Geografisch thema

Magdalenakwartier

ID: 14693   URI: https://id.erfgoed.net/themas/14693

Beschrijving

Afbakening en historische achtergrond

Dit kwartier van 53 hectare is genoemd naar de kerk van de Heiligen Magdalena en Catharina aan de Schaarstraat; het wordt begrensd door de Dijver, de Steenhouwersdijk en de Groenrei van de eerste omwalling, de Coupure, de Benin-, Gentpoort- en Katelijnevest van de tweede omwalling en het Minnewater. Bepalend in het zuiden zijn de historische poortstraten: de Katelijnestraat, in het verlengde van de Mariastraat en over de gelijknamige brug over de Reie, verzekert de rechtlijnige zuidoostelijke verbinding van de oudste kern ter hoogte van de Onze-Lieve-Vrouwekerk en het Sint-Janshospitaal met de voormalige Katelijnepoort en de aansluitende steenweg naar Kortrijk. Nagenoeg halverwege, bij de driesprong of vroegere Ankerplaats, vertakken zich twee belangrijke aders: de Oude Gentweg leidt als eerste onmiddellijk naar de meer noordelijk gelegen Gentpoort, ook de vanaf 1349 vermelde Nieuwe Gentweg gaat ernaartoe met een bocht aan de Garenmarkt en een aansluiting op de Gentpoortstraat. Aan de veldzijde sluit de weg naar Gent hierop aan. In het stadsweefsel ontstaan hierdoor rechthoekige bouwblokken ten westen van de Katelijnestraat en een reeks van onregelmatige en haast driehoekige blokken aan haar oostzijde. De schaakbordachtige aanleg in het noorden van het kwartier is afgelijnd door de Eekhoutstraat, die in het verlengde van de Wollestraat en de huidige Nepocemusbrug loopt en door de haast gelijklopende Coupure ten zuidoosten. De oorsprong van deze buurt, die gunstig gelegen is aan de pleinen gevormd door de Vismarkt en de Huidenvettersplaats, en anderzijds aan de gracht van de eerste omwalling, gaat terug tot de 13de eeuw: de Braambergstraat en de Zwarte- en Witteleertouwersstraat zijn immers aangelegd omstreeks 1245.

Bestuurlijk en militair hoort het noordelijke gedeelte van het kwartier, boven de "Gentpoortstraate" tot het Sint-Donaaszestendeel en het zuidelijke gedeelte tot het Onze-Lieve-Vrouwezestendeel. Kerkelijk hangt het gebied af van de Sint-Catharinaparochie, die wordt afgesplitst van die van Onze-Lieve-Vrouw; haar kerk wordt opgetrokken bij de weg naar Kortrijk tussen 1270 en 1272 en wordt niet opgenomen in de tweede omwalling, wat niet wegneemt dat ze het zuidoosten van het gedeelte intra muros zal blijven bedienen tot ze afgebroken wordt in 1578. Nadien zullen in het binnenstedelijke gebied verschillende bedehuizen voorlopig haar plaats innemen tot de oprichting van de neogotische kerk aan de Schaarstraat in 1851-1853.

Typische bestanddelen in de stadsstructuur van het ancien regime

De terreinbezetting in het midden van de 16de eeuw, zoals opgetekend door Marcus Gerards, is nog duidelijk aanwezig in het huidige stratenpatroon. De dichte bebouwing aan de Katelijnestraat of toen zogeheten "Cortrijeschen Wegh", de Oude Gentweg en de kronkelende Nieuwe Gentweg bestaat hoofdzakelijk uit diephuizen die naar de vesten toe soms afwisselen met breedhuizen en ietwat ruimere panden. Aan de zuidzijde van de Oude Gentweg lopen de tuinen uit tot aan de vest. In de aansluitende zone tussen de "Eechoutstraete", die een reitje overbrugt, en de Witteleertouwersstraat ten zuidoosten, zijn de vierkante bouwblokken eveneens tot de huidige Schaarstraat al dicht bebouwd. In dit regelmatige patroon neemt de "Vismarckt" aan de Reie een deel van een bouwblok in en de "Huydevettersplaetse" een volledig. Het minder regelmatig ingedeelde gebied aan de zuidoostzijde geniet van ruimere tuinen die aan de huidige Boninvest afgelijnd zijn door bomen. Belangrijk in het zuiden van het kwartier zijn het binnenstromen van de Reie met het afgesloten Minnewater en het verloop van de erop aangesloten reitjes aan oosten westzijde die niet alleen de waterhuishouding en het watervervoer bepalen maar ook de parcellering met open ruimten: ten oosten van de Reie wordt de "Wijngaertplaetse" doorkruist door het Bakkersreitje en verderop ten noorden ligt het trechtervormige Walplein tussen de ombuigende Reie en de Katelijnestraat. Bij het uitgraven van het kanaal Brugge-Gent in 1613 zal het Minnewater als handelskom fungeren en een meer uitgesproken economische rol toebedeeld krijgen; bij het inleggen in 1623 van passagiersverkeer met een barge of trekschuit met aanlegplaats aan het einde van de Katelijnestraat, vormt deze meest zuidelijke buurt tot 1838 het aankomstpunt voor wie per boot van Gent naar Brugge komt.

De religieuze instellingen van dit kwartier geeft Marcus Gerards ook hier weer op zijn gebruikelijke vrij nauwkeurige wijze. De oudste en belangrijkste twee hebben duidelijk de praktische nabijheid van het water opgezocht. Hun aanleg volgt met enige variatie het gebruikelijke patroon. De Eekhoutabdij ligt middenin het bouwblok dat begrensd is door de huidige Eekhoutpoort aan de gelijknamige straat, de Groeningerei en de gedempte Eekhoutrei die onder de straat doorliep tot aan het eveneens gedichte Pandreitje. Bij de georiënteerde kerk met 13de-, 14de-eeuwse kern gemarkeerd door een dakruiter, sluit ten zuiden een kloostergang aan met hoger opgetrokken gebouwen aan de oost- en westzijde, waarin de kapittelzaal, de refter en de dormter ondergebracht zijn. De door Marcus Gerards opgetekende gebouwen worden omstreeks die tijd te groot bevonden voor de tanende gemeenschap van de augustijner kanunniken.

Naar het noorden toe hebben de franciscanen of minderbroeders na hun stichting in de omgeving van de Sint-Gilliskerk, vanaf 1246 hun klooster overgebracht naar een ruim, langwerpig terrein opgenomen in de bouwrijp gemaakte stadsweide "Braamberg" die toen nog extra muros lag. Bij Marcus Gerards is het uitgegroeid tot een ommuurd domein met toegang aan het huidige "Park" en voorts begrensd door het einde van de Pandrei en de huidige Minderbroedersstraat. De plattegrond sluit aan bij de gebruikelijke, met een georiënteerde kerk, een kloostergang, kloostergebouwen en tuinen. Tegenover de ingang van de kerk, die ook toegankelijk was voor de buurtbewoners, ligt de vierkante handelsgalerij 't Pand die sinds 1483 de plaats inneemt van het kerkhof van de minderbroeders en waarin vanaf 1689 de gevangenis zal worden ondergebracht.

Als poortstraat lijkt de Katelijnestraat een geschikte plaats voor verzorgende kloosterordes en instellingen. Van de 13de tot het begin van de 16de eeuw betrekken de bogaarden hier een pand met een eigen kapel; bij de teloorgang van de gemeenschap zal de Stad vanaf 1513 het geheel overnemen en uitbreiden met een 16de-eeuwse schoolvleugel voor arme kinderen. De kapel en de L-vormige hoofdgebouwen, het ommuurde domein met dienstgebouwen en de binnenplaats aan de straatzijde, zijn duidelijk herkenbaar bij Marcus Gerards.

Omstreeks 1470 vestigen zich aan de overkant, ter hoogte van het huidige nummer 65, de alexianen of cellebroeders in een relatief klein complex. Op de kaart van Marcus Gerards is de kapel van 1517 opgenomen tussen andere gebouwen die op de rooilijn staan en evenredig met degene die achterin liggen.

Op de kaart van 1562 zijn ook kleinere ensembles van religieuze ordes opgenomen: aan de Nieuwe Gentweg, ter hoogte van de huidige nummers 1-9, liggen achterin in de aan de straat ommuurde binnenplaats, de kapel en gebouwen van de zusters van de Kastanjeboom die hier sinds 1356 zijn gevestigd. Verderop in dezelfde straat en naar de stadsrand toe staat op het hoekpand van de Stalijzersplaats het klooster met een éénbeukige kapel van de franciscanen van de derde orde of Staelijzerbroeders, die bier vanaf circa 1245 tot 1588 verblijven. Nog verderop nemen de willemijnen met hun Sint-Antoniusdal het hoekpand in van de huidige Boninvest en Gentpoortstraat: ze bouwen er hun klooster uit vanaf 1430 met onder meer een eenbeukige kapel en een kloosterhof en richten er een Latijnse school op die nog tijdens de 16de eeuw een zekere faam geniet. Ten slotte staat aan de Katelijnevest, in de buurt van de huidige Colettijnenstraat en ten oosten van het Bakkersreitje, het Sinaï- of arme clarenklooster dat in 1467, met de steun van de heren van Gruuthuse is gesticht en waarvan de kerk in 1477-1479 ingewijd wordt.

Het Magdalenakwartier herbergt ook twee refugehuizen aan de Garenmarkt: de Gentse Sint-Baafsabdij vestigt zich tijdens de 15de eeuw ter plaatse van de huidige nummers 23-25 en verkoopt haar goed in 1566 aan de Sint-Trudoabdij. De Veurnse Sint-Niklaasabdij vindt er eveneens een onderkomen in een circa 1480 gebouwd huis met een traptoren gelegen op een ommuurde binnenplaats.

Tot de sociale voorzieningen hoort aan de Nieuwe Gentweg (nummer 108) het strategisch gelokaliseerde complex van het in 1326 gestichte passantenhuis Onze-Lieve-Vrouw-van-Nazareth, met een kapel van 1429-1430 en het Magdalenagasthuis gedateerd 1617. Het domein neemt het hoekpand in aan de Jakobinessenstraat en reikt tot aan de Oude Gentweg.

Van de relatief talrijke godshuizen in het Magdalenakwartier kunnen alleen het "Godshuis Rooms Convent" aan de Katelijnestraat en de "Bakkersrente" aan de Kruitenberg bogen op een middeleeuwse oorsprong die teruggaat tot respectievelijk vóór 1330 en 1469. Op de kaart van Marcus Gerards staat de "Bakkersrente" afgebeeld als een ommuurd erf met een kapel en enkele woningen bestemd voor de oude en behoeftige leden van het Bakkersambacht.

De laken- en wolwevers manifesteren zich ook in het straatbeeld met een eigen kapel die opklimt tot 1300 en die zal blijven bestaan tot 1753; Marcus Gerards tekent ze op als eenbeukig gebouwtje met een aanleunende, ommuurde binnenplaats, gelegen op een hoekpand aan het einde van de Visspaanstraat en de Katelijnestraat, tegenover de gelijknamige poort.

Op de vest zelf tekent Marcus Gerards (1562) ten noorden van de Gentpoort, geflankeerd door omheiningsmuren, vier windmolens die er telkens op hun aan de binnengracht palende berg staan. Op de Katelijnevest staat een windmolen vóór de stadsmuur. In deze buurt is ook de middeleeuwse water- of Kasteelmolen zorgvuldig opgetekend met twee bouwlagen, die het einde van het Bakkersreitje overbrugt en net vóór een veelzijdig waterreservoir staat. Voor de waterhuishouding in deze buurt zorgt ook het voorgestelde Sashuis van 1519 dat aan de noordzijde van het grote Minnewaterreservoir het niveau en de vloed van de Reie controleert. Ten oosten van het Minnewater komt er in 1646 de Stadsvolmolen bij, die tot 1800 zal werken.

De toename van al oude en nieuwe kloosterorden die zich intra muros vestigen ten tijde van de godsdiensttroebelen en van de Contrareformatie, is in het Magdalenakwartier beperkt en de impact op het stadsweefsel is dan ook in verhouding. Zo betrekt de zustergemeenschap van de Sint-Trudoabdij te Odegem, waarvan de oorsprong, als dubbelklooster bij de Eekhoutabdij, minstens opklimt tot de tweede helft van de 12de eeuw, de verworven refuge van de Sint-Baafsabdij aan de Garenmarkt definitief in 1580, nadat hun abdij extra muros volledig was vernield. Hun goed zullen ze verder uitbreiden door het aanpalende domein van het klooster van de "Staelijzerbroeders" in te nemen in 1588 en hun kapel te laten herstellen als abdijkerk. Wanneer de zusters jakobinessen in 1578 hun klooster Engelendate in Assebroek verlaten, vinden ze een veilig onderkomen in hun refugium dat ze al in 1534 hadden aangekocht; vanaf 1597 zullen ze het aanpassen en verbouwen tot klooster op hun terrein gelegen tussen de Oude- en de Nieuwe Gentweg.

Als nieuwe orde in Brugge slagen de kapucinessen of penitenten van Bourbourg (Noord-Frankrijk) er in 1656 in de toelating te krijgen om zich in de Stad te vestigen; na het aankopen van gronden tussen de Katelijnestraat en de Vispaanstraat zullen ze pas in 1699 beginnen met de oprichting van hun klooster.

De stichting van nieuwe godshuizen, met sociaal-religieuze connotatie, is ook nog in de l7de- begin 18de eeuw afhankelijk van het privé-initiatief In het Magdalenakwartier doet zich een zekere concentratie voor van een vijftal 17de-eeuwse ensembles in het begin en het midden van de Katelijnestraat, in de strook tussen het begin van de Nieuwe Gentweg en de Driekroezenstraat en de Werkhuisstraat. Voorts is er in die buurt een godshuis van 1713-1715 te vinden aan de Noordstraat en een ander van 1756 aan de Oude Gentweg, dat oorspronkelijk voorzien wordt voor acht gezinnen van het Kleermakersambacht. Het "Godshuis de la Fontaine" van 1636, bestemd voor twaalf oude soldaten, is ook door zijn ligging aan de Zwarte Leertouwersstraat een apart geval. Hetzelfde geldt voor het "Godshuis De Pelikaan" aan de Groenerei, met stichtingsakte uit 1708 en 1714; ten behoeve van zeven weduwen worden de twee, in 1707 aangekochte huizen ingericht als zeven wooneenheden.

De twee heesters die in dit kwartier zijn gelokaliseerd, zijn uit het straatbeeld verdwenen. Van de 16de-eeuwse "Abbengiheester" achter het ensemble van twee woningen aan de Minderbroedersstraat nummer 20, zijn drie traveeën opgenomen in de tuinvleugel.

De Heester van 1752 die samen met blekerijvelden de westzijde van de Sulferbergstraat innam, is in 1962 vervangen door een banale woning (nummer 36).

Overgang naar de 19de eeuw en latere wijzigingen

ontmanteling van de vesten vanaf 1782 leidt ook in dit kwartier in een eerste fase tot het geleidelijk beplanten en aanleggen van de "promenade". Voor de Gentpoortvest wordt vanaf 1853-1854 het ontwerp van de Leuvense architect E. Rosseels uitgevoerd: de Poppkaart van 1865 toont zeer goed het tracé van het kronkelende wandelpad; het verdeelt zich sierlijk in twee onregelmatige lobben die even worden verenigd en dan weer verder lopen tot aan de Katelijnepoort; het voorziene bomenbestand biedt een uitgekiende afwisseling van in- en uitheemse soorten. Het groen wordt dan doorgetrokken over de Katelijnevest, waar de basis van de vroegere stadstoren van 1780 tot 1914 wordt gebruikt als ijskelder. De Minnewaterbrug leidt dan tot de Begijnenvest die als beboomde wandelzone wordt ingericht in 1881-1882 door de Gentse landschapsarchitect H. Van Hulle. Aan de oostzijde worden aan de Bonin-, tentpoort- en Katelijnevest straten doorgetrokken aan de lagere stadszijde; de vroegere bleekweiden, die al sinds het midden van de 19de eeuw sporadisch waren ingenomen door traditionele bedrijfsgebouwen, zullen vanaf het derde kwart van de 19de eeuw geleidelijk verder worden verkaveld en bebouwd met arbeiderswoningen en enkele bijkomende industriële vestigingen. De Begijnenvest wordt vanaf 1892 aan oost- en zuidzijde afgezet door de bakstenen omheiningsmuur van de Minnewaterkliniek.

Het afschaffen van de talrijke kloosters onder Jozef II en later onder het Frans Bewind brengt ook hier functieverschuivingen mee. Naargelang van het geval wordt het gebouwencomplex volledig of gedeeltelijk behouden of gesloopt. Van het reeds in 1764 verkochte willemijnenklooster aan de Gentpoortstraat zal de bewaarde kerk tot 1804 worden gebruikt voor de binnenparochie van Sint-Catharina; na de afbraak zal het hoekpand omstreeks 1850 worden ingenomen door de mouterij d'Hoedt-Cauwe. In het in 1783 opgeheven jakobinessenklooster wordt de religieuze bestemming tot 1796 bestendigd door de zusters conceptionisten; vanaf 1834 tot 1926 zal het complex als Sint-Dominicusgesticht zijn plaats in de verzorgingssector innemen. Dit is ook het geval voor de eindbestemming van het alexianenklooster aan de Katelijnestraat nummer 65 dat al in 1794 wordt afgeschaft. Het leger gebruikt het als gevangenis en stapelplaats tot 1841; nadien zal het worden ingenomen door de broeders van liefde die er naast hun klooster ook een school en bejaardenopvang in onderbrengen en het geheel daartoe uitbreiden aan de kant van de Oude Gentweg. Het domein van de Eekhoutabdij, die in 1796 wordt gesekwestreerd en afgebroken, zal als tuin worden gevoegd bij het grote herenhuis aan de Garenmarkt nummer 10 dat in 1834 wordt aangekocht door bankier Dujardin. Bij de faling van de bank zal het hele complex in 1877 worden overgenomen door de Dames de Saint-André die er hun klooster en onderwijsinstelling inrichten en er al in 1878 een nieuwe neogotische vleugel aan toevoegen.

Aan het klooster van de Kastanjeboom, afgebroken in 1798, herinnert alleen nog de naam van de zijstraat van de Katelijnestraat. Het meest markant zijn de gevolgen van de opheffing van het minderbroedersklooster in 1796 en de afbraak vanaf omstreeks 1800, waar Brugge onder meer zijn geliefd binnenstedelijk groen aan te danken heeft. Na een eerste fase van privatisering is de Stad er uiteindelijk in geslaagd het hele domein aan te kopen met de bedoeling er de gevangenis 't Pand uit te breiden, de Heiligen Magdalena- en Catharinakerk op te richten en er een park aan te leggen op de resterende 2,5 hectare.

Op deze belangrijke wijzigingen na behoudt de kern van het kwartier zijn basisstramien waarin gebouwen worden ingepast die verband houden met de demografische en economische ontwikkeling. Nieuwe bedrijven en arbeiderswoningen vestigen zich voornamelijk in de gunstige omgeving van de Bonin- en Gentpoortvest met aansluiting via de gracht op de Coupure en het kanaal Gent-Oostende. Aan de Boninvest vestigen zich vanaf 1851 bedrijfsgebouwen zoals de stokerij Van Mullem ter hoogte van het nummer 44, met een directeurswoning van 1872 in neo-Brugse stijl en de ijzergieterij La Madeleine, te situeren ter hoogte van de huidige nummers 18-22. De vlasspinnerij Mamet werkt er vanaf 1851 tot 1874, na uitbreidingen in 1854 en 1857 van de te Brugge gekende architect I. Alleweireldt. Het complex zal in 1877 worden overgenomen en aangepast door de mouterij D'Hoedt-Cauwe en blijft bestaan tot 1952. In dezelfde zone, aan de Gentpoortvest, loopt de productie van de brouwerij Tivoli van 1899 tot 1914, waarbij de mouterij achteraan nog bewaard is. Van de brouwerij "Du Lac" aan de Katelijnevest, die werkt van 1919 tot 1965, is de kuiperij bewaard.

De oudere, van 1546 tot 1954 producerende brouwerij "Den Anker" aan de Wijngaardstraat vervangt in 1890 haar brouwershuis en -bedrijf door een nieuwe monumentale eigenaarswoning met twee aanpalende opbrengsthuizen. Aan het Walplein groeit de concentratie van kleine brouwerijen vanaf het midden van de 19de eeuw uit tot het complex van de "Halve Maan" dat nu nog deels als huisbrouwerij, taverne en museum fungeert.

Van het zestal forten in het kwartier, waarvan er drie aan de Oude tentweg lagen, rest hier alleen liet "Fort Kattepoortje" (nummers 153-167). In feite gaat het om een klein pleinbeluik dat opklimt tot 1792 en toegankelijk is via een deurtje en een smalle gang aangebracht in een ouder diephuis met een lijstgevel en een in- en uitzwenkende top (nummer 169). De acht lage huisjes zijn er hoofdzakelijk per twee of drie geschikt rondom een onregelmatige binnenplaats. Uit archieven blijkt dat het fort in 1892 30 inwoners telde, waarvan er toen 10 stierven aan de heersende cholera-epidemie en 5 besmettingen opliepen. Het beeldkastje met een Sint-Rochusbeeld boven de ingang herinnert hieraan. Het na de Eerste Wereldoorlog verdwenen "Fort Buse" met zijn vijf huisjes ontstaan aan een waterstraatje tussen de Kastanjeboomstraat en de Reie, is er nog lokaliseerbaar dankzij het poortje nummer 10. Van het grootste Fort van het "Centillepoortje" aan de Gentpoortvest met zijn 17 plus 10 woningen opgetrokken in 1841 en 1848 op een grote moestuin van de Visspaanstraat rest alleen de straatnaam "Sentillenhof' die gegeven werd aan een sociaal huisvestingsproject opgetrokken in 1990 op het terrein van liet in 1950 gesloopte fort.

Tot de verspreide bestemmingen horen de onderwijsinstellingen, al dan niet begeleid door kloosters.

Een merkwaardig voorbeeld is de Bewaarschool met klooster van de zusters van Sint-Vincentius a Paolo, opgetekend op de Poppkaart van 1865. De zusters laten deze gebouwen aan de Wijngaardplaats met steun van plaatselijke mecenassen bouwen vanaf hun aankomst te Brugge in 1851. Hun terrein loopt door tot de Noordstraat en wordt aan de zuidzijde begrensd door de Arsenaalstraat. De bestaande Bogaardenschool aan de Katelijnestraat, die als liefdadigheidsinstelling vanaf 1796 wordt beheerd door de Burgerlijke Godshuizen, wordt definitief gesloten in 1883 bij gebrek aan financiële middelen. Van 1886 zal het complex deels als museum dienen voor de verzameling van de Academie in de Poortersloge aan de gelijknamige straat in de oudste kern, en vanaf 1891 deels de "Akademie van Schoone Kunsten Nijverheid en Handel" herbergen. De oude gebouwen zullen hiertoe worden gerestaureerd en uitgebreid tot het huidige U-vormige complex met een binnenplaats aan de straat. In dezelfde omgeving ontstaat aan de Arsenaalstraat op initiatief van de zusters van Sint-Vincentius a Paolo, een eerste beroepsschool, die na enige tijd wordt overgenomen door de Stad en als Stedelijke Nijverheids- en Taalleergangen "De Bogaerde" en vorm krijgt in klassenvleugels daterend uit het einde van de 19de eeuw, 1908, 1921 en 1928.

Door de aanwezigheid van deze drie instellingen ontstaat een soort van cluster die wordt aangevuld door de vermelde school van de broeders van liefde tussen de Katelijnestraat en de Oude Gentweg en door de vanaf 1877 aan de Garenmarkt gevestigde meisjesschool van de "Dames de Saint-André" die zal uitgroeien tot de huidige campus Sint-Andreas.

In het Magdalenakwartier worden ook nieuwe religieuze instellingen gebouwd. De sinds 1841 in Brugge gevestigde zusters redemptoristinnen kopen in 1842, naast vrijgekomen panden van het gesloopte kapucinessenklooster, een grote moestuin aan in de Katelijnestraat; hierbij komt nog het te slopen "Fort De Rycke" of "Fort Nollet" dat sinds 1800-1810 bestond uit vijf huisjes gelegen aan een gang, rechts van het "Godshuis Hertsberghe", nummers 87-101. De loodrecht op de straat geplaatste neogotische kerk met een aanleunend klooster dateert van 1845-1848 en biedt, wat de kerk betreft, een interessant voorbeeld van religieuze architectuur.

Met de bouw van de parochiekerk Heilige Maria Magdalena en Heilige Catharina op een vanaf 1851 aan de kerkfabriek toegewezen zuidelijk deel van het gesloopte minderbroedersklooster, krijgt de binnenparochie van Sint-Catharina uiteindelijk een eigen bedehuis; de rijzige en elegante toren van het monumentale gebouw fungeert hierbij als markant herkenningspunt in het kwartier.

De Poppkaart van 1865 toont goed aan hoe de schuine aanleg van de kerk zich verhoudt tot de rest van de vrijgekomen ruimte en hoe het noordwestelijk deel ervan werd gebruikt voor de verdere uitbreiding van de sinds 1827 erkende Rijksgevangenis aan het Pandreitje. Tot het midden van de 19de eeuw neemt ze het Vleeshuis van de Wilde Beenhouwers in dat sinds 1768 de vroegere commerciële galerij 't Pand vervangt en verbouwt het in een verdere fase tot cellengevangenis. In 1854 en 1861-1863 zal het complex worden voltooid met de bouw van de nieuwe zuidelijke uitbreiding en die van het poortgebouw met aanpalende directeurs- en aalmoezenierswoning.

De kroon op deze stadsvernieuwingsoperatie komt er in 1851-1852 met de zwierige aanleg van het park in landschapsstijl door de Leuvense tuinarchitect E. Rosseels; hij voorziet van meet af aan een kiosk, die pas in 1858-1859 wordt opgericht.

Tot de nieuwe instellingen in de sociale en verzorgende sector hoort ook het complex van het "Werkhuis voor Bedelgers" gelegen aan de gelijknamige straat tussen de Oude en de Nieuwe Gentweg. Teruggaand op een ouder laat 18de-eeuws rasp- en gasthuis aan de Nieuwe Gentweg groeit het tijdens de 19de eeuw uit tot een ruim, strikt aangelegd complex met aanpalend groen dat reikt tot aan de Jakobinnessenstraat.

Het traditionele stichten van godshuizen wordt in het Magdalenakwartier voortgezet met het "Godshuis Le Maire" dat in 1910 aan het Walplein wordt ingericht in een voormalig pakhuis; aan de achterzijde wordt het uitgebreid met een viertal huisjes en een kapel en afgesloten door een blinde muur.

Sinds de jaren 1960 wordt aan de historische godshuizen, die nu ook alle overgenomen zijn door het OCMW, de nodige aandacht besteed: hun bouwfysische toestand is geleidelijk verbeterd en ook de woonkwaliteit is er verhoogd door het inbrengen van modern comfort en het samenvoegen van twee eenkamerhuisjes tot ruimere wooneenheden die soms een betere lichtinval hebben gekregen door het vergroten van de kleine vensters in de voorgevel. Gaandeweg is ook meer rekening gehouden met interessante elementen van de interieurs. Binnenplaatsen zijn verzorgd en kleurrijk aangeplant en afsluitingsmuren zijn aan de straat soms verlaagd om een zekere kijk te bieden op het ensemble zonder de privacy van de bewoners te storen. Dit "restauratieproces" is nog aan de gang in 2003-2004, onder meer in het "Rooms Convent" aan de Katelijnestraat en de "Stichting Sint-Trudo" aan de Garenmarkt.

Nieuwe interbellumwijken zoals in het Guido Gezellekwartier in Brugge Noord, komen hier niet voor; wel wordt soms aan seriebouw gedaan zoals in de Jakobinessenstraat waar in 1935 een tiental eengezinswoningen de plaats innemen van het afgebroken Sint-Dominicusgesticht.

Recentere ontwikkeling

Het Structuurplan van 1972 karakteriseert het Magdalenakwartier als "een dichtbewoonde buurt naast een overwegend onbewoonde buurt" en vergelijkt het hierom met de Seminariekwartier in Brugge Noord. De Katelijne- en Gentpoortstraat worden verder vergeleken wegens hun commerciële functie en keersdrukte waarvan het verkeersarme gedeelte van de eerste naar het centrum toe wordt geapprecieerd. Ook wordt hier aandacht besteed aan de het derde "subcentrum" aan de Vismarkt.

Een aantal toen nog bestaande bestemmingen, zoals de gevangenis van het Pandreitje en sommige leegstaande of uitbreidende bedrijven, worden als problematisch ervaren en moeilijk te integreren in de toekomst: voor het saneren van de brouwerij Vanderghote wordt een mogelijke herbestemming tot bewoning voorgesteld.

Aanbevolen wordt de onderwijsinstellingen in het kwartier alvast te behouden en bijzondere zorg te dragen voor het stadsgroen ten oosten van het Minnewater en de inpandige ruimte van het Sint-Andreas-Lyceum gelegen tussen de Eekhoutstraat en de Nieuwe Gentweg. Ook wordt aangedrongen op het valoriseren van het Koningin Astridpark en van de Boninvest waar de promenade enigszins wordt onderbroken door de stadsopslagplaatsen.

Inde loop van de laatste dertig jaar zijn enkele van deze voorstellen wijselijk opgevolgd.

Wat betreft de huisvesting kan het voorbeeld worden vermeld van de herbestemming en de inpandige aanvulling van de site van de brouwerij Van der GhoteVanneste aan de Engelstraat en de Zwarteleertouwersstraat in 1982. Zoals vermeld dateert het nieuwbouwproject van het Sentillehof, dat eengezinswoningen en appartementen groepeert rond een binnenplaats, uit de jaren 1990.

Het 19de-eeuwse Bedelaarswerkhuis is ten behoeve van de Vlaamse administratie herbestemd, aangepast en gedeeltelijk ontsloten in 1976-1980; de bijkomende nieuwe bouw aan de Oude Gentweg behoort tot de toenmalige "Brugse invularchitectuur", terwijl het opnieuw aangelegde domein rekening houdt met de voorschriften voor parkeerruimte. Het project voor stadswoningen van 't Pandreitje (2000-2003) combineert eveneens het behoudende restauratieve renovatie van het poortgebouw en de directeurs- en aalmoezenierswoning van de gelijknamige, historische gevangenis met een diversiteit van inpandige woningen die willen beantwoorden aan de huidige desiderata van de nieuwe stadsbewoners en passen in de herwaarderingspolitiek van de binnenstad. De herbestemming van een deel van het alexianenklooster aan de Katelijnestraat komt tezelfdertijd tegemoet aan het toenmalige gebrek aan parkeergarages en hotelkamers in de binnenstad.

In 1988 worden de kloostergebouwen gesloopt op de voormalige refter na: het uitgevoerde project biedt een ontsluiting van het bouwblok tussen de Katelijnestraat en de Oude Gentweg en een vervlechting van oude en nieuwe bouw rond een binnenplaats die aangelegd is boven de ondergrondse garage.

De aanbevelingen van het Structuurplan worden ook opgevolgd wat betreft het verbeteren en invoegen van openbaar groen. Het terrein van het afgebroken "Fraeyhuis" aan het Minnewater wordt in 1974 door de Stad aangekocht: in plaats van de verschillende voorstellen tot verkaveling zal het gebied in 1977-1979 worden geïntegreerd in de aanleg van het Minnewaterpark met een gediversifieerde recreatieve functie voor de bewoners en bezoekers. Rekening houdend met de ingevoerde autobusparkings van het Kanaaleiland wordt in 1986 een eerste houten voetgangersbrug voorzien die de toeristen een vlotte verbinding geeft met het Minnewater. Deze brug zal in het kader van Brugge 2002 worden vervangen door de IJsputbrug, een metalen constructie met een verzorgde vormgeving. In dezelfde context wordt op het einde van de Coupure een nieuwe, "oprolbare" voetgangers- en fietsersbrug gebouwd die de Kazerne- en Boninvest verbindt.

Het Jakobinessenpark, aangelegd in 2002 op braakliggende grond in de gelijknamige straat, beantwoordt met zijn recreatieve uitrusting aan de noden van de buurt.

Ten slotte heeft ook het Koningin Astridpark, zoals gesuggereerd in het Structuurplan, een opknapbeurt gekregen waarbij de terugkeer naar de oorspronkelijke kleurstelling van de kiosk in 1995 een aantrekkelijke meerwaarde betekent.

Interessant is wel de inmiddels geëvolueerde evaluatie van de bedrijfsgebouwen van de brouwerij De Halve Maan: het Structuurplan beschouwde het complex als een storend element in de nabijheid van het Begijnhof en in het gezicht op de Onze-Lieve-Vrouwetoren; vandaag wordt het beschouwd als één van de laatste, interessante en nog werkende getuigen van het rijke bierbrouwer in de binnenstad en een bijkomende toeristische attractie...

In dezelfde context van herwaardering past de ontsluiting sinds 2002, van de neogotische Heiligen Magdalena en Catharinakerk: ze wordt losgekoppeld van de katholieke eredienst en herbestemd als "open ruimte" waarin een multifunctioneel platform wordt aangelegd voor culturele evenementen en de westelijke berging wordt ingericht als stille bezinningsruimte.


Bron     : Gilté S., Vanwalleghem A. & Van Vlaenderen P. 2004: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Brugge, Middeleeuwse stadsuitbreiding, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 18NB Zuid, Brussel - Turnhout.
Auteurs :  Gilté, Stefanie, Van Vlaenderen, Patricia, Vanwalleghem, Aagje
Datum  : 2004


Relaties