel 2, Brugge, 1995.
  • LESAGE X., Elementen van de landschapsgeschiedenis van het huidige "Houthulst", in Bijdrage tot de geschiedenis van Houthulst. Van 19de-eeuwse parochiestichting tot gemeente (1928), Brussel, 1988, p. 5-19.
  • LESAGE X., SCHACHT J e.a., Houthulst als zelfstandige gemeente, in Bijdrage tot de geschiedenis van Houthulst. Van 19de-eeuwse parochiestichting tot gemeente (1928), Brussel, 1988, p. 57-70.
  • Nagekomen molennieuws, in Merckheem. Periodiek van Sidronius Hosschius, jg. 2, nr. 1, p. 4.
  • NEYENS J., De buurtspoorwegen in de provincie West-Vlaanderen 1885-1967, Lier, 1980.
  • NOTEBAERT A., NEUMANN C. e.a, Inventaris van het archief van de Dienst der Verwoeste Gewesten, Algemeen Rijksarchief, Brussel, 1986.
  • PRIEM V., Kastelen en landhuizen in de Westhoek, Tweede Deel, Ieper, 1998, p 55-71.
  • ROOSE B., Repertorium van bronnen voor Kunst- en Cultuurgeschiedenis in het archief van de provincie West-Vlaanderen (3 de afdeling) 1817-1879, Brussel, 2001.
  • TACK G., VAN DEN BREMPT P. e.a., Bossen van Vlaanderen. Een historische ecologie, Leuven, 1993.
  • TOP S., Onderzoek naar de sagenmotieven in 't Vrijbos, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Leuven, 1964.
  • VANNESTE D., Het verbazende verhaal van het Klooster van Klerken, Oostkamp, 2004.
  • VERHULST A., Landschap en landbouw in middeleeuws Vlaanderen, Brussel, 1995, p. 110-111.
  • VERSCHUREN R., Houthulst in oorlog en verzet, in Bijdrage tot de geschiedenis van Houthulst. Van 19de-eeuwse parochiestichting tot gemeente (1928), Brussel, 1988, p. 45-56.
  • www.arch.be
  • www.houthulst.be

Bron     : Missiaen H. & Vanneste P. met medewerking van Gherardts F. 2006: Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente  Houthulst, Deelgemeenten Jonkershove, Klerken en Merkem, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL24, (onuitgegeven werkdocumenten).
Auteurs :  Missiaen, Halewijn, Vanneste, Pol
Datum  : 2006


Relaties

Je kan deze pagina citeren als: Agentschap Onroerend Erfgoed 2020: Houthulst [online] https://id.erfgoed.net/themas/14655 (Geraadpleegd op 29-10-2020)