Geografisch thema

Eksel

ID: 14668   URI: https://id.erfgoed.net/themas/14668

Beschrijving

Eerste vermelding in 714 als Ochinsala, samengesteld uit de persoonsnaam Oka en sala, dit is woonplaats. Hecsele duikt op in 1153 en zou stammen van het Germaanse agnis, ekster en lauha, bosje op hoge zandgrond.

Eksel hoort tot het Kempisch laagplateau. Het golvende landschap (41-64 meter) daalt af naar de rivierdalen. De grens met Hechtel ten zuiden wordt deels gevormd door de Grote Nete, met de Veewei(der)loop als bijloop. Tussen beide waterlopen lagen eertijds de “weterbroeken” of “weteringen”. Andere beekvalleien worden gevormd door de Dommel-Bolissenbeek, die in het oosten de natuurlijke scheidingslijn vormt met Peer, de Winnerloop die ten noorden deels de grens vormt met Overpelt, de Visbeddenbeek ten zuidwesten en de Nouwenloop ten noordoosten. Eerstgenoemde vallei vormt een beschermd landschap. In de 19de eeuw werden grote oppervlakten van de gemeentelijke heide bebost. Ten noorden van de Kiefhoekstraat ligt het wandelpark en natuurreservaat Pijnven, met een bosmuseum. Het domeinbos Pijnven werd geplant vanaf 1904. Thans bestaat ruim de helft van het Ekselse grondgebied uit naaldbos en woeste gronden (onder andere militair oefenterrein van Leopoldsburg, ten westen van de rijksweg Hasselt-Eindhoven). Op de Ferrariskaart (1771-77) is ten westen van de baan van Hasselt naar Eindhoven het heden nog bestaande Etang Peijn Ven aangeduid. Op dezelfde kaart is tussen het gehucht Vlasmeer en de dorpskern de Deckers Bergh gesitueerd.

In het Liber Aureus van de abdij van Echternach wordt er reeds in 710 gewag gemaakt over het “Hoccascaute” of het Daal- of Neer-Hoksent. Hier lag het oudste parochie- en landbouwcentrum van de regio. De naam zou bestaan uit het Germaanse woord hugna (wild zwijn) en skauta (beboste hoek zandgrond of hoger land uitspringend in moerassig terrein). Circa 1796 waren er volgende gehuchten: Eikelbos ten noordoosten, Hoen(d)rik in het zuiden en zuidoosten, Hoksent ten oosten, Neer-Hoksent nog meer ten oosten, Kleinend of Klein Einde ten oosten van het Kerkplein, met name de omgeving van de Pastoriestraat en de Stationsstraat, Locht ten zuidwesten, Plaats (in het centrum), Vlasmeer ten noordwesten, Winner in het noorden en centraal Markt (Dorp). De Winner was een landbouwkolonie die waarschijnlijk eind 11de - begin 12de eeuw door lijfeigenen van de adellijke grondheer Hendrik van Limborch werd ontgonnen en in 1145 in het bezit kwam van de abdij van Floreffe. Vandaag de dag is enkel de Locht als enigszins afzonderlijke entiteit te herkennen.

Een belangrijke vindplaats van lithisch materiaal, behorend tot het “Tardenoisien”, genaamd “Station de la Bruyère dite de Steenweg”, werd onderzocht gedurende een vijftiental jaren, onder meer in 1906, 1909, 1910 en 1911. Een zestigtal heuveltjes, gelegen op de plaats “Schans” in het gehucht Hoksent, werd bestudeerd, waarbij talrijke voorromeinse urnen werden verzameld. Op de plaats “Hunneputten” werden voorromeinse grafheuvels met greppels onderzocht. In 1953 vonden liefhebbers-archeologen een voorromeinse begraafplaats met vaatwerk. In 1961 werd een deel van een voorromeins urnenveld vernield door bosontginning. Op de Winner werden eveneens opgravingen en vondsten gedaan. In 1959 en 1964 werden twee prehistorische grafheuvels opgegraven, waarbij een groot aantal scherven van gladwandige urnen en van Harpstedt-urnen opdoken. In de onmiddellijke omgeving werden een tiental graven vernield. Bij het ploegen op de Winnerheide werden sporen van voorromeinse bewoning gevonden. In 1955 werden Romeinse voorwerpen aangetroffen. Ook een Romeinse begraafplaats werd op de Winner ontdekt. Door de gemeente loopt de antieke weg van Tongeren naar het noorden.

Buiten het Hoksent behoorde het verdere Ekselse grondgebied aan het eind van de 7de eeuw tot het kroondomein, namelijk een landgoed “Ochinsala” of “Ekinsala”. Eind 7de of begin 8ste eeuw schonk Pepijn II van Herstal dit vorstelijke territorium aan de abdij van Sint-Truiden.

Tijdens het ancien régime vormden Eksel en Hechtel de “Bank van Eksel”, een schepenbank bestaande uit zeven schepenen onder voorzitterschap van een schout, die de civiele en criminele rechtspraak uitoefende. Beide dorpen behoorden tevens tot het ruimere ambt Pelt-Grevenbroek. Het hof van Vliermaal zorgde voor de hogere rechtspraak.

De abdij van Echternach bezat nog in de 16de eeuw op het Hoksent een laathof.

De burgemeesters werden slechts voor één jaar gekozen en waren steeds twee in aantal. Op het einde van hun mandaat maakten ze nog een jaar deel uit van de raad, als oud-burgemeesters.

Op het Marktplein werd er maandelijks een veemarkt gehouden. Verder waren er jaarmarkten en in oktober de Sint-Jansmarkt.

Eksel telde een handboogschutterij, de Sint-Barbaragilde, ook wel Dorpergilde genoemd, waarvan de schuttersboom gesitueerd was ten oosten van de huidige Hechtelsebaan aan de huidige stermolen. De vogel die deel uitmaakt van het op de pastorie bewaarde gildezilver is 1628 gedateerd en bewijst dat de Sint-Barbaragilde tot de oudste schutterijen van de Kempen mag gerekend worden. Daarnaast bestond er een Lochter- of Heilig Sacramentsgilde, een kruisboogschutterij, en een Sint-Trudoschutterij of Kleinendgilde, in de volksmond ook de Kleeneter (Klein Einder) schutterij genoemd, eveneens een handboogschutterij, waarvan de boom zich in de huidige Stationsstraat bevond tegenover de oude hoeve Schoofs. Rond 1900 stond er nog een schuttersboom op de Geer achter het Winners kapelletje. In Eksel waren twee schansen, de nog bestaande Hoksenterschans, een grote weide omsloten door een brede, quasi rechthoekige gracht, annex een drietal vijvers, gelegen tussen de Schansdijkstraat en de Kenensdijk, en de in eind 16de of begin 17de eeuw gemaakte Lochterschans, waarvan nog duidelijke sporen merkbaar zijn onder meer een deel van de omwalling. Ferdinand van Beieren, prinsbisschop van Luik, verleende op 7 maart 1629 een nieuw octrooi voor laatstgenoemde schans. Op de Ferrariskaart (1771-77) wordt de Hoksenterschans vierkantig omgracht aangeduid, met erop drie langgestrekte gebouwen. Aldaar komt de Lochterschans quasi rechthoekig voor met een groter aantal gebouwen binnen de omgrachting. Ook in de Atlas van de Buurtwegen (1845) duiken beide op.

Eertijds stond er een éénklassige school op het kerkhof bij de kerk. Midden 1800 is er al sprake van een gemengde gemeentelijke school in Eksel. De oude neoclassicistische jongensschool, onderwijzerswoning en aanvankelijk tevens gemeentehuis, gebouwd in 1843-44, werd in februari 1967 afgebroken, om plaats te maken voor een nieuwe gemeentezaal, turnzaal en lokalen der gemeenteschool. Het voormalige neoclassicistische gemeentehuis van 1863-66 (Groenstraat zonder nummer) was eertijds ook voorzien van een school en een onderwijzerswoning. In 1879 werd in een boerderijtje aan het Marktplein een katholieke school opgericht, die in 1884 door de gemeente werd aangenomen, jaar waarin de gemeenteschool werd afgeschaft. In 1891 kwam de gemeente op haar besluit terug en verving de katholieke door een gemeentelijke, nog steeds gemengde school. In 1896 vroeg pastoor Geukens aan de zusters Jozefienen van Sint-Niklaas een meisjesschool te starten. Op 13 oktober vestigden de zusters zich in het opgetrokken klooster, dat in mei 1932 deels werd afgebroken en heropgebouwd. In 1952-53 werd op het Kerkeveld een volledig nieuwe vrije lagere meisjesschool opgetrokken, naar ontwerp van architect F. Theuwissen (Lommel), bestaande uit vijf klaslokalen, in 1954-56 en 1987-90 uitgebreid en aangepast. In 1960-61 werd er naar ontwerp van architect Janssen (Overpelt) een nieuw klooster gebouwd voor genoemde zusters. In 1994 werd het oude klooster in de Kerkstraat gesloopt, na te hebben gediend als kapelanie en bibliotheek. Al in 1924 besloot de toenmalige gemeenteraad schoollokalen met aanhorigheden te bouwen op de Locht, daar de bevolking aldaar kloeg over de verre afstand naar het centrum. Het gebouw, met twee klaslokalen, naar ontwerp van architect R. Dubois (Leopoldsburg) werd op 27 februari 1925 aangevat, was op 29 september quasi afgewerkt en werd ingezegend begin oktober van hetzelfde jaar. In 1951-57 werd het uitgebreid met een kleuterklas, naar ontwerp van architect F. Theuwissen (Lommel). Op 30 september 1976 sloot de basisschool haar deuren. De leegstaande klassen werden omgevormd tot buurthuis. De kleuterschool verdween kort nadien. Ook het Hoksent kreeg een bewaarschooltje. Er werd in 1961 grond aangekocht in de Kruisstraat. Het gebouwtje werd dat jaar opgetrokken naar ontwerp van de architecten Delhaize en Jaspers (Hasselt). In 1995 verdween het.

De oudste stukken aangaande de grensscheiding der gemeente Eksel dateren uit 1443 en 1445. In 1443 betrof het geschillen met het land van Ham. Reeds in 1522 waren er betwistingen tussen Eksel en Hechtel, die in de loop van 17de eeuw opliepen. Op 23 oktober 1680 kwam er dan toch een akkoord tot stand tussen beide gemeenten. In 1778 verdeelden de twee dorpen de "Princeweyers”. In 1792 woedde het conflict weer, om in 1807 en 1820 te worden bijgelegd. In 1548 en 1681 gebeurden er grensopnemingen tussen Eksel en Lommel. In 1719 rees opnieuw een geschil met het land van Ham. De zaak bleef jaren aanslepen. In 1720 ontstond er vrede tussen Eksel en Wijchmaal. In 1770 werd de grens tussen Eksel en Overpelt met paalstenen aangeduid.

In de 16de en 17de eeuw maakten plunderende legertroepen de streek onveilig, waardoor de bewoners voor bescherming schansen aanlegden. In 1762 had Eksel af te rekenen met Franse inkwartieringen. In 1795 hoorde de gemeente, met zijn toenmalige populatie van 1095 inwoners, tot het kanton Bree, later tot het kanton Peer in het nieuwe departement van de Nedermaas. Tijdens de Boerenkrijg werden op 21-22 december 1798 vier Franse douaniers te Eksel door een groep Brabanders vermoord. Als straf voor de moorden werd het dorp in 1799 gedwongen 7.280 gulden als oorlogsschatting te betalen. De dorpskerk werd intussen gesloten. In augustus 1831 staken de Nederlanders op de Locht een huis in brand en doodden zij er de zieke knecht van boer Willems. In 1835 werden heidegronden onteigend en verhuurd voor de aanleg van het Kamp van Beverlo. In 1852 werden metingen uitgevoerd voor de uitbouw van een nieuw geodetisch net, nodig voor het opstellen van een topografische kaart op schaal 1/40.000. Twee ijzeren palen ter hoogte van Kerkhoven, vlakbij het schietveld, herinneren nog aan deze metingen. Op 28 september 1914 staken de Duitsers als represaillemaatregel 28 boerderijen op de Locht in brand. Zeker 150 mensen verloren alles wat ze hadden. Er vielen geen slachtoffers. Binnen het jaar was het gehucht de Locht uit het puin herrezen.

Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog ontploften bommen nabij het station en enkele weken later nog drie langs het kapelleke van het Vlasmeer. Drie jongens van Eksel sneuvelden. Op 8 maart 1945 kwam een V 1 terecht in de Kapelstraat. Een andere kwam neer in de Visbedden. In de Kiefhoek op het Pijnven is een verloren bom gevallen, met als resultaat een grote krater, thans nog zogenaamd bommekot. Op de Hoenrik zijn kettingbommen neergekomen, die echter weinig schade aanrichtten.

In 710 schonk Bertilindis, een rijke jonge dochter van een adellijk geslacht, aan de Heilige Willibrordus vijf hutten met een herenhuis en haar hoeve op het Hoksent. In 726 schonk de heilige op zijn beurt het goed aan zijn geliefde abdij van Echternach, die er tot in de 16de eeuw eigenaar van bleef. De in de 8ste eeuw door de heilige of de abdij opgerichte Hoksentkapel werd geen parochiekerk, daar het domein te klein was om in de nodige opbrengsten te voorzien. De parochiekerk met rang van quarta capella werd in 1177 gesticht door de abdij van Sint-Truiden. Voorheen maakte Eksel vermoedelijk deel uit van de parochie Peer. De Ekselse parochie behoorde tot het landdekenaat Beringen, het aartsdiakonaat van de Kempen en het bisdom Luik. De begever was om beurten de abt van Sint-Truiden en de Heilige Stoel. De abt had het recht de helft der grote tienden te innen. Een deel van die tienden moest hij evenwel tijdelijk afstaan aan de abdij van Floreffe, toen die in de 12de eeuw enkele hoeven begon uit te baten in het noorden van het dorp. De pastoor had recht op de andere helft der grote tienden, naast de kleine en novaal- of nieuwe tienden.

De primaire ontginningsas strekt zich uit tussen de twee driehoekige schaapskralen ten zuiden en de parochiekerk ten noordoosten. Het geheel is één kilometer lang en ruim 100 meter breed. Later werd deze oude gemene as verkaveld en geprivatiseerd. Twee lengtewegen en tenminste zes dwarswegen gaven aan Eksel circa 1850 zijn voor de Kempen unieke laddervormige wegenstructuur, die nu nog deels in relicten is terug te vinden. Ook bestonden er rond die tijd kraalpleinen van Kleinend en Winner. Van de Atlas van de Buurtwegen (1845) kan men aflezen dat vroeger de kerkepaden vanuit Vlasmeer, Hoenrik en Hoksent naar de kerk een veel groter belang hadden, daar de niet verharde wegen door het veelvuldig vervoer in zeer slechte staat waren. De Luikersteenweg, de huidige Eindhovensebaan, werd in de periode 1777-88 aangelegd. Daarvóór was de huidige as Overpelterbaan - dorpscentrum - Hoofdstraat - Marktplein - Hechtelsebaan de belangrijkste noord-zuidverbinding. Waar ten oosten sinds 1866 de spoorweg Hasselt-Eindhoven liep, is sinds 1990 een fietspad aangebracht. Het in 1898 in hout opgetrokken en tijdens de Eerste Wereldoorlog afgebrande station werd circa 1920 door een bakstenen breedhuis van zes traveeën onder zadeldak vervangen, dat in 1967 eveneens verdween. De noord-zuidverbinding, de N 74, die vanuit Lommel vertrekt en via Eksel loopt om voorlopig aan de Hasseltsebaan in Hechtel te eindigen, werd in in twee fasen aangelegd. Het meest zuidelijk deel Overpelt-Hechtel tot aan de tijdelijke rotonde aldaar werd afgewerkt midden jaren 1990. Nieuwbouw rukt de laatste decennia overal op, onder meer in de nieuwe wijk van Drossaard Clercxstraat en Lang Voor ten noorden van de Stationsstraat, in de Pijnven- en Kievitstraat ten noordwesten, aan de Overpelter- en Diestersebaan, in de nieuwe wijk van Zwaluw-, Roerdomp-, Leeuwerik-, Goudvinken- en Nachtegalenlaan ten noordoosten, aan de Sportlaan, Sijsjesstraat, Astridplein, Leemweg en Heuvelstraat, alsook in de Europawijk. Vermelden we tenslotte nog dat naar het Openluchtmuseum van Bokrijk een Eksels bakhuis uit eind 18de eeuw werd overgebracht, dat afkomstig is uit de pastorijhoeve aldaar.

In vergelijking tot Hechtel was Eksel in 1796 minder agrarisch en telde het meer burgerij en welvaart. Dit had onder meer te maken met de sterker uitgebouwde teutenhandel, die vanaf de 17de tot het begin van de 20ste eeuw te situeren valt. Turf steken kwam zoals elders in de Kempen voor, onder meer op de grens van Eksel met Lommel-Kerkhoven, waar uitstekende turfbroeken lagen. In 1841 bestond volgende kleinschalige huisnijverheid: een brouwerij in het Paanhuis in de Weverstraat, toen eigendom van de familie Tielen, een brouwerij van de familie Schoofs in de Stationsstraat, alsook twee pannen- en steenbakkerijen, die van de familie Beckers in de Stationsstraat, bedrijvig tot 1876, en die van Jan Mathijs Clercx in het Dorp. Ook in de hoger genoemde en heden verdwenen Ochinsala-hoeve werd er bier gebrouwen. In het eerste kwart van de 20ste eeuw telde Eksel twee brouwerijen: die bij Truyens aan het Marktplein (Hoofdstraat 48 en later ook Marktplein 1) en die bij Jefke Witters, zogenaamde “St.-Jozef”, aan de kapelanie in de Kerkstraat, ook het Wittershuis genoemd (Kerkstraat 29). De sigarenfabricage begon in 1879 met Charles Indekeu-Tielen, die tot ongeveer 1910 actief bleef.

Een tweede fabricant was J. Geunes, sinds 1884 aan de Ekselse spoorweg gevestigd. Zijn bedrijf, dat driemaal afbrandde, hield al op in 1893. In 1960 sloot de laatste sigarenfabriek in de Noord-Limburgse Kempen, nl. die van H. Geurts & C°. Hendrik Oswald Geurts (1850-1913) was in 1891 vanuit Nederland naar Eksel geëmigreerd. Zijn zonen Jacques en Henri namen de zaak over. In 1912 begon Henri op de Markt in Peer een produktie-eenheid, waarvan de eigenlijke fabriek aan het station van Eksel gelegen was, namelijk de voormalige firma van de uit Gelderland afkomstige Michel Feyen, die door Hendrik Geurts in 1893 was overgenomen en door zijn zonen in 1922 was vergroot. In 1934 werd de fabriek van H. Geurts en Cie gesplitst: Jacques bleef in Eksel en Henri ging naar Wijchmaal.

In de Groenstraat was circa 1900 de leerlooierij van Georges Tielen (1847-1919) actief. Ook het bedrijf van de familie Smeets in de Heerstraat, namelijk zagerij, schrijnwerkerij, constructie van last- en woonwagens, droeg tot de economische ontwikkeling bij. Op 17 maart 1901 werd te Eksel in de Groenstraat een melkerij opgericht, de “Samenwerkende Melkerij Sinte-Brigitta”, die tot 1919 bleef bestaan, waarna het gebouw als klaslokaal voor de gemeenteschool werd ingericht en eens bouwvallig in 1940 werd afgebroken.

Eksel telde eertijds drie molens, de nog bestaande houten windmolen in de huidige Windmolenstraat, de op 20 maart 1886 afgebrande eveneens houten windmolen “Hoenrikmolen”, een standaardmolen die reeds in 1569 wordt vermeld, in 1748 werd heropgebouwd na stormschade en wordt aangeduid op de Ferrariskaart (1771-77), eertijds gelegen in de voormalige Molenstraat, de huidige Slegerstraat, en ten derde de stenen “Sint-Antoniusmolen”, een windmolen, bergmolen en bovenkruier in 1853-54 gebouwd door molenaar Jan Truyens, gelegen in de Pundershoekstraat, voorzien van een slagmolen en in de jaren 1970-80 afgebroken.

Eksel is thans een woonforenzengemeente, waar een groot deel van de plaatselijke bevolking elders, vooral in het Eindhovens en Genks industriegebied, is tewerkgesteld. Buiten enkele middelgrote bedrijven is er geen plaatselijke industrie. Door de aanwezigheid van uitgestrekte heide- en bosgebieden, van recreatieterreinen en dies meer wint de toeristische sector aan belang. Een militair domein strekt zich uit ten zuiden van de Grote Nete.

Oppervlakte: 4084 hectare. Aantal inwoners (1976): 3.967.

  • AGTEN C., red., Jubileumboek 1999. Heemkundige kring Hechtel-Eksel. Wie zijn verleden wegveegt heeft geen toekomst, Hechtel-Eksel, 1999.
  • AGTEN C. & DIERICK C. - GEYS G., red., 100 jaar Zusters Jozefienen in Eksel, Hechtel-Eksel, 1996.
  • BAUWENS & LESENNE M., Bibliografisch repertorium van de oudheidkundige vondsten in Limburg, behoudens Tongeren-Koninksem (vanaf de vroegste tijden tot de Noormannnen), in Oudheidkundige repertoria, r. A: Bibliografische repertoria, 8, Brussel, 1968, p. 58-63.
  • BUVE Cl., De waterschap of vroente van Hoxent, in Limburg, 3, 1921-22, p. 103-105).
  • COENEN J., Kempische kerken. Kantons Bree en Peer, Hasselt, 1936, p. 49.
  • DE LAET S.J., Opgravingen en vondsten in de Limburgse Kempen, in Limburg, 40, 1961, p. 158-165.
  • D(USAR) A., 1950, p. 208-209.
  • FRERE M., De 1 Nivose Jaar VII te Eksel, een nasleep van de Boerenkrijg, (Het Oude Land van Loon, 9, 1954, p. 145-149).
  • HOLEMANS H. & SMET W., Limburgse windmolens in heden en verleden, Nieuwkerken, 1981, p. 15, 42-47 (afbn.), 195, 196, 198, 203, 205.
  • JACQUES E., De gevechten te Hechtel in 1831, in Het Oude Land van Loon, 20, 1965, p. 125.
  • ID., Hechtel en zijn naburen, in Het Oude Land van Loon, 15, 1960, p. 217-37.
  • JANSSENS P., Onderzoek der crematieresten uit twee urnen, gevonden te Eksel, in Limburg, 40, 1961, p. 165-166).
  • LAENEN M., Provinciaal Openluchtmuseum Bokrijk. Gids, Brussel-Tielt, 1989, p. 57 (i.v.m. bakhuis uit Eksel).
  • MEUWIS J., Eksel in oude prentkaarten, Zaltbommel, 1972.
  • OPDENACKER E., Kapellen te Eksel. Onderzoek naar hun historische en volkskundige aspecten, in Volkskunde, 92, 1991, p. 172-203).
  • OPDENACKER E., Kapellen te Eksel. Onderzoek naar hun kunsthistorische en volkskundige aspecten, onuitg. lic.verhandeling, 2 dln., Leuven, 1990.
  • PAQUAY J., De parochiënwording in Limburg, Bulletin de la Société Scientifique et Littéraire de Limbourg, 36, 1921, p. 55, 77, 86, 87, 88, 89.
  • PAQUAY J., 1933, p. 141 (noot 1).
  • ROBYNS O., Exel ten jare 1795, in Limburg, 3, 1921-22, p. 210).
  • ROBYNS O., Geschiedkundige aanteekeningen betreffende Exel, in ‘t Daghet in den Oosten, 16, 1900, p. 165-167, 184-188; 17, 1901, p. 7-10, 49-55; 19, 1903, p. 59-63, 89-94; 20, 1904, p. 161-165; 21, 1905, p. 59-64; 22, 1906, p. 142-145; 23, 1907, p. 33-38, 70-73).
  • ROBYNS O., De groote verkeerswegen in Limburg voorheen en nu, in Limburg, 15, 1933-1934, p. 49-50, 51.
  • S.N., Congregatie der zusters Jozefienen te St.-Niklaas (Waas). Beknopte geschiedenis (1814-1964), St.-Niklaas-Waas, ca. 1964, p. 93-96.
  • S.N., Gemeentelijk informatieblad Hechtel-Eksel. Bevrijding Hechtel 50 jaar, brand van de Locht 80 jaar, extra editie, 1994.
  • S.N., Jubileumboek 1994 van de Heemkundige kring Hechtel-Eksel. Een dorp met een verleden is een dorp met een ziel, Hechtel-Eksel, 1994.
  • S.N., Lei en griffel, 2, 1, 1994, p. 2, 8-15, 20-25; 2, 2, 1994, p. 23-25, 26-29; 2, 3, 1994, p. 12-19, 20-21; 3, 1, 1995, p.. 32-33; 3, 3, 1995, p. 101-109; 3, 4, 1995, p. 125-129; 4, 1, 1996, p. 6-14, 23-28; 4, 2, 1996, p. 69; 4, 3, 1996, p. 88-90, 107-109; 5, 1, 1997, p. 31-35; 5, 2, 1997, p. 62-64; 6, 1, 1998, p. 4-8; 7, 1, 1999, p. 25-31; 7, 3, 1999, p. 70-75,79-86; 8, 3, 2000, p. 84-85; 9, 1, 2001, p. 22-30.
  • S.N., De zeven torens, 2, 1987, p. 68; 4, 1989, p. 71-73; 13, 1998, p. 99-100.
  • SIMENON G., Notes pour servir à l'histoire de paroisses qui dépendaient de l'abbaye de Saint-Trond, in Bulletin de la Société d'Art et d'Histoire du Diocèse de Liège, 17, 1908, p. 70-76.
  • VAN DER EYCKEN M., DE BOT H. & SCHUERMANS J., 125 jaar spoorwegen in Noord-Limburg, s.l., 1991, afbn. 16, 115 (prentbriefkaart).
  • VANDERMARLIERE G., De heerlijkheid van Exel in de achttiende eeuw, 3 dln, s.l.e.a., z. pag.
    ID., Meegedeelde gegevens, Eksel, 2003.
  • VAN DE SIJPE L., De breuk van de Sint-Barbaragilde uit Eksel (1628, 1723-1733), in Limburg - Het Oude Land van Loon, 78, 1999, p. 3-10.
  • VAN DE WEERD H., De invloed van de abdijen op de Kempen, in Verzamelde Opstellen uitgegeven door den Geschied- en Oudheidkundigen Studiekring te Hasselt, 3, 1927, p. 9, 10, 18, 19.
  • VAN DE WEERD H., De H. Willibrordus in Limburg. Sint Wilbert ter eere bij het jubeljaar van zijn overlijden, in Verzamelde Opstellen uitgegeven door den Geschied- en Oudheidkundigen Studiekring te Hasselt, 2, Hasselt, 1939, p. 194-200, afb. op p. 194.
  • VAN DE WEERD H., De kapel van Hoxent. Een bladzijde uit de bekeering der Kempen, in Limburg, 3, 1921-22, p. 43-49, 93).
  • VANLOFFELD F., Van huyslieden tot schutten. Limburgse schutterijen, Maasmechelen, 1984, p. 118.

Bron     : Pauwels D. 2005: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Limburg, Arrondissement Maaseik, Kanton Peer, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 19N3, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Pauwels, Dirk
Datum  : 2005


Relaties

  • Omvat
    Alleenstaand burgerhuis

  • Omvat
    Alleenstaand neoclassicistisch hoekhuis

  • Omvat
    Bergstraat

  • Omvat
    Berkenlaan

  • Omvat
    Bosstraat

  • Omvat
    Burgerhuis

  • Omvat
    Dorpswoning

  • Omvat
    Groenstraat

  • Omvat
    Heerstraat

  • Omvat
    Herenhuis van 1756

  • Omvat
    Hoekhuis

  • Omvat
    Hoekhuis

  • Omvat
    Hoeve met losse bestanddelen

  • Omvat
    Hoksentstraat

  • Omvat
    Hoofdstraat

  • Omvat
    Kapel van de Winner

  • Omvat
    Kapel van het Vlasmeer

  • Omvat
    Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën

  • Omvat
    Katholieke meisjesschool

  • Omvat
    Kerkplein

  • Omvat
    Langgestrekte hoeve

  • Omvat
    Langgestrekte hoeve

  • Omvat
    Langgestrekte hoeve

  • Omvat
    Langgestrekte hoeve

  • Omvat
    Mariakapelletje

  • Omvat
    Marktplein

  • Omvat
    Paenhoeve

  • Omvat
    Schansdijkstraat

  • Omvat
    Sint-Bernarduskapel van de Locht

  • Omvat
    Stationsstraat

  • Omvat
    Teutenhuis Witters

  • Omvat
    Windmolen Stermolen

  • Is deel van
    Hechtel-Eksel