Geografisch thema

Gent - fusiegemeenten

ID: 14753   URI: https://id.erfgoed.net/themas/14753

Beschrijving

ALGEMENE SITUERING

De stad Gent zoals ze zich nu voordoet, is het resultaat van enerzijds de door aankoop en expansiedrang historisch gegroeide kern en anderzijds van twee grote fusies, die van 1964-65 waardoor de noordelijke gemeenten (Desteldonk, Mendonk, Sint-Kruis-Winkel en het gehucht Terdonk) bij Gent gevoegd werden en die van 1977 waarbij de Gentse agglomeratie (Afsnee, Drongen, Gentbrugge, Ledeberg, Mariakerke, Oostakker, Sint-Amandsberg, Sint-Denijs-Westrem, Wondelgem en Zwijnaarde) opgeslorpt werd.

Deze randgemeenten vormen als het ware een omhulsel van de stad Gent en beslaan het centrale deel van het arrondissement. Ze omlijnen een grillige peervorm met een smalle noordelijke uitloper langsheen het Kanaal Gent-Terneuzen tot de grens met Zelzate (arrondissement Eeklo).

De verschillende fusiegemeenten kunnen in drie groepen ingedeeld worden: de noordelijke, oorspronkelijk zeer landelijke gemeenten, door de aanwezigheid van het Kanaal hoofdzakelijk omgevormd tot of voorbestemd voor industriegebieden (Desteldonk, Mendonk, Sint-Kruis-Winkel, Terdonk, Oostakker en Wondelgem); de oostelijke gemeenten, aansluitend bij de stad, met typisch voorstedelijk karakter (Gentbrugge, Ledeberg, Sint-Amandsberg) en tenslotte de verder verwijderde zuidelijke en westelijke randgemeenten met nog vrij landelijk en eerder residentieel karakter (Afsnee, Drongen, Mariakerke, Sint-Denijs-Westrem en Zwijnaarde).

Als grote stad (tot de fusie van Antwerpen in 1983 de grootste van Vlaanderen) heeft Gent een vrij lage bevolkingsdichtheid (1.616 inwoners per vierkante kilometer), door de aanwezigheid van talrijke fabrieken en uitgestrekte industrieterreinen, meersen en nog landelijk gebleven randgemeenten binnen de huidige stadsgrenzen. De grootste bevolkingsdensiteit vinden we in de randgemeenten met voorstedelijk karakter; Ledeberg, het westelijk deel van Sint-Amandsberg en Gentbrugge, in Wondelgem en Mariakerke in de nabijheid van de haven en de Brugse Vaart.

De laatste jaren is echter ook een bevolkingsaangroei waar te nemen in de meer afgelegen en zuidelijke gemeenten (onder meer Sint-Denijs-Westrem, Drongen, Zwijnaarde) vooral door de verkavelingen.

De meeste randgemeenten, met de stad verbonden langs grote steenwegen (Antwerpse-, Dendermondse-, Brusselse-, Kortrijkse- en Brugsesteenweg), vertonen een aaneengesloten dorpskern, gekenmerkt door onregelmatige webstructuren en een losse versnipperde landelijke bebouwing er rond, met ertussen zogenaamde stedelijke brokstukken (villa- en tuinwijken of sociale woonwijken). Ze worden alle gekarakteriseerd door de aanwezigheid van natuurlijke of gegraven waterlopen: Afsnee, Drongen en Sint-Denijs-Westrem aan de Leie, Gentbrugge, Ledeberg en Zwijnaarde aan de Schelde, Mariakerke aan de Brugse Vaart, Wondelgem, Oostakker, Mendonk, Desteldonk en Sint-Kruis-Winkel aan het Kanaal Gent-Terneuzen, Drongen en Mariakerke, Wondelgem en Zwijnaarde recent ook aan de Ringvaart.

Geografisch behoort het gebied tot de noordelijke laagvlakte en omvat zowel een deel van de natuurlandschappelijke gewesten van het zogenaamde Gentse Houtland ten westen van het Kanaal Gent-Terneuzen, van het Laag Interfluvium Leie-Schelde ten zuidwesten van Gent, als een deel van de Lokerse Zandstreek ten oosten van het Kanaal. Het landschap wordt gekenmerkt door een vlak tot golvend reliëf (5 à 10 m hoogte) met enkele heuvels als restanten van boreale stuifzandkoppen (bijvoorbeeld nog te zien in Sint-Amandsberg), donken of zandige opduikingen in moerassig gebied (bijvoorbeeld Mendonk) en brede vochtige tot moerassige valleien van Leie, Schelde en bijrivieren.

De hydrografische situatie, namelijk de samenvloeiing van Leie en Schelde, was uiterst gunstig en bepalend voor de stedelijke ontwikkeling van Gent. Ook de droge hoge zandruggen langs de oevers van de rivieren waren zeer geschikt voor vestiging en verklaren de grote concentratie van nederzettingen in het gebied vanaf de vroege middeleeuwen (6de-7de eeuw) zoals bijvoorbeeld Sloten en Achtene ten noordoosten van Gent, Aaigem, Ekkergem en het oude Wondelgem ten zuiden en westen van de stad.

Het natuurlandschap, voornamelijk heidevelden, bekend te Oostakker en Sint-Amandsberg (zie Heyveld) of het zogenaamde Scheldeveld dat zich uitstrekte tot Zwijnaarde en Sint-Denijs-Westrem, begrensd door bossen werd dus zeer vroeg tot cultuurlandschap omgevormd. Het wordt gekenmerkt door akkerbouw in grote blokvormige percelen met open uitzicht, de zogenaamde kouters.

De intensieve ontginningen tijdens de middeleeuwen (11de-13de eeuw) waarbij de twee grote abdijen, Sint-Baafs en Sint-Pieters, respectievelijk ten noorden, noordoosten en ten zuiden van Gent een belangrijke rol speelden, worden gekarakteriseerd door een meer gesloten uitzicht, zogenaamde bulken, waarbij de repelvormige percelen door levende afsluitingen omheind zijn en de bewoning aan de weg gelokaliseerd werd. Tenslotte hebben de recentere ontginningen (18de eeuw) met een sterk geïndividualiseerde percelering en verspreide bewoning middenin een onregelmatige blokpercelering, het landschap verder bepaald.

Ook de bodemgesteldheid, lichte zandgrond tot zandachtige leemgronden mei vroeger vaak overstroombare alluviale vlakten, was determinerend voor het landschapstype. De landbouwbedrijvigheid is vooral gekarakteriseerd door kleine ondernemingen van het gemengde type, met akkerbouw op de hoger gelegen droge kouterzones en weilanden in de alluviale valleien (bijvoorbeeld in Afsnee, Drongen, Zwijnaarde, Oostakker). De hofbouw ontwikkelde zich in het Gentse sinds de 18de eeuw en was vooral gericht op de sierplantenteelt. Vooral in de 19de eeuw werden talrijke bloemisterijen opgericht in Gentbrugge, Ledeberg, Sint-Amandsberg en Oostakker. Onder impuls van Louis Van Houtte en zijn tuinbouwschool (opgericht in 1849) werd Gentbrugge één der belangrijkste centra in de tweede helft van de 19de eeuw. Omstreeks 1885 begon een duidelijke specialisatie in het tuinbouwbedrijf: azalea, pracena, clivia en begonia drukken hun stempel op de bloemisterijen. In Sint-Denijs-Westrem zijn enkele bedrijven gespecialiseerd in orchideeën.

De groenteteelt daarentegen, vooral in Drongen en Wondelgem, is minder representatief voor het Gentse ommeland. De aanpassingen aan het hydrografisch net, waardoor de oorspronkelijke loop van de rivieren haast volledig gewijzigd werd en talrijke oude armen en meanders verdwenen, het graven van nieuwe kunstmatige waterlopen (kanaal Gent-Terneuzen, Ringvaart), de uitbreiding van het wegennet onder meer met de autosnelwegen E3 en E5, en de verstedelijking van de dorpen door verkavelingen en nieuwe industrieterreinen (in de noordelijke gemeenten en in Zwijnaarde) hebben dit landschap de laatste jaren sterk aangetast.

Het landschappelijk waardevolle gebied van de Bourgoyen-Ossemeersen in Drongen werd reeds beschermd, andere zoals de Assels zijn ter studie.

HISTORISCHE ACHTERGROND

De oudste getuigen van menselijke aanwezigheid in het gebied dateren uit de prehistorie, namelijk enkele vuurstenen werktuigen van de Mousteriencultuur (midden-Paleolithicum, 55000-35000 voor Christus) gevonden bij fort Arthur (vroeger Oostakker) en in de Blaarmeersen (vroeger Drongen).

In Mendonk werden schaarse vuursteenspitsen toegeschreven aan de Tjongercultuur (einde van het Laat-paleolithicum, 9000-8000 voor Christus). Vanaf het Mesolithicum (8000-3000 voor Christus) worden de sporen talrijker. Een belangrijke Tardenoisien-kampeerplaats met talrijke microbeten of kleine bewerkte vuurstenen kon gelokaliseerd worden bij Port Arthur, een tweede mogelijk in Sint-Denijs-Westrem. Uit het Neolithicum (3000-2200 voor Christus) zijn een aanzienlijk aantal losse vondsten (onder meer gepolijste bijlen) verspreid over het gebied te vermelden en twee met zekerheid gelokaliseerde neolithische dorpen, één in Mendonk-Sint-Kruis-Winkel en een moerasdorp in Afsnee. Uit de Bronstijd dateren enkel een aantal vroege bronzen bijlen (gevonden in Ledeberg, Gent en Gentbrugge) en een ensemble bronzen voorwerpen en sieraden (mogelijk een depot van een bronsgieter), gevonden in Port Arthur, naast losse vondsten (messen, hulsbijlen in Afsnee, Sint-Amandsberg, Mendonk, Ledeberg). Nog in Port Arthur laten een aantal aardewerkscherven, slingerkogels en spinschijfjes een kleine La-Tènenederzetting (Late IJzertijd, 450-57 voor Christus) vermoeden. Tijdens deze periode was het gebied grotendeels bewoond door de Menapii, namelijk het gedeelte ten westen van de Schelde, het gebied ten oosten was bewoond door de Nervii. Hiertoe behoorden enkel Gentbrugge en Ledeberg. Tijdens de Gallo-Romeinse periode (57 voor Christus - einde 4de eeuw) bleef de Schelde de grens tussen de civitas Menapiorum en de civitas Nerviorum. Vanaf deze periode kan men spreken van een echte stedelijke agglomeratie of vicus, Ganda genaamd. De Gallo-Romeinse vondsten in de vroegere Sint-Baafsabdij, de resten van een nederzetting opgegraven door het seminarie voor Archeologie van de Gentse Rijksuniversiteit in Destelbergen-Eenbeekeinde, te dateren van de 1ste tot de 4de eeuw, en een aantal losse vondsten tussen beide gebieden laten professor De Laet veronderstellen dat beide vindplaatsen deel uitmaakten van een langgerekte nederzetting, gelegen op de smalle zandrug langs de Schelde. Bij graafwerken aan de E3-autosnelweg (1967) kon een grafveld, onder andere een massagraf, gelokaliseerd worden. Hieruit blijkt dat de vicus Ganda een van de belangrijkste van het land moet zijn geweest. Verschillende wegen verbonden haar ook met andere Gallo-Romeinse agglomeraties, onder meer de heirweg naar Bavai over Gentbrugge, naar Kortrijk over Sint-Denijs-Westrem en vermoedelijk ook naar Oudenburg en Brugge.

Het einde van de Gallo-Romeinse periode laat men gewoonlijk samenvallen met de grote invallen van Germaanse stammen circa 406-407. Een muntschat ontdekt in Sint-Denijs-Westrem, aan de aarde toevertrouwd in 408, laat veronderstellen dat de Gentse vicus ook bedreigd werd.

Tijdens de Frankische periode (5de-9de eeuw) werd het gebied administratief ingedeeld in pagi of gouwen. Weer bleef de Schelde de grens tussen de pagus Gandensis (ten westen) en de pagus Brabantensis (ten oosten) en bleef het hier behandelde gebied in tweeën gesplitst.

Naast de Merovingische agrarische nederzetting op de Zandberg, de eerste Gentse portus, ontwikkelden zich in het gebied verschillende vroegmiddeleeuwse nederzettingen, zoals reeds aangegeven werd bij de landschapstypering (bijvoorbeeld Sloten, Achtene, Aaigem, Ekkergem, Drongen, Marka-Vroonstalle (Wondelgem)) waarvan de meeste echter niet uitgroeiden tot een dorp.

De basis van waaruit de kerstening van het gebied gebeurde vanaf de 7de eeuw was de oprichting van grote abdijen ten tijde van de Heilige Amandus, een monnik uit Aquitanië. Circa 630 stichtte hij zelf de Sint-Baafsabdij op de meest westelijke uitloper van de zandrug bij de samenvloeiing van Leie en Schelde. Kort nadien werd door toedoen van zijn vriend Johannes de Sint-Pietersabdij opgericht op de Blandinusberg tussen Leie en Schelde.

In de 7de eeuw ook zou de Heilige Amandus (de Frankische vorst Basinus volgens anderen) in Drongen bij de Leie een klooster voor seculiere kanunniken opgericht hebben. Rond Sint-Baafs en Sint-Pieters ontstonden het Sint-Baafs- en Sint-Pietersdorp die echter vanaf de 13de eeuw reeds gedeeltelijk binnen de stadsomwalling kwamen. Met geldelijke steun van koning Dagobert kocht Amandus een groot gebied ten noordoosten van Gent en schonk het aan de Sint-Baafsabdij. Hiertoe behoorde de reeds bestaande nederzetting "Sloten", die tot de 12de eeuw het centrum van het Sint-Baafsdomein zou blijven. Daarnaast werden aan beide zijden belangrijke schenkingen gedaan (onder meer het kroondomein Marka aan Sint-Baafs, goederen in Afsnee en Sint-Denijs-Westrem aan Sint-Pieters) zodat beide abdijen tot de belangrijkste grootgrondbezitters van het gebied gingen behoren. Ook de abdij van Drongen, sinds 1138 overgedragen aan de premonstratenzers of norbertijnen, bezat grote domeinen, voornamelijk echter gelegen buiten het nu behandelde gebied.

Belangrijk voor de verdere politieke evolutie in het gebied was het Verdrag van Verdun (843), waardoor het eenheidsrijk van Karel de Grote uiteenviel en de pagus Gandensis bij West-Francia, het latere Frankrijk gevoegd werd terwijl de pagus Brabantensis bij Lotharingen kwam en vanaf 925 bij Oost-Francia, het latere Duitsland, met de Schelde als politieke grens.

Uit de ontbinding van het West-Frankische koninkrijk ontstond op het einde van de 9de eeuw onder meer het graafschap Vlaanderen. De graven van Vlaanderen waren zowel leenmannen van de Franse koningen (voor het deel ten westen van de Schelde, Kroonvlaanderen genoemd) als van de Duitse keizer (ten oosten ervan of Rijksvlaanderen). Vlaanderen en vooral Gent op de Schelde vormde dus een belangrijk grensgebied tussen beide rijken. De graven bouwden een feodale staat uit met een degelijke bestuurlijke organisatie. Het graafschap Vlaanderen werd ingedeeld in verschillende militaire, bestuurlijke en rechterlijke districten, kasselrijen genoemd, plus minus overeenkomend met de vroegere pagi. Elke kasselrij bestond verder uit een aantal rechtsgebieden of roeden, en heerlijkheden.

In dit gebied behoorden de meeste dorpen tot de kasselrij van de Oudburg te Gent en tot één van de vier roeden: de Oudburg zelf, Nevele, Sint-Baafs of Sint-Pieters. Enkel Gentbrugge en Ledeberg maakten deel uit van de kasselrij van het Land van Aalst; Sint-Kruis-Winkel behoorde tot die van de Vier Ambachten. De heerlijkheden hingen hoofdzakelijk af van de twee grote abdijen die als grootgrondbezitters heerlijke rechten uitoefenden. De noordelijke gebieden (Sint-Kruis-Winkel, Mendonk, Desteldonk, Oostakker, Sint-Amandsberg en Wondelgem) behoorden tot de Sint-Baafsheerlijkheid. De meer zuidelijke en westelijke streken (Ledeberg, Zwijnaarde, Sint-Denijs-Westrem, Afsnee en Mariakerke) waren afhankelijk van de Sint-Pietersheerlijkheid. Gentbrugge, gelegen in het graafschap Aalst behoorde tot de heerlijkheid van het Land van Rode, terwijl de heerlijkheid Drongen oorspronkelijk een leen van de graven van Vlaanderen was. Binnen deze heerlijkheden waren nog verschillende lenen onder toezicht van een lokale heer, met eigen baljuw, schepenen en vierschaar.

Talrijke vanouds bekende domeinen en kastelen maakten er de zetel van (kasteel Borluut in Sint-Denijs-Westrem, Daerupt in Afsnee, Coninxdonck in Gentbrugge).

Gedurende de volgende eeuwen bleef deze bestuurlijke, administratieve indeling behouden. Op politiek vlak hadden wel belangrijke wijzigingen plaats. Tijdens de 14de-15de eeuw (1363-1477) behoorden onze gewesten tot het Bourgondische Rijk. De herhaalde conflicten tussen Gent en de hertogen Filips de Goede en Karel de Stoute hadden ook voor de randgebieden zware gevolgen, voornamelijk in de vorm van verwoestingen en plunderingen door de doortrekkende legers.

De 16de eeuw werd gedomineerd door de figuur van Keizer Karel, met voor Gent de noodlottige gevolgen van de Carolijnse Concessie (1540) en het seculariseren van de monniken van Sint-Baafs (1536), het afschaffen van de abdij en het overdragen van hun bezittingen (onder meer de talrijke heerlijkheden ten noorden van Gent) aan het nieuw opgerichte bisdom (1559). Tijdens de tweede eeuwhelft brachten de godsdiensttroebelen en de Beeldenstorm (1566) grote ontreddering en vernieling: de meeste kerken werden beschadigd en geplunderd en talrijke kastelen en hoeven in brand gestoken.

Ook de internationale conflicten in de 17de eeuw, voornamelijk de veroveringstochten van Lodewijk XIV en het binnenvallen van de Franse legers in Gent in 1678, waren noodlottig voor de meeste omliggende dorpen, die de legers moesten herbergen en onderhouden.

Met de Vrede van Utrecht in 1713 gingen de Nederlanden over van de Spaanse naar de Oostenrijkse Habsburgers (tot 1792). Deze periode van relatieve rust was belangrijk voor de ontwikkeling van de nijverheid (in de stad) maar ook voor de landbouw, die de uitbreiding van het landbouwareaal meemaakte dankzij nieuwe ontginningen en de modernisering van de techniek.

Als gevolg van de demografische explosie in die tijd steeg de bebouwde oppervlakte ook aanzienlijk, wat zich duidelijk weerspiegelt in het nog bestaande architecturale patrimonium. In deze 18de eeuw werd ook het wegennet enorm verbeterd en uitgebreid. De nieuwe grote, meestal rechtlijnige steenwegen van Gent naar de andere grote steden (naar Brussel (circa 1704), Kortrijk (1716-1720), Antwerpen) doorkruisten de verschillende randgebieden en waren vaak determinerend voor de ontwikkeling hiervan (bijvoorbeeld de afspanningen angs de Kortrijksesteenweg vormden de kern van latere gehuchten).

Ook op bestuurlijk gebied was de Oostenrijkse periode baanbrekend voor de reorganisatie van de staat. Onder Jozef II werden de vorstendommen tijdelijk vervangen door negen provincies die ingedeeld werden in arrondissementen. Met de Franse overheersing (1792-1815) kwam definitief een einde aan alle traditionele staatkundige, bestuurlijke en rechterlijke instellingen. Het land werd ingedeeld in bestuurlijke departementen en gerechtelijke kantons. Gent en omstreken maakten deel uit van het departement van de Schelde. De heerlijkheden werden afgeschaft en volgens de parochiegrenzen gegroepeerd in gemeenten met een eigen bestuurlijke organisatie met zuiver wereldlijk karakter. Ook alle kerkelijke bezittingen van de voormalige Sint-Baafsabdij en van de Sint-Pietersabdij werden verbeurd verklaard en onder controle van de gemeenten gesteld.

Tijdens de vijftien jaar waarin onze gewesten deel uitmaakten van het Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) werden deze staatskundige, bestuurlijke en rechterlijke vernieuwingen bestendigd en aangevuld. Op economisch gebied was deze periode gunstig voor onze streken voornamelijk door de aanleg van het Kanaal Gent-Terneuzen, de uitbouw van Gent als zeehaven en de hoge vlucht van de textielnijverheid.

Na een moeilijke periode na de onafhankelijkheid van de Belgische staat (1830) (onder meer met de sluiting van de Schelde en het Kanaal tot 1839) was een enorme economische expansie waar te nemen vanaf de jaren 1850-1860. De toenemende industrialisatie, vooral nabij de haven en de grote waterwegen, lokte de plattelandsbevolking naar de stad en randgebieden, zodat volledige nieuwe wijken ontstonden en ook grote delen van Sint-Amandsberg, Gentbrugge en Ledeberg volledig verstedelijkten. Tijdens deze 19de eeuw werd het wegennet verder uitgebouwd en vanaf 1837 uitgebreid met een spoorwegnet, waardoor Gent ook een belangrijk knooppunt van de grote lijnen werd en de meeste randgemeenten op een spoorwegverbinding konden rekenen. Sinds 1885 kwamen de buurtspoorwegen het verkeer naar het platteland nog verbeteren.

In de dichtstbijgelegen en gemakkelijkst toegankelijke gemeenten ontstonden aldus reeds in het begin van de 20ste eeuw en vooral in de jaren 1930 nieuwe woonwijken door de verkaveling van kasteelparken (bijvoorbeeld in Sint-Denijs-Westrem, Soenenspark, Sint-Amandsberg, Carelshof) of bloemisterijen (vooral in Gentbrugge).

Tenslotte zijn door het steeds toenemende privé-verkeer en de snelle verbindingen langs de autosnelwegen de laatste decennia (vooral sinds de jaren 1950-60) ook verder afgelegen landelijke gebieden (zoals in Drongen en Zwijnaarde) aantrekkelijk geworden voor de forenzen en zijn in alle randgemeenten talrijke nieuwe wijken met voornamelijk residentieel karakter ontstaan.

OVERZICHT VAN DE ARCHITECTUUR IN DE GENTSE FUSIEGEMEENTEN

RELIGIEUZE ARCHITECTUUR

Het Kerkelijk leven in de fusiegemeenten van Gent gaat terug tot de 7de, 8ste eeuw. Het bekeringswerk van de Heilige Amandus met de oprichting van de Sint-Baafs en Sint-Pietersabdij en hun onmiskenbare invloed en uitstraling op de omgevende leefgemeenschappen, liggen zeker aan de basis van de oprichting van menig romaans bedehuis rondom de stad Gent. Aanvankelijk ging het uiteraard om kleine houten bidplaatsen, terwijl vanaf de 10de eeuw natuurstenen kerkgebouwen ontstonden. Vermoedelijk parallel met de snellere bevolkingsaanwas en de grote ontginningsbeweging van de 11de en 12de eeuw, werd een groter aantal wijkkapellen opgericht. Dit gebeurde waarschijnlijk voor het merendeel op last van één van de Gentse abdijen en veelal in de directe nabijheid van de voornaamste en oudste herenhoeve van de vroegere gemeente. Bij de inrichting van de eerste parochies, werden de vroegere wijkkapellen tot parochiekerk verheven.

Kerken en kapellen

Van de romaanse kerkjes, die in bijna iedere Gentse fusiegemeente bestaan hebben, bleef enkel de Sint-Jan-Baptistkerk te Afsnee overeind staan. Dit kerkgebouw is tevens het enige in Vlaanderen bewaarde voorbeeld van een kleine plattelandskerk in ROMAANSE STIJL met basilicale aanleg. Het bedehuis gaat door als typerend voor de romaanse kerkbouw in de Scheldestreek, en is opgetrokken uit Doornikse kalksteen met hoofdzakelijk invloed van de Noord-Franse School. Het betreft vooral de plattegrond en de opstand (daterend uit de 12de eeuw) waarbij het schip eindigt op een recht afgesloten koor en een massieve kruisingstoren vertoont waarvan de vierkante romaanse aanzet verklimt naar een achtkantige klokkentoren.

De Onze-Lieve-Vrouw-Geboortekerk te Mariakerke was in oorsprong eveneens een romaanse miniatuurbasiliek uit de 10de eeuw met een ingebouwde koortoren en zonder transept. Ingrijpende uitbreidingswerken en herstellingen uit de 13de eeuw en van 1887-1892 bezorgden ons heden een vroeg-gotische dorpskerk, kenmerkend voor de Schelde-gotiek. Het romaanse concept is wel nog herkenbaar in de aanleg en in het metselwerk van de toren.

Bakstenen dorpskerken in GOTISCHE STIJL kwamen van de 14de tot de 17de eeuw in verscheidene fusiegemeenten tot stand. Indien zij later niet totaal verdwenen, dan waren de aanpassings-, vergrotings- en/of herstellingswerken van zo'n aard dat van de oorspronkelijke gotische kerk nog weinig als dusdanig herkenbaar overbleef (bijvoorbeeld de Onze-Lieve-Vrouw Geboorte en Heilige Cyprianuskerk van Desteldonk). Een niet onbelangrijke uitzondering hierop vormt de Heilige Kruiskerk van Sint-Kruis-Winkel. Deze driebeukige bakstenen hallenkerk met massieve uitgebouwde westtoren behield haar hoog-gotische aanleg en opstand uit de 15de eeuw. Een aantal bouwkenmerken wijzen op de invloed van de Brabantse gotiek, namelijk de plint van Ledische zandsteen van de toren en de steunen met krulbladkapiteel in het koor.

Wat aan kerken en kapellen in BAROKSTIJL gerealiseerd werd in de 17de en 18de eeuw kan vooral als vrij classicerende bouwwerken in bak- en zandsteen gekarakteriseerd worden. Een markant voorbeeld uit deze barokperiode is de eenbeukige Sint-Catharinakerk van Wondelgem. Zij vertoont een transept, een driezijdig afgesloten koor en een vierkante oosttoren. Qua stijl sluit de halsgevel met pilasterordonnantie en frontonbekroning aan bij de typische barokke Gentse begijnhofkerken.

De kleine bedevaartkapel ’t Putje, te Sint-Denijs-Westrem, vertoont ook een pilastergevel, maar met een in- en uitgezwenkte top voorzien van vleugelstukken en een fronton. Typische barokke siermotieven zoals engelenkopjes vonden toepassing in de deuromlijsting van de kapel. De sobere klokgevel van de Sint-Amanduskapel te Sint-Amandsberg (1720-1721) neigt duidelijk naar het strengere classicisme van de 18de eeuw.

Ingevolge de sterke bevolkingsstijging in de tweede helft van de 19de eeuw ontstonden tal van nieuwe parochiekerken, en dit zowel voor de nieuw gecreëerde woonwijken als ter vervanging van de te klein geworden oude dorpskerken. De meest gangbare stijl voor de kerkenbouw in die periode was de NEOGOTIEK. De vroegste voorbeelden daarvan zijn de typische en eenvoudige plattelandskerken naar ontwerp van architect M.J. Wolters (1793-1859). Hij dekt zijn driebeukige kerkruimte af met één zadeldak, laat de ingebouwde vierkante westtoren boven het dak verklimmen naar een achtkantige klokkenruimte en plaatst het portaal onder een boogfries (bijvoorbeeld de Sint-Denijskerk te Sint-Denijs-Westrem van 1845 en de later verbouwde en uitgebreide Sint-Amandskerk te Sint-Amandsberg van 1846-47).

De liturgisch geladen veelkleurige beschilderingen van sommige binnenkerken en ook het decoratief uitgewerkt kerkmobilair zijn dikwijls interessante uitingen van de nieuw opgekomen mogelijkheden van de kunstambachten onder invloed van de promotor van de neogotiek Jean Bethune. Vermeldenswaardig hierbij is de polychromie naar zijn ontwerp van de basiliek Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes te Oostakker (1875-77).

De religieuze architectuur heeft sinds de 19de eeuw in het geheel en in de evolutie van de bouwkunst voortdurend aan belang ingeboet, ten voordele van de burgerlijke architectuur. Waar de kerkenbouw voor de vroegere historische stijlen (gotiek, renaissance, barok) toonaangevend was, is dat vanaf het neoclassicisme en zeker voor de aanzet van de moderne architectuur, niet meer het geval.

ln de moderne kerkbouw is de Onze-Lieve-Vrouwekerk van de Oude Bareel te Sint-Amandsberg (1932-33) van architect V. Vaerwyck waarschijnlijk richtinggevend geweest voor soortgelijke creaties in strenge baksteenarchitectuur. De Heilige kruiskerk van de wijk Westveld te Sint-Amandsberg, ontworpen in 1960 door architect P. Van Maele, is het enige exemplaar van een kerk in hedendaagse architectuur.

Abdijen, kloosters en begijnhoven

De vroegere norbertijnenabdij van Drongen is de enige abdij in de directe omgeving van Gent. Met betrekking tot de stichting van de oudste abdijgebouwen beschikken we slechts over enkele vage gegevens. De stichting, in de 7de eeuw van een Onze-Lieve-Vrouwekerk met een kapittel van seculiere kanunniken wordt toegeschreven aan de legendarische vorst Basinus. Andere bronnen vermelden de Heilige Amandus als stichter. De heer van Drongen, lwein van Aalst, ontbond in 1138 het klooster en schonk de goederen aan norbertijnen. Zij bouwden in de loop der tijd een ruim complex gebouwen uit, die zich thans voornamelijk laten situeren in de 17de en de 18de eeuw, het kloosterpand werd volgens de klassieke aanleg opgericht met de voornaamste gebouwen gegroepeerd rondom een binnenplaats. De okerkleurig geschilderde gevels onder leien daken vertonen een zeer eenvoudige classicerende ordonnantie. Van de abdijkerk rest thans enkel de peperbusvormige toren van 1732 ingewerkt in een 19de-eeuwse neo-classicistische kerk (1858-59). Het ontwerp van bouwmeester de Stoop werd uitgevoerd door de bekende Gentse meester-metser Bernard de Wilde. Korte tijd na de afschaffing en de verkoop van de abdij tijdens de Franse Revolutie, vestigden in 1836 de jezuïeten het noviciaat van hun Belgische provincie in de geconfisqueerde gebouwen en brachten de nodige aanpassingen en verbouwingen aan.

Nieuwe kloosterstichtingen gebeurden vooral in de tweede helft van de 19de eeuw, doorgaans op verzoek van de parochiegeestelijkheid of het bisdom, om tezelfdertijd in het onderwijs van de jeugd of de verzorging van zieken en bejaarden te voorzien. De bakstenen kloostergebouwen zijn meestal vrij sober gehouden, en hebben een neogotische of neoromaanse inslag die vooral tot uiting komt in de decoratie met lijsten en friezen van top- of trapgevels en in de vormgeving van de vensters. Het Sinte Regina's Godshuis te Drongen (Kloosterstraat nummer 6) naar ontwerp van architect A. Van Assche en onder leiding van J. Bethune (1872-1874) is een geslaagd, harmonieus kloostergebouw in neogotische stijl. Veelal is alleen de bijhorende kapel een werkelijk uitgesproken vertegenwoordiger van de neostijl. Dit is onder meer het geval voor de neoromaanse kapel van de Sint-Amanduskliniek te Sint-Amandsberg (Antwerpsesteenweg 772-776) van 1877 naar ontwerp van architect Modeste De Noyette.

Het in 1873-1874 opgerichte Groot Begijnhof van Sint-Amandsberg, ontworpen door architect A. Verhaegen, is een consequente realisatie van een middeleeuws concept qua idee, aanleg en uitwerking, en is bijgevolg een significant voorbeeld van neogotische baksteenarchitectuur. Zoals de oude begijnhoven werd het gebouwd als een afzonderlijke ommuurde stad in de stad en is het overeenkomstig geïnspireerd op de Vlaamse 15de-eeuwse gotiek. Er is geen repetitief schema toegepast op de begijnenhuizen, maar zowel in het huistype als in de detailuitwerking werd variatie en een persoonlijke noot nagestreefd. De toepassing van de Brugse travee, de getrapte of tuitvormige dakvensters vormt nochtans een constante in de gevelordonnantie. De centrale begijnhofkerk is uitgevoerd naar een ontwerp van J. Bethune.

BURGERLIJKE ARCHITECTUUR

Openbare gebouwen

Op het einde van de 19de eeuw, gepaard gaande met een algemene bevolkingsaangroei, verscheen op het kerkplein of elders in menig dorpscentrum, een gemeentehuis als een duidelijk herkenbaar gebouwtype. Als algemene trant kan vastgesteld worden dat dergelijke gebouwen zowel qua stijl als qua concept refereren naar de middeleeuwse stadhuizen. Vandaar veelal neogotisch geïnspireerde bouwwerken met een traditionele materiaalkeuze (baksteen en natuursteen). Een pui naar de toegangspoort op de verhoogde grond en ook de toren moeten het belang van het gebouw constructief verhogen, bijvoorbeeld te Desteldonk, Oostakker, Sint-Denijs-Westrem. Kunsthistorisch gezien valt vooral het gemeentehuis van Sint-Amandsberg op, daterend van 1883 en gerealiseerd door architect Modeste De Noyette. Dit monumentaal en vrijstaande gemeentehuis valt op door zijn pittoresk karakter en zware torenbouw die veel gelijkenis vertoont met de toren van het stadhuis van Sint-Niklaas (1876-1879) naar ontwerp van architect Pieter van Kerkhove.

Enigszins afwijkend van het klassiek gemeentehuismodel, is dat van Gent-Brugge: ondanks zijn latere verminkingen behield dit te midden van een huizenrij gebouwde, neoromaanse gemeentehuis (1894) veel van zijn oorspronkelijk allure.

In de jaren 1860-1870 heeft architect E. de Perre-Montigny in de provincie Oost-Vlaanderen talrijke onderwijzerswoningen met bijhorende school gebouwd met steeds terugkerende bouwkenmerken. Aldus creëerde hij een te herkennen en typische gemeenteschool, waarvan slechts vier exemplaren in de Gentse randgemeenten bewaard bleven: in de Tentstraat nummers 214-216, te Oostakker en in de Hutsepotstraat nummer 77 te Zwijnaarde. De gemeenteschool van Mendonk (Mendonkdorp nummers 30-32) en van Sint-Kruis-Winkel (Sint-Kruis-Winkeldorp nummer 19) dateren respectievelijk van 1864 en 1863. Het schoolhuis is doorgaans een bakstenen gebouw van het dubbelhuistype, met symmetrische lijstgevel en een centraal deurrisaliet. In de decoratie aan de hand van baksteenfriezen en bogen is een neoromaanse invloedssfeer niet geheel en al vreemd.

Pastorieën

In de architectuur vertegenwoordigen de pastorieën een apart bouwtype. Het klassieke grondpatroon van de pastorie was een dubbelhuis met rechthoekige plattegrond, aanvankelijk één bouwlaag tellend, maar veelal verhoogd met één verdieping of geheel heropgebouwd met twee bouwlagen in de loop van de 18de eeuw of 19de eeuw. De oudst bewaarde pastorijen hier dateren voornamelijk uit de tweede helft van de 18de eeuw.

In parochies die behoorden tot de Sint-Pietersheerlijkheid blijkt de abt van de Sint-Pietersabdij de opdrachtgever voor de bouw geweest te zijn. Ook de naam van de monnik-bouwmeester is in sommige gevallen overgeleverd. Zo werd de oorspronkelijk één verdieping tellende pastorie van Mariakerke (Mariakerkeplein nummer 1) in 1782 gebouwd naar ontwerp van L. De Villegas (de tweede verdieping werd pas in de 19de eeuw toegevoegd). Diezelfde monnik-bouwmeester was betrokken bij de herstellingswerken aan de pastorie van Afsnee (Afsneedorp nummer 9). Zijn opvolger, Van Gastel, ontwierp de pastorie van Zwijnaarde in 1790 (Dorpstraat nummer 14).

De pastorie van Drongen daarentegen werd in 1773 gebouwd in opdracht van de abt van de norbertijnenabdij in dezelfde gemeente (Oude Abdijstraat nummer 56).

Al deze pastorieën zijn gekenmerkt door hun vrij traditioneel voorkomen met classicistische inslag. De al dan niet bepleisterde bakstenen lijstgevel van vijf tot zeven traveeën met bepleisterde banden rondom de rechthoekige of licht getoogde muuropeningen, vertoont verder weinig uitgesproken stijlkenmerken.

Enkel de pastorie van Wondelgem (Vroonstalledries nummer 47), gebouwd in 1768 in opdracht van bisschop M. van der Noot, vertoont boven de drie middentraveeën een opvallend driehoekig fronton met decoratieve stucvulling die het wapenschild van de genoemde bisschop omvat.

De 19de-eeuwse pastorieën volgen beter de stijlevolutie van de burgerlijke architectuur. Zo is de witbepleisterde lijstgevel van de pastorie gelegen Visitatiestraat nummer 5 te Sint-Amandsberg uitgewerkt in neoclassicistische zin door architect Poelman (1855-56).

In Mendonk (Mendonkdorp nummer 56) en in Sint-Kruis-Winkel (Sint-Kruis-Winkeldorp nummer 65) werd een nieuwe pastorie opgericht ongeveer gelijktijdig met de bouw van de gemeenteschool aldaar door dezelfde architect E. de Perre-Montigny en met dezelfde bouwkarakteristieken als zijn typische onderwijzerswoningen.

In het laatste kwart van de 19de eeuw blijkt de neogotiek de aangewezen stijl te zijn voor de bakstenen pastorie. Een uitzondering hierop vormt de imposante witbepleisterde gevel van de dekenij-pastorie van Ledeberg (Ledebergplein nummer 21), die een late toepassing brengt van de stukadoors-gotiek (1877).

Rijhuizen in de verstedelijkte randgemeenten

In de reeds vroeg verstedelijkte randgemeenten als Ledeberg, Gentbrugge en Sint-Amandsberg vinden we vanaf de 19de eeuw het burgerhuis of de herenwoning terug waarvan de stijlevolutie te vergelijken is met die van de stad Gent.

Voor de eerste eeuwhelft zijn slechts sporadisch enkele rijhuizen aan te stippen die naar de EMPIRESTIJL verwijzen, voornamelijk door het gebruik van rondboogvensters of het Venetiaanse drielicht (bijvoorbeeld Ledeberg, Louis De Smetstraat nummers 9-13 (1849).

In de tweede helft van de 19de eeuw, de periode waarin deze oorspronkelijk landelijke gemeenten verstedelijkten, komt het klassieke woonhuis in NEO-CLASSICISTISCHE STIJL veelvuldig voor dat identieke kenmerken vertoont als het stadshuis: bepleisterde en beschilderde lijstgevels met twee of drie bouwlagen, veelal in eenheidsbebouwing opgetrokken (onder meer Ledeberg, August Van Bockxstaelestraat nummers 27-33) volgens repeterend schema met ritmerende travee-indeling en sterk horizontaliserende accenten door kordons en uitgewerkte kroonlijsten. Als gevelversiering komen steeds dezelfde ornamenten voor: lijstwerk als vensteromlijsting, sluitsteen met schelpmotief of dierenkop, stucfriezen, gesculpteerde modillons en gietijzeren leuningen, bijvoorbeeld Gentbrugge, Louis Van Houttestraat nummer 36 (circa 1880) en Ledeberg, August Van Lokerenstraat nummer 18.

Minder talrijk doch ook goed vertegenwoordigd zijn de rijhuizen van bak- en natuursteen, aansluitend bij de meer streekgebonden architectuur. In NEOGOTISCHE STIJL is vooral het herenhuis De Schrijver (Sint-Amandsberg, Antwerpsesteenweg nummer 233) van architect L. Lefebure te vermelden. Het getuigt in zijn detailafwerking (houten en stenen sculpteerwerk en glasramen) van de ambachtelijke bedrevenheid en het vak dat samen met de neogotiek opnieuw tot ontwikkeling kwam.

Omstreeks de laatste eeuwwisseling blijken zowel rijhuizen als villa's van bak en natuursteen bij voorkeur in ECLECTISCHE STIJL te worden opgetrokken. De vermenging van de vormentaal en ornamenten van alle vroegere bouwstijlen (gotiek, Vlaamse-renaissance, barok) bood inderdaad meer mogelijkheden dan de overige neostijlen. De traditionele bak- en zandstenen topgevel vormt meestal het basispatroon van de gevel. Natuurstenen ornamenten, sierankers en origineel houtwerk voor ramen, deuren en erkers zijn de belangrijkste bouwkenmerken. Een mooi voorbeeld hiervan is Brusselsesteenweg nummers 63-67, van 1897, te Ledeberg.

De belangrijkste vertegenwoordiger van deze richting in dit gebied kan architect Jan Rooms (1864-1947) genoemd worden. We treffen zijn eclectische burgerhuizen afzonderlijk of gegroepeerd in een huizenrij vooral aan in en omtrent zijn woonplaats Sint-Amandsberg (bijvoorbeeld Sint-Amandsberg, Antwerpsesteenweg nummers 265-273 van 1909.

Zijn gevels vertonen aanvankelijk veel overeenkomst met die van de Gentse architect Semeij. Rooms onderscheidt zich echter van Semeij in zijn vrijere en subtielere interpretatie van de vorm- en stijlelementen met een voorkeur voor de neorenaissance. Zo vinden we bij Rooms veel toepassing van schelpvormige boogveldvullingen, pinakels, booglijsten en decoratief sculpteerwerk rondom muuropeningen en op borstweringen. Voorts krijgt de in bouwdetails als imposten en ijzerwerk aangekondigde art-nouveaustijl meer armslag in zijn realisaties van omstreeks 1910. Ook zijn kleurrijk baksteenmateriaal is aan deze tendens niet vreemd.

Woonhuizen in ART-NOUVEAUSTIJL komen in de randgemeenten, in tegenstelling tot de stad, slechts zelden voor. De Nieuwe Stijlkenmerken beperken zich hoofdzakelijk tot decoratieve elementen als grillige vormen van vensters, lekdrempels, ijzerwerk en houtwerk van ramen. De gevelordonnantie blijft veelal zeer klassiek. Soms wordt de nog klassieke gevelbepleistering door de art nouveau geïnspireerd zoals bijvoorbeeld bij het ensemble op de hoek van de Scheldestraat nummer 64 en de Bouwmeestersstraat te Sint-Amandsberg. Meestal echter vertonen deze rijhuizen een parement van witte geglazuurde tegels verrijkt met kleurige faiencetegeltableaus met voornamelijk gestileerde florale motieven (bijvoorbeeld Nijverheidstraat nummer 8, Sint-Amandsberg).

Ook de latere bouwstijlen van tussen de twee wereldoorlogen zijn in dit gebied weinig vertegenwoordigd.

De ART-DECOSTIJL, in het Gentse voornamelijk gekenmerkt door zijn decoratief karakter, het gebruik van geometrische vormen en een zekere tendens tot verzakelijking, vooral doorgevoerd in de baksteenarchitectuur, wordt in de randgemeenten het best vertegenwoordigd door architect E. Snoeck van Sint-Amandsberg. Zijn kleurrijke bakstenen gevels met voornamelijk opvallende gekleurde glas-in-loodramen met gestileerde figurale of geometrische motieven horen duidelijk bij de Art Decorichting (bijvoorbeeld Wolterslaan nummers 121 en 127 te Sint-Amandsberg).

Van architect G. Eysselinck, de belangrijkste vertegenwoordiger van de NIEUWE ZAKELIJKHEID in Gent, is het rijhuis te Gentbrugge, Henri Pirennelaan nummer 68, van 1937 een typisch voorbeeld van zijn duidelijk herkenbare en goedkopere bakstenen rijhuizen. Revolutionair in het oeuvre van architect G. Eysselinck is de nieuwe, rationele organisatie van het grondplan en de binneninrichting van het individuele woonhuis. De sobere gevelarchitectuur werd daarbij volledig bepaald door de functionele plattegrond en indeling van het gebouw.

De doorsnee-huizenbouw blijft ook na de Tweede Wereldoorlog traditionalistisch, maar het brede horizontale raam en ook het plat dak werden couranter aangewend.

Volkshuisvesting

De speculatieve proletarische woningbouw kwam meestal tot stand in de vorm van beluiken en later in hele rijen arbeiderswoningen. Voor de lagere bevolkingsklasse werden wijken aangelegd in de omgeving van de nieuwe arbeidsplaatsen, doorgaans in de voorstedelijke randgemeenten ten oosten van Gent, tussen de grote steenwegen en aan de Schelde. In de 20ste eeuw kreeg de sociale woningbouw vorm in de tuinwijken en woonwijken opgetrokken door lokale maatschappijen.

Het complex van huisjes Boelenaar nummers 16-30 in Drongen is het fraaiste voorbeeld van de oudste beluikvorm: het opsplitsen van bestaande panden of in andere gevallen, voornamelijk in de stad, het opvullen van open plaatsen binnen de bebouwing. De behouden achtergevel van deze huizenrij houdt de herinnering aan het oorspronkelijke wagenhuis levend.

Een zelfde beluiktype vormen de huisjes Invalidenstraat nummers 12-22 in Oostakker. Zij zouden rond 1930 ondergebracht zijn in de voormalige schuur of (gedateerd 1781) van de nabijgelegen hoeve nummers 4-6.

Uitzonderlijk is het speciale pleinbeluik in Sint-Amandsberg, Bloemistenstraat nummers 12-28, dat dateert van 1889. Een middenblok met twee korte vleugels onder een schilddak vormen een U-vormige plattegrond; aan de open straatzijde is het beluikje afgesloten door middel van een ijzeren hek, dat geflankeerd is door het sanitair blok.

Tot de meest typische beluiken behoren de steegbeluiken, een- of tweezijdig bebouwd met een toegang op straatbreedte, zoals de meeste beluiken in de stad. Slechts de gemeenten aan de oostelijke kant van Gent bezitten enkele beluiken. Het volstaat hier de belangrijkste in volgorde van ontstaan op te noemen : de Bredestraat nummers 55-65 in Oostakker van 1861, "Cité Anglaise" op de Hundelgemsesteenweg nummers 44-116, in Ledeberg, gebouwd in 1878, de Zakstraat van circa 1885 in Gentbrugge en de huidige Slokkeboomstraat in Sint-Amandsberg, opgetrokken in 1891.

In de woonsituatie van de arbeidersklasse en de kleine burgerij komt verandering in de jaren twintig. De sociale woningbouw kreeg namelijk een nieuwe stimulans na de oprichting van de "Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen". In de verstedelijkte gemeenten werden in die tijd, doorgaans op initiatief van private bouwmaatschappijen zoals de "Gentse Haard" en "Volkshaard", kleine tuinwijkjes opgericht. Men poogde de woonkwaliteiten van de lagere bevolkingsklasse te verbeteren door het oprichten van kleine aangepaste woningen in een groene omgeving en tegelijkertijd toch een gevoel van samenhorigheid en gemeenschapszin te behouden. Dit facet komt bij de gerealiseerde tuinwijken enkel tot uiting in de eenheid van het concept en de vormentaal die sterk verbonden blijkt te zijn met de traditionele, regionale strekkingen.

Als architecten treden dezelfde architecten op die ook in de stad op het gebied van sociale woningbouw actief waren, zoals Valentin Vaerwyck bijvoorbeeld in de Halvemaanstraat nummers 2-32 in Sint-Amandsberg, 1929, en in de Eikstraat in Oostakker, 1929) en Oscar Vande Voorde (bijvoorbeeld in de Bellevuestraat in Ledeberg, circa 1925 en Tuinwijk Ter Heide, in Gentbrugge, 1922). Een van de meest typische tuinwijken is ongetwijfeld Tuinwijk Ter Heide in Gentbrugge. Zij bestaat uit een centraal vierkant plein van waaruit vier straten vertrekken met overbouwde doorgangen. De bakstenen huizen met regionalistische inslag worden gekenmerkt door de ritmerende puntgeveltoppen, brede beluikte vensters met kleine roedeverdeling, rondboogdeuren en decoratief metselverband.

De lokale maatschappijen voor sociale huisvesting bouwden en verkavelden in de naoorlogse en hedendaagse periode woonwijken die nog weinig gemeen hebben met de rationeel opgevatte aantrekkelijke tuinwijken van voordien met typewoningen die op nationaal vlak verspreid werden zonder persoonlijke inbreng van de opdrachtgever of architect.

Kastelen, buitenplaatsen en landhuizen

In een kring rondom de Gentse stadsagglomeratie komen nog tientallen kastelen en buitenplaatsen voor. De meestal gedeeltelijk bewaarde bijhorende parken of domeinen zijn slechts nog een allusie op het bosrijke landschap dat Gent vroeger omkranste. Wat als kasteel behouden bleef dateert voornamelijk uit de 18de en 19de eeuw en werd gebouwd als lusthuis aangeduid met de benaming "maison de plaisance" of "maison de campagne". Deze kastelen deden dienst als buitenverblijf van Gentse patriciërsfamilies, landadel, bisschoppen of abdijen. Hun oorsprong, in zoverre die nog precies te achterhalen is, gaat echter veel verder in het verleden terug.

Heel courant werd het huidige kasteel op de grondvesten van een constructie uit voorgaande eeuwen gebouwd. Ofwel gaat het hele domein terug op een middeleeuwse heerlijkheid waaraan enkel nog een straatnaam of de namen van de heren die het vroeger bezaten herinneren. Walgrachten en vijvers overblijvend van vroegere omwallingen geven ook een aanduiding in de richting van een oude woonkern. Sommige kastelen worden wat hun oorsprong betreft zelfs in verband gebracht met een site uit de Frankische of Gallo-Romeinse periode. Voornamelijk indien er nog aanwijzingen zijn voor het vroeger bestaan van een "motte" met walgracht is een middeleeuwse herkomst voor vele kastelen ontegensprekelijk aanvaardbaar. Dit blijkt ook uit bekende bouwresten van middeleeuwse kastelen zoals : de overwelfde kelder met centrale zuil van een haast vierkant kasteel met toren (onder kasteel Achtendries, Orchideestraat nummer 15 te Oostakker; de kelders van het kasteel de "Oude Kluis" in de Gentbruggekouter nummer 7 te Gentbrugge en van kasteel Puttenhove, Putstraat nummers 26-30 Sint-Denijs-Westrem.

Historisch gezien zijn alle bewaarde kastelen slechts van lokaal belang. Een kasteel in de betekenis van een versterkte middeleeuwse burcht komt er niet meer tussen voor. Het verdedigingssysteem dat tot in de 18de eeuw behouden bleef bestond uit een wal die het rechthoekig terrein met woning vlakbij omringde, een toegangsbrug en eventueel een versterkte toegangspoort. Het geheel vertoonde gewoonlijk ook een buitenwal die eventueel gedeeltelijk samenviel met de binnenwal. Kasteel Rijvissche, Rijvisschestraat nummer 5 te Zwijnaarde, een waterkasteel waarvan de oudste delen opklimmen tot de 14de-15de eeuw, draagt nog constructieve herinneringen aan het defensieve karakter van de middeleeuwse kastelen. Een bakstenen zijvleugel en de centrale toegangspoort, beide met flankeertorens, zijn nog overblijfsels van de aanvankelijke rechthoekig gesloten aanleg met een binnenkoor.

Wat verder meer of minder fragmentarisch aan oudste kastelen en landhuizen overbleef dateert uit de 16de en 17de eeuw en is opgetrokken in TRADITIONELE BAK- EN ZANDSTEENBOUW. Oorspronkelijk omvatten zij een rechthoekige vleugel van twee bouwlagen tussen zijtrapgevels onder een steil pannen zadeldak al dan niet met getrapte dakvensters. Gewoonlijk was een toren op één van de hoeken of tegen de voorgevel aangebouwd. Kasteel de "Oude Kluis", Gentbruggekouter nummer 7, Gentbrugge )bewaart een monumentaal torengebouw met trapgevel, terwijl de hoofdvleugel vroeger flankeertorentjes bezat. Kasteel Vilain, Braemkasteelstraat nummer 37, Gentbrugge met zijn achtkantige traptoren tegen de voorgevel vertoont zeer veel overeenkomst met kasteel "La Tourelle" (Veerstraat nummer 80, Drongen) waarvan alleen de gelijkaardige 17de-eeuwse traptoren overeind bleef.

Het waterkasteel "Ter Beken" van 1748 (Beekstraat nummers 1-3 te Drongen), met zijn U-vormige aanleg is het enige uit het geïnventariseerde deel dat op één lijn gesteld kan worden met de Franse kastelen uit de 18de eeuw in CLASSICISTISCHE STIJL. Het ontwerp is van de hand van de Antwerpse architect J.P. Baurscheit de Jongere. Uiteraard werd een volledige symmetrische aanleg nagestreefd met het hoofdaccent op het middenrisaliet van de hoofdvleugel. Via de aangebouwde polygonale hoekpaviljoenen wordt de verbinding gelegd met de lagere zijvleugels. De gevelarchitectuur sluit volledig aan bij die van de grote 18de-eeuwse Gentse hotels. Alhoewel gebouwd in een periode van overgangsstijl overweegt de strengheid van de Lodewijk XIV-stijl. De stucornamentatie, de gebogen deuromlijsting en de smeedijzeren borstweringen verzachten het pilastergevel effect van de gevelordonnantie en -bepleistering.

De achtergevel van het oorspronkelijk dubbel omwalde en U-vormige kasteel Kapellegoed (Sint-Gerolfstraat nummer 32, Drongen) bewaart zijn uitzicht van de tweede helft van de 18de eeuw. Laatclassicistische stijlkenmerken vallen te bespeuren in het middenrisaliet met driehoekige frontonbekroning zoals de omlijsting met guirlandes van de oculus. Veel bescheidener maar toch nog met de allures van een kasteel is het kasteel Achtendries (Orchideestraat nummer 15, Oostakker) van omstreeks 1775. Zoals de buitenplaatsen bestaat het uit één rechthoekige vleugel. Een driehoekig fronton ter bekroning van het middenrisaliet is het enige markante onderdeel van dit sobere classicistische bouwwerk. Uitgesproken gevelornamentatie in Lodewijk XVI-stijl, zoals guirlandes op borstweringen en consoles en de driehoekige frontonbekroning, zijn wel te vinden op het buitengoed Sint-Markoenstraat nummer 18 te Wondelgem.

Ook, na 1800 blijken de kastelen en buitenplaatsen van het geïnventariseerde bouwkundige erfgoed in dit deel, de stijlevolutie van de Gentse stedelijke privé-architectuur op de voet te volgen. Aanvankelijk blijft het classicisme aangehouden. Althans geldt dit voor het kasteel Slotendries, Onze Lieve Vrouwdreef nummer 1, Oostakker, een typische realisatie van architect I.B. Van de Cappelle. De horizontaliserende lijstgevel herinnert, ondanks het verdwenen driehoekige fronton van het middenrisaliet, sterk aan het Gentse herenhuis gelegen Recollettenlei (oud) nummers 7-8. Afgezien van zijn belang "in se" is Slotendries waardevol omdat het zijn typische bijgebouwen Heerhof, oranjerie, koetshuis en ook een vrij merkwaardige duiventoren heeft bewaard.

Het domein "Blauw Huys" (Bosstraat nummers 85-89, Drongen) bewaart zijn oranjerie, wagenhuis, portierswoning en een zeer opmerkelijk kasteel dat gebouwd werd in 1807 door Dutry senior en in 1817 door architect L.B. Van de Cappelle werd vergroot. Interessant is de H-vormige aanleg met een centrale zuilengalerij aan de voorzijde en een halfronde uitbouw aan de achterkant. De toepassing van een attiek, het platte dak, en de markerende hoekpenanten aan de zijgevels versterken in hoge mate het monumentale karakter van het geheel. Het veel kleinere zomerverblijf Coninxdonck (Koningsdonkstraat nummers 116-118, Gentbrugge) zijn EMPIRE stijlkarakter vooral aan de centrale zuilenportiek met frontonbekroning. Een soortgelijke portiek gecombineerd met een mezzanino en attica wijzen erop dat beide bepleisterde lijstgevels van het oude kasteel Puttenhove (Putstraat nummers 26-30, Sint-Denijs-Westrem) ook het resultaat zijn van een heropbouw in de empireperiode. Kasteel "Limnander" of "Bossu" uit het begin van de 19de eeuw (Voordries nummer 16, Gentbrugge) vertoont een voorgevel in empirestijl die sterk verwant is met het empireburgerhuis in stad Gent. Andere empire-kasteeltjes verloren door latere verbouwingen veel van hun oorspronkelijk karakter, onder meer "Villa des Roses", Gérard Willemotlaan nummer 90 te Mariakerke, van 1837, "Kasteel van het Zandeken" (Raymond De Hemptinnelaan nummer 33, Mariakerke) en "Kasteel Potuit", Antwerpsesteenweg nummers 528-530 te Sint-Amandsberg.

In kastelen van omstreeks het midden van de 19de eeuw werd vrij algemeen de uit het classicisme overgeërfde rechthoekige plattegrond toegepast. Oude kastelen camoufleren zelfs door opvulling hun oorspronkelijke U-vormige aanleg, zoals kasteel Kapellegoed, Sint-Gerolfstraat nummer 32, Drongen. De lijstgevels bleven naast de bepleistering en horizontaal gemarkeerde registers veelal een risaliet en een mezzanino vertonen. De decoratieve vormentaal beperkte zich tot naleefsels uit de empirestijl en frontonbekroningen voor de muuropeningen.

De tweede helft van de 19de eeuw bracht een grotere verscheidenheid in de kasteelbouw. Het NEOCLASSICISME, dat tot in het begin van de 20ste eeuw als bouwstijl voor grote en kleinere landhuizen gehandhaafd bleef, kenmerkte zich door een meer gedecoreerde gevelbepleistering, de toevoeging van één en soms zelfs meerdere hoektorens, een bordes, portiek, luifel of een ander constructief detail dat de aandacht voor de toegang vergroot (Gentbruggekouter nummer 13, Henri Storystraat nummer 2 "La Maison Blanche" in Mariakerke).

De kastelenbouw uit het laatste kwart van de 19de eeuw blijkt een voorkeur te vertonen voor bak- en natuursteenbouw, een uiting van de algemeen nationaal-romantische geestesgesteldheid die zocht aan te sluiten bij het eigen verleden ook wat betreft materiaalgebruik. Deze materiaalkeuze bood echter ook de mogelijkheid tot veel sculpturale versiering en tot het creëren van pittoreske constructies in neoclassicistische, neo-Vlaamse-renaissance, eclectische en neogotische stijl. Het doelbewust nastreven van het monumentale karakter en het refereren naar de middeleeuwse burchten viel echter soms in het nadeel uit van de constructie. Eén van de weinige gekende ontwerpers van kastelen is architect J. Schadde die vooral in NEOSTIJLEN werkte. Zijn meest opgemerkte ontwerpen in het Gentse zijn het kasteel Claeys-Bouüaert in neo-Vlaamse-renaissancestijl, Mariakerkeplein nummer 10, Mariakerke en het neogotische kasteel Van Tieghem de ten Berghe, Paul Van Tieghem de ten Berghelaan nummer 2 te Mariakerke.

Ook in de villabouw komt de neogotiek op een pittoreske wijze over, bijvoorbeeld "Villa des Roses", Gentbrugge, Klokstraat nummer 25 (1897). Daarnaast dient architect Jan Rooms nog te worden geciteerd. Rond de eeuwwisseling ontwierp hij zogenaamde lusthuizen, ruime villa's, in neotraditionele bak- en zandsteenbouw met torenuit- en aanbouwsels en veel decoratief houtwerk vooral aan de puntgevels met overkragende daken. Zijn villa's van 1905-1910 leunen sterk aan bij de ART-NOUVEAU-architectuur terwijl de vaak toegepaste imitatievakwerkbouw voor sommige muurvlakken en punttoppen zijn lusthuizen echte cottage-allures verleent (bijvoorbeeld Waterdreef nummer 13 in Sint-Amandsberg). Welvarende tuinbouwbedrijven uit de geboortestreek van J. Rooms deden een beroep op hem, bijvoorbeeld het huis G. Wibier (1901), Antwerpsesteenweg nummer 561, Sint-Amandsberg. Zo ontstond een lokaal gebonden type bloemistenwoning dat ook in de aangrenzende gemeenten terug te vinden is.

Ook in Mariakerke kunnen we verschillende villa's in "cottagestijl" vermelden, onder meer in de Eeklostraat nummer 41, van architect Jules Lippens van 1924 en in dezelfde straat nummers 13-15 en nummer 160. Een opvallende cottage, zogenaamd "Les Capucines" werd ook in de Marcus Van Vaernewijckstraat nummer 19 opgetrokken in 1909 naar de plannen van architect A. Marchand.

Villa's in NIEUWE ZAKELIJKHEID vinden we onder meer in de nieuwe villaparken van residentiële gemeenten zoals Sint-Denijs-Westrem (Soenenspark nummer 8 en nummer 57) en in Mariakerke. Ze weerspiegelen het streven naar vormzuiverheid en de functionele benadering van de bouwmassa in de jaren 1930. De bakstenen villa met glazen trapkoker naar het solarium op het platte dak in de Eeklostraat nummer 53 te Mariakerke, een ontwerp van J. Cloostermans, behoort tot deze zuivere functionele constructies.

De villa te Mariakerke, Verschansingsstraat nummer 16, van 1935 met witgeschilderd bakstenen parement, plat dak en ruime rechthoekige vensters, van de Gentse architect Eysselinck verraadt duidelijk invloeden van 'De Stijl' en Le Corbusier. Deze modernistische villa's zijn echter uitzonderingen: de courante villabouw uit de jaren 1920 en 1930 vond nog steeds inspiratie in de historische stijlen of bleef trouw aan de traditionele en regionalistische baksteenarchitectuur. Overigens komt aan deze toestand na de Tweede Wereldoorlog weinig verandering.

Hoevebouw

Het opstellen van een chronologische en evolutieve typologie van de opgetekende hoeven is mede door de aard van het geïnventariseerde grondgebied Gent haast onuitvoerbaar. Op de eerste plaats omdat het slechts een fragment is van een grote natuurlijke streek (zandig Vlaanderen) waar twee hoevetypes naast elkaar voorkomen. Bovendien gaat het om een typisch overgangsgebied van stad naar platteland waarbij een aantal randgemeenten reeds sterk verstedelijkt zijn. Vandaar dat een groot aantal hoeven reeds lang verdwenen zijn of hun oorspronkelijke functie verloren hebben. Het is evident dat de daarmee gepaard gaande aanpassings- en sommige zogenaamde restauratiewerken een vertekend beeld geven van het oorspronkelijk bestand aan boerenhoven. Bovendien is de hoevebouw, zoals overal elders, een architectuurvorm met een typisch traditioneel karakter. Dezelfde constructiesystemen bleven lang aangehouden en wat de algemene bouwkarakteristieken betreft bleef de hoevebouw doorgaans buiten de invloedssfeer van de gangbare bouwstijlen. De veranderende woonbehoeften en bedrijfsuitbating en ook de normale sleetgevolgen van de tijd onderwierpen de boerenhoven steeds aan minder of meer ingrijpende verbouwingswerken. Weinig hoeven zijn dan ook in al hun bouwdetails kenmerkend voor één bepaalde bouwcampagne. Meer dan eens blijkt afbraakmateriaal gerecupereerd te zijn, vooral bij de wederopbouw van een hoeve op een oude site. Dit alles maakt precieze dateringen zeer moeilijk, ook al omdat wetenschappelijke literatuur over de hoevebouw in zijn constructieve en decoratieve onderdelen tot de 20ste eeuw weinig voorhanden is. Jaartallen komen wel frequent en onder zeer verschillende vormen op hoeven voor, maar slaan daarom niet altijd op de oprichting van de gebouwen. Om al deze redenen lijkt de opsomming van de meest voorkomende bouwkenmerken het meest geschikt om de hoevebouw van het betrokken gebied te typeren.

Twee hoevetypes komen naast elkaar voor zonder dat dit in verband kan worden gebracht met de grootte van het bedrijf: de hoeve met losse bestanddelen en de langgestrekte hoeve. Normaliter is de voorgevel van het boerenhuis naar de zonzijde gericht zodat de nokrichting ten opzichte van de straat kan variëren. De woning van de hoeve met losse bestanddelen ligt doorgaans achterin. De bedrijfsgebouwen (schuur, stallen, wagenloods) zijn dan in één of meerdere langgestrekte vleugels ondergebracht en met het woonhuis in L- of U-vorm geschikt rondom een voorerf met mestvaalt vóór de stal. Het afzonderlijk bakhuis bevindt zich omwille van het brandgevaar wat verder af, voor of achter de genoemde gebouwenformatie. De beschreven opstelling van de hoevegebouwen werd dikwijls gewijzigd door het slopen van oude dienstgebouwen of de toevoeging van nieuwe.

Gewoonlijk was het boerenhof afgesloten door een haag. Als bijkomende bescherming, onder meer tegen de wateroverlast, vertonen tal van hoeven nog rondom in het vierkant een omwalling met een gracht, hetgeen sinds de vroege middeleeuwen toegepast werd, bijvoorbeeld "Hof De Guchteneëre", Achterdries nummer 53, Gentbrugge. De omwalling geeft bovendien een aanduiding omtrent het belang van de hoeve-uitbating en omtrent de oorsprong (minstens 18de-eeuws). Gaat deze watergordel vergezeld van een kunstmatige ophoging of "motte" dan is een middeleeuwse oorsprong ontegensprekelijk aanvaardbaar, bijvoorbeeld "Het Groot Pachthof", Beekstraat nummer 40, Drongen en "Goed ter Kale", Twaalf Roeden nummer 1 in Terdonk. Zo telt Oostakker verscheidene mothoeven: Wittewalle in de Wittewalstraat nummer 187, "'t Maegher Goet" in Magergoed, "Goed te Maalgaven" in Maalgaven nummer 32, waarvan naast de hoevegebouwen gedeelten van de aanvankelijke dubbele wallen bewaard bleven. Als eigenaardigheid vertonen zij ook een lange met bomen afgezette toegangsdreef tot aan het omwalde hof.

De aanwezigheid van een toegangspoort om de omwalde hoeve geheel ontoegankelijk te maken, geldt eveneens als een bewijs van het historische belang van de hoeve. De bakstenen poortgevel met tudorboogvormige poort uit het eerste kwart van de 17de eeuw van het hof te Sloten (Slotendries nummer 3, Oostakker), is een van de zeldzame behouden exemplaren. Gemetste vierkante hekpijlers van diverse afmetingen met een ijzeren toegangshek worden nog courant aangetroffen evenals volledig ijzeren hekken. In één van de gemetste hekpijlers is soms een nis voor een heiligenbeeldje uitgespaard, afgesloten met een ijzeren deurtje.

Oorspronkelijk was de boerenwoning opgetrokken uit hout en leem en zou zij slechts één ruimte omvat hebben. Geen enkel voorbeeld daarvan bleef bewaard op het grondgebied van Gent. Het versteningsproces van het boerenhuis zou zich in de loop van de 17de eeuw ingezet hebben en waarschijnlijk werd vanaf circa 1700 bij voorkeur met baksteen gebouwd. Sporen van versteende houtbouw werden nergens aangetroffen.

Het doorsnee-boerenhuis is een rechthoekig bakstenen breedhuis van één bouwlaag en telt op zijn minst twee traveeën. Heel dikwijls blijkt de woning achteraf met één of meerdere traveeën vergroot te zijn. Nochtans zijn er ook hoeven die van bij de aanvang veel ruimer opgevat waren, zoals abdijhoeven, en een lange rechthoekige vleugel vormden. Ook oorspronkelijke twee- en driewoonsten telden een naar verhouding veel groter aantal traveeën. Gemiddeld omvatte het boerenhuis een drietal afzonderlijke ruimten: de keuken-woonkamer met grote brede open haard tegen een zijwand, een slaapkamer, een voutekamer boven de kelder; de zolder deed aanvankelijk dienst als bergruimte. Frequent werd de woning ook in de breedte vergroot (meestal in de loop van de 19de eeuw) door het toevoegen aan de achterzijde van een keuken of schotelhuis en melkhuis.

Daartoe werd het achterdakschild opgetrokken en verlengd. Het metselwerk van de zijpuntgevels verraadt op die manier heel wat over opeenvolgend verrichte verbouwingen en uitbreidingen van de woning. 19de-eeuwse hoeven werden dikwijls onmiddellijk breder gebouwd en konden dus wel reeds twee ruimten achter elkaar tellen.

Traditioneel is de erfgevel witgekalkt met onderaan een geteerde laag tot aan de vensteronderdorpels of tot op een paar stenen er vandaan. Daarnaast behielden sommige boerenhuizen de aanvankelijk aangebrachte rode ossenbloedkleur (Drieselstraat nummer 86, Oostakker) of hun okergele kleurlaag (Pontstraat nummer 7, Drongen). Gecombineerd met het eenvormig geschilderde houtwerk van ramen en luiken en de soms verschillend gekleurde deuromlijsting levert dit een heel pittoreske aanblik. De onregelmatige schikking van vensteropeningen aan weerszijden van de deur verhoogt dit effect nog. Hoge zandstenen kruiskozijnen vensters werden wel tot het begin van de 18de eeuw aangewend, doch uitsluitend in abdijhoeven of aanvankelijke verblijven van landadel, die dikwijls pas achteraf de functie van een gewoon boerenhof verkregen (Groenvinkstraat nummer 13, Oostakker). Met hun getrapte dakvensters, zijtrapgevels en soms een complexere plattegrond zijn de weinige 16de- en 17de-eeuwse hoeven uit het geïnventariseerde gebied te rekenen tot de oudste pachthoven of landadelverblijven. Een aantal daarvan sluiten duidelijk aan bij de traditionele, Brabantse bak- en zandsteenbouw ("Goed ten Oudenvoorde", Twaalf Roeden nummer 6 in Terdonk).

De oudste doorsnee-boerenhoven zijn vrij laag en vertonen haast vierkante vensteropeningen met houten bol- of kruiskozijnen al dan niet getralied en met kleine houten roedeverdeling; de tralies van het bovendeel zitten daarbij achter de beglazing die in het gevelvlak ligt, terwijl de benedenhelft houten luiken draagt, die ook aan de binnenhuiszijde vergrendeld konden worden (bijvoorbeeld Mosgaverstraat nummer 2, Drongen). Een muuranker bovenop de middenstijl geeft de trekbalk aan die midden boven het venster lag (bijvoorbeeld Heiebreestraat nummer 14, Drongen). Door het verplaatsen of vergroten van de vensters hebben de erfgevels soms veel van hun oorspronkelijk karakter verloren.

Middelgrote boerenhuizen uit de 18de eeuw vertonen ook rechthoekige vensters of steekboogvensters in vlakke bepleisterde omlijstingen. In de 19de eeuw worden dergelijke hoge vensters vrij algemeen toegepast. Kenmerkend zijn ook de volle houten luiken met een lichtopening in de vorm van een hart, een ruit, een halve maan of ander klein motief. Zowel de originele luiken als het raam- en houtwerk van de vensters werden in de loop van de 19de eeuw of recenter nog al eens vervangen. Uit de tweede helft van de 19de eeuw dateren muuropeningen in geprofileerde bepleisterde of arduinen omlijstingen, naar het voorbeeld waarschijnlijk van de dorps- en burgerwoningen.

De oudste deuren, die dateren van de 16de tot de aanvang van de 18de eeuw, zijn rechthoekig met een zandstenen latei op consoles en een bolkozijnen bovenlicht, of zijn rondboog- tot korfboogvormig met zandstenen negblokken en een booglijst, eventueel met nog een druiplijst. De korfboogdeur als dusdanig komt zeer veelvuldig voor, in ieder geval bij 18de-eeuwse boerenhuizen (bijvoorbeeld Grotesteenweg-Noord nummer 9 te Zwijnaarde). Doorgaans is zij gevat in een omlijsting van kleine, grijs gesinterde baksteen die gebogen of rechthoekig kan zijn. Neuten, bovenoren, imposten, een druiplijst al dan niet met rechte uiteinden en sleutel, dit zijn alle elementen van het rijke assortiment deuromlijstingen zoals die vooral in de tweede helft van de 18de eeuw veelvuldig aangebracht werden. Een nis voor een heiligenbeeldje bovenop de druiplijst kan ook deel uitmaken van de deuromlijsting (bijvoorbeeld Hutsepotstraat nummer 170, Zwijnaarde). Die huisheilige vond soms een plaatsje in een afzonderlijk klein rechthoekig bovenlicht van de deurtravee. Andere boogvormen die circa 1800 toegepast werden, waren de spiegelboog en de steekboog.

Sporadisch duiken in de voorgevel van de boerenwoning ontleningen op aan de klassieke bouwstijlen. Doorgaans blijft dat beperkt tot ornamentatie in Lodewijk XVI-stijl als festoenen of rozetten in de deuromlijsting (bijvoorbeeld Dorpsstraat nummer 29 en Hutsepotstraat nummer 170 beide te Zwijnaarde). Overname van elementen in de gevelordonnantie eigen aan de Lodewijk-stijlen komen slechts als grillige uitzonderingen voor. Zo herinnert de gevel van Bollewerkstraat nummer 135 te Drongen met zijn pilastergevelordonnantie met composiet kapiteel aan de Lodewijk-stijlen.

Eén of meerdere dakvensters of dakkapellen gewoonlijk met punt- of tuitgeveltop komen zowel in de deur- als in een venstertravee voor tot in de 19de eeuw. Zij werden later dikwijls verwijderd.

Op enkele 18de-eeuwse geknikte zadeldaken na (bijvoorbeeld Antoon Catriestraat nummer 63, Drongen) is het boerenhuis afgedekt met een zadeldak. De zijpuntgevels met hun aandaken en muurvlechtingen zijn vaak nog de enige aanduiding voor de oorspronkelijke strobedekking. Die werd nergens meer aangetroffen, wel bleven sommige strobedekkingen naar verluidt tot in het midden van de 20ste eeuw nog behouden. Sinds de 18de eeuw werd het dak al courant met rode of zwarte Vlaamse pannen bedekt. Een steil en hoog dak houdt vaak een aanwijzing in voor een respectabele ouderdom van de woning. Nochtans is de dakhelling niet altijd richtinggevend voor de datering, te meer daar het dak en ook de zijpuntgevels al eens vernieuwd of gewijzigd werden.

De dakoverstek voor de regenslag rust gewoonlijk op daklijstbalkjes. Vaak wordt nog de houten kroonzool onder de overstek aangetroffen op houten modillons met een uitgesneden profiel in volutevorm en soms verrijkt met een dropmotief (bijvoorbeeld "'t Keuzegoed", Keuzekouter nummer 19, Drongen). Vanaf het eind van de 18de eeuw kwam als gevelaflijning ook de geprofileerde en bepleisterde daklijst voor. In de loop van de 19de eeuw werden allerhande baksteenfriezen aangebracht. In navolging van de burgerhuizen werd de hanggoot al eens vervangen door een houten kroonlijst met dakgoot.

Het versteningsproces van de dienstgebouwen van de hoeve heeft zich later ingezet dan voor het eigenlijke woonhuis. Waarschijnlijk werden schuren en stallen pas in de 19de eeuw vrij algemeen in baksteen opgetrokken. Deze bijgebouwen waren ook vlugger aan vernieuwing en uitbreiding toe. Enkele houten schuren bleven nog overeind te Drongen (Beekstraat nummer 40, Antoon Catriestraat nummer 213 en Merendreesesteenweg nummer 91).

Het enige relevante dat aan te stippen valt in verband met de dienstgebouwen is dat het vrijwel alle dwarsschuren zijn onder zadeldaken en dat een verhoging in het dakschild voorkomt boven de doorrit.

INDUSTRIE-ARCHITECTUUR

Het overzicht van de bewaard gebleven industriegebouwen in de Gentse fusiegemeenten toont ons de schaarse resten van de eertijds zo talrijke kleine en middelgrote bedrijven geconcentreerd in de oostelijk gelegen gemeenten Gentbrugge, Ledeberg, Oostakker en Sint-Amandsberg. Door hun gunstige ligging aan de rand van de stad en vooral aan de Schelde droegen zij bij tot de economische bloei en de industriële expansie van de stad in de 19de eeuw. De industriële inplantingen zorgden voor een versnelde bevolkingsaangroei van het proletariaat dat gehuisvest werd in typische arbeidersbuurten tussen de grote steenwegen en in de nabijheid van de werkplaatsen. Aldus verkregen deze gemeenten het karakter van echte voorsteden. De meest noordelijke randgemeenten, langsheen het Kanaal Gent-Terneuzen, werden vanaf het einde van de 19de eeuw systematisch onteigend voor de uitbreiding van de Gentse havenzone, zodat nieuwe industrie-vestigingen op het grondgebied van de stad Gent kwamen te liggen. Door de aanleg van de autosnelweg E5 en het graven van de Ringvaart ontstonden twee recente industrieterreinen in Wondelgem en Drongen-Baarle.

De eerste fabrieken werden ondergebracht in bestaande gebouwen die mits enkele kleine ingrepen aan hun nieuwe functie aangepast werden. Een voorbeeld van zo een vestiging is de voormalige katoenfabriek die Lieven Bauwens circa 1800 oprichtte in de geconfisqueerde norbertijnenabdij van Drongen. Aan deze spinnerij, één van de eerste, gemechaniseerde spinnerijen in het Gentse, herinnert nu enkel nog het vroegere prelaatshuis, dat L. Bauwens uitbreidde en omvormde tot een grootse herenwoning, en enkele transformaties in de kloostergangen.

De voormalige maalderij Capiteyn in de Halvemaanstraat nummer 137, Sint-Amandsberg, is eveneens ondergebracht in een bestaand gebouw. Een koetshuis uit midden 19de eeuw werd in 1863 omgevormd tot een "suikerij en chocolatfabriek" en tussen 1883 en 1893 tot een stoommaalderij door de gebroeders B. en S. Capiteyn. Het rechthoekige bakstenen gebouwtje wordt geflankeerd door een vierkante schouw en is in 1882 uitgebreid met een ketelhuis en een machinekamer. De behouden technische installatie bevat drie 19de-eeuwse molens.

De grootste concentratie van bedrijven was terug te vinden in Gentbrugge en Ledeberg, waar vooral de metaal- en textielindustrie tot ontwikkeling kwam aan de Schelde-oevers en aan de Brusselsesteenweg. De voormalige puntfabriek, thans N.V. Arbed, gelegen in de Kerkstraat nummers 164-166 is het belangrijkste metaalverwerkend bedrijf. Het huidige uitzicht van de puntfabriek wordt voornamelijk bepaald door de aanpassingswerken en de gebouwen van circa 1895. Het dominante rechthoekige gebouw van twee bouwlagen naast de ringspoorweg is afgedekt met typische raekemdaken en bezit nog industriële boogramen. De raekemdaken worden gedragen door vakwerkliggers op gietijzeren zuilen met vleugelkapitelen.

De grote expansie van het bedrijf naar het oosten toe, in het begin van onze eeuw, slorpte verschillende nabijgelegen fabrieksgebouwen op, die slechts fragmentarisch bewaard zijn. Ook de andere zeer gevarieerde bedrijven in Gentbrugge, Ledeberg en Sint-Amandsberg, ontstonden rond de eeuwwisseling. In tegenstelling tot de industriële vestiging in de stad waren de bedrijfsgebouwen wegens de goedkopere grondprijs eerder horizontaal uitgebouwd met één bouwlaag en vaak afgedekt met raekemdaken. Bakstenen lijstgevels vertonen een regelmatige travee-indeling aangegeven door lisenen en baksteenfriezen als enige geveldecoratie.

De textielindustrie is in dit gebied vertegenwoordigd door twee voormalige bedrijven in Drongen en Gentbrugge. Het voormalige textielveredelingsbedrijf Alsberge-Van Oost (A.V.O.), een vroegere blekerij, werd door August Van Oost en Joseph Alsberge opgericht in 1879 op de Assets in Drongen aan de oude Leie-arm op de grens met Gent (Drongensesteenweg). De zeer talrijke verbouwingen en uitbreidingen laten geen exacte datering of lokalisatie van de verschillende bouwfasen toe. Verschillende gebouwen hebben een interessant constructiesysteem met troggewelven op gietijzeren zuilen, of zoals in de droogkamer met een houten zoldering met kinder- en moerbalken die via een houten slof rusten op de kopplaat van gietijzeren kolommen. Het belangrijkste element is de beschermde stoommachine ondergebracht in een 1913-14 gedateerd gebouwtje, dat aan de binnenmuren bekleed is met een plint van faience tegels. De driecilinderstoommachine is een fabricaat van de Gentse hierna Vanden Kerchove. In het ketelhuis, opgetrokken ten zuidoosten van de machinekamer, bevinden zich vijf Lancashirestoomketels waarvan één 1944 gedateerd is.

Van het voormalige textielbedrijf De Porre gelegen in de Jules de Saint Genoistraat te Gentbrugge werd het merendeel van de gebouwen opgetrokken na 1945, meestal uit betonen met hergebruikte metalen liggers en spanten. Opmerkelijk zijn vooral drie stoomketels uit het begin van de 20ste eeuw, de stoomturbine met generator en condensator en de betonnen watertoren.

Oprichting in 1881 van de "Centrale werkplaats van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen" op de Brusselsesteenweg nummer 602 in Gentbrugge bracht niet alleen belangrijke structurele wijzigingen teweeg in de gemeente maar leverde ook een belangrijke bijdrage tot de spoorwegarchitectuur. Ze zou de oudste Vlaamse spoorwegwerkplaats zijn voor de herstelling van stoomlocomotieven en goederenwagens. Het betreft lage rechthoekige gebouwen in baksteen aansluitend bij de neotraditionele bouwstijl ontworpen door architect Stasino. De lage gebouwen onder raekem- en/of zadeldaken zijn voorzien van grote rondboogpoort en industriële boogvensters met ijzeren roedeverdeling ingeschreven in rondboogvormige spaarvelden. De hoek- en middenrisalieten lopen uit op een tuitgevel. Polonceauspanten overspannen nog enkele binnenruimten.

De huidige stationsgebouwen in de randgemeenten zijn misschien minder belangrijk gezien in het geheel van het spoorwegpatrimonium in ons land, zij dateren van de eerste decennia van deze eeuw, doch zij ademen toch een typisch landelijke sfeer uit te midden van de toenemende verstedelijking van de gemeenten. Onder de oudste stations in de Gentse randgemeenten noteren we: Wondelgem (1906), Sint-Denijs-Westrem (1910), Oostakker (1912) en Drongen (kort na de Eerste Wereldoorlog).

Van de talrijke brouwerijen en bloemisterijen die zich vanaf het einde van de 19de eeuw in de Gentse randgemeenten bevonden, zijn doorgaans alleen de bijhorende villa's vermeldenswaard. De brouwerijen doen thans als dus danig geen dienst meer en staan ofwel leeg of zijn in gebruik als depot. De hofbouw ontwikkelde zich voornamelijk in de gemeenten ten oosten van Gent vanaf de 18de eeuw. Uit het cijfermateriaal gepubliceerd door A. Dumont in zijn "Gent, een stedenaardrijkskundige studie" blijkt duidelijk de belangrijke positie die zij hier bekleedden. Alleen al aan de Brusselsesteenweg waren rond 1900 achttien grote tuinbouwbedrijven gevestigd. De bloemisterij van Dallière, opgericht in 1877, gelegen Brusselse nummer 530 te Ledeberg, is nog tamelijk intact bewaard met serres en een vierkante schouw. Verderop langs dezelfde steenweg nummers 698-700 te Gentbrugge bleef enkel nog de bloemisterij Broeckaert van 1897 in zijn geheel behouden als representatief voor de vroegere grote tuinbouwbedrijven. Sint-Amandsberg stond met zijn 790 serres aan de spits. Een opvallend voorbeeld bleef bovendien bewaard in de fraaie serres van J.P. Hartmann (Henri Van Cleemputteplein nummer 2). Een wintertuin werd opgetrokken uit beton, glas en ijzer naar de plannen van een Deens architect, Carl Brommer, in 1927. Het merkwaardige schilddak met dubbele lichtkap, waarop een windwijzer met zeilboot geplaatst is, wordt ondersteund door een decoratief ijzeren dakspant versierd met de initialen van de eigenaar.

Hedendaagse esthetiek in de industriële architectuur in nieuwe volumes en kleuren komt het best tot uiting in een ontwerp van de groep Baro met het bedrijf Meca-Pneumatics langs de Industrieweg in Wondelgem (Liefkenstraat nummer 35). De kleinschalige baksteenconstructie wordt opgefleurd met beschildering van Willy Plompen en Jan Van den Abeel (1969-70).


Bron     : Bogaert C., Lanclus K. & Verbeeck M. 1983: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Stad Gent, Fusiegemeenten, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 4ND, Brussel - Gent.
Auteurs :  Lanclus, Kathleen, Verbeeck, Mieke


Relaties